Gradus  Hendriks



Gradus Hendriks (1920 - 2007)


samenlevingsopbouw, opbouwwerk


dertig jaar lang topambtenaar bij het ministerie van CRM en architect van de samenlevingsopbouw in Nederland. Hij zette het opbouwwerk op de kaart.


* * *


Gradus Hendriks kan beschouwd worden als de architect van de samenlevingsopbouw in Nederland. Dertig jaar lang – tussen 1953 en 1983 - zette hij als topambtenaar op twee achtereenvolgende ministeries de lijnen uit. Tussen 1953 en 1967 werkte hij op het Ministerie van Maatschappelijk Werk en tot aan zijn pensioen op het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.

Gradus Hendriks werd geboren in 1920. Hij maakte de economische crisis van de jaren dertig als jongeling mee. De sociale gevolgen daarvan raakten hem diep, evenals de ellende van de tweede wereldoorlog. In zijn jeugdjaren droomde hij ervan om stuurman op de grote vaart of veearts te worden. In 1946 werkte hij zelfs nog vier maanden als lichtmatroos. Veehouderij werd een levenslange hobby.

Sociografie
Al op de middelbare school raakte hij in de ban van sociale wetenschappen. In 1948 studeerde hij af aan de Rijksuniversiteit Utrecht in de sociografie en economie. In de vijf jaar daarna werkte hij als sociaalgeograaf bij de Provinciale Planologische Dienst in Overijssel. In 1953 promoveerde hij bij professor Groenman, één van de grondleggers van de sociografie in Nederland, op een uitvoerige studie over Kampen. In de titel van zijn dissertatie -Een stad en haar boeren. Een sociografische studie - is expres de verwijzing naar Kampen weggelaten, omdat het volgens Hendriks het om een casestudy gaat met de bedoeling “ook algemener inzichten omtrent het samenwonen van agrariërs in een stedelijke gemeente te brengen”.
Gradus Hendriks stond in de *traditie van de sociografen die nauwgezet sociale en culturele veranderingen in kaart wilden brengen en zodoende wilden begrijpen hoe deze van invloed waren op de ontwikkeling van lokale gemeenschappen. In de periode tussen 1930 en 1960 waren de sociografen voortrekkers bij het verrichten van onderzoek op het snijvlak van wetenschap en beleid.

Naar het ministerie
In hetzelfde jaar als waarin Gradus Hendriks zijn proefschrift voltooide, in 1953, kwam hij in dienst van het net opgerichte Ministerie van Maatschappelijk Werk dat hij amper kende. Piet van Loon (de hoogste ambtenaar op het ministerie; afgestudeerd als socioloog en afkomstig van het Brabants Volksherstel) zocht een hoofd voor de afdeling OMO, een afkorting voor Onderzoek en Maatschappelijk Opbouwwerk. Hendriks zei niet meteen ‘ja’, maar ging even later toch overstag. Bij de totstandkoming van het ministerie van CRM, in juni 1966, werd hij directeur-generaal voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Gradus zou zijn hele werkende leven bij het ministerie doorbrengen. Altijd in een topfunctie.

Pionieren
Net als vele jonge mensen in de wederopbouwtijd kwam hij in een verantwoordelijke en spannende werkomgeving terecht met behoorlijk wat armslag. Hendriks hierover: “Gezien de enorme groei op het maatschappelijk terrein was er constant behoefte aan mensen die er wat van afwisten en gemotiveerd bezig wilden zijn.”

Dat hij als overtuigde PvdA’er op een toen door katholieken gedomineerd ministerie terecht kwam, deerde hem niet. Met verve vervulde hij de rol van pionier. Hij had een stevige academische achtergrond, was diplomatiek in de omgang en beschikte over een helder strategisch inzicht. Bovendien paarde Gradus enthousiasme aan een scherpe praktische intuïtie en tomeloze werklust. Van meet af aan werkte hij intensief samen met de katholiek Piet van Loon en met de protestant Ab Gijsbers (ex-belastinginspecteur uit Gorinchem). Gedrieën bouwden zij het departement uit. Samenlevingsopbouw zou daar een steeds prominentere plaats gaan innemen.

Terugblikkend op deze periode zegt Hendriks: “Ik heb langzamerhand alle letters van het alfabet gehad. De departementale veranderingen waren steeds weer een uitdaging om er iets van te maken. (…) Zo heb ik natuurlijk volop de discussies en periode meegemaakt van de verzuiling in de jaren vijftig, de democratisering in de zestiger jaren, de decentralisatie in de jaren zeventig en dan tenslotte gaan we in de tachtiger jaren het accent leggen op de privatisering. In een kwart eeuw is er een rijk geschakeerd netwerk van voorzieningen en activiteiten ontwikkeld.’’

Ministerie van Maatschappelijk Werk
Bij de oprichting van het Ministerie van Maatschappelijk Werk, in 1952, werd het maatschappelijk werk van Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken overgeheveld naar dat nieuwe ministerie. De confessionelen drukten een stevig stempel op dit beleidsveld, maar hun invloed was niet alomvattend. Weliswaar was op twee afdelingen - Individueel Maatschappelijk Werk en Maatschappelijk Werk ten bate van probleemgezinnen – de invloed van de verzuiling duidelijk merkbaar, maar voor de derde afdeling - Onderzoek en Maatschappelijk Opbouwwerk - was dat minder het geval. Naast individueel maatschappelijk werk kwam er steeds meer aandacht voor de collectieve component. Dat gaf Hendriks en zijn ambtenaren de kans om de werksoort samenlevingsopbouw op een meer neutrale leest te schoeien. Naast subsidiëring en wetgeving waren de provinciale opbouworganen hiervoor een belangrijk middel, net als het verrichten van sociaalwetenschappelijk onderzoek en het stimuleren van vakontwikkeling. (Zie venster: 1965 - NIMO.)

Door de ingrijpende modernisering van de economie, zowel op het platteland als in de stad, kwam wat toen ‘gemeenschapsopbouw’ werd genoemd hoger op de beleidsagenda te staan. Heel wat politici en wetenschappers waren beducht dat de ontwikkelingen op sociaal-cultureel en economisch vlak onvoldoende met elkaar zouden sporen, met als resultaat sociale ontwrichting. Daarom werd er specifiek beleid bedacht voor de zogeheten ‘ontwikkelingsgebieden’. Hendriks speelde op dit vlak een vooraanstaande rol. In 1951 waren negen regionale plattelandsstreken aangewezen als economische ontwikkelingsgebieden die in aanmerking kwamen voor rijkssteun. De morele verontrusting van vlak na de oorlog – al dan niet van confessionele zijde – ebde langzaam weg. Steeds vaker ging het om een vorm van ‘social engineering’, met als inzet het verantwoord en planmatig begeleiden van de overgang van traditie naar moderniteit. Dit werd dan ook een primaire taak van het maatschappelijk opbouwwerk.

Community Organization
Het maatschappelijk opbouwwerk, dat zich meer en meer onderscheidde van het reguliere maatschappelijk werk, werd het vliegwiel voor de introductie van het concept ‘community organization’. Hendriks, met zijn sociaaldemocratische achtergrond en zijn professionele overtuiging, ging het om het verstevigen van de participatie van de bevolking. In een inleiding in 1961 in Rotterdam zei hij: “Misschien hebben wij van onze democratie teveel een politieke democratie gemaakt. Maar in feite is de gemeenteraad meer één van de longen waardoor de democratie kan ademen. En daarom is het een levenszaak, ook vanuit democratisch oogmerk de bevolking bij het wijkgebeuren te betrekken.” Op het platteland is dat al lastig, maar in de stad is dat nog moeilijker. Maar in zijn ogen is het om die reden juist des te noodzakelijker.

Grote impact had een studiereis naar Amerika in 1954. Piet van Loon zorgde ervoor dat Hendriks meekon. De reis, waarvan tot ergernis van Hendriks het verslag Hoe morgen hier? pas drieënhalf jaar later klaar was, gaf een impuls aan de verrijking van het in Nederland nog maar net in zwang zijnde concept van maatschappelijk opbouwwerk. Vooral het streekverbeteringsproject in Tennessee Valley – in 1933 gestart als prestigieus onderdeel van Roosevelts New Deal - imponeerde het reisgezelschap. ‘Social planning’, met als eindverantwoordelijke de Amerikaanse federale overheid, kwam in handen van een publiekrechtelijk orgaan. Doel was het opwekken van elektriciteit en het tegengaan van overstromingen van de rivier de Tennessee. In de kern ging het om het moderniseren van het platteland, een proces waarin de agrarische bevolking moest worden ‘meegenomen’.
Ook Hull House in Chicago, bakermat van het buurtwerk in de Verenigde Staten, werd bezocht. Net als Stuyvesant Town in New York, een grootschalig buurtsaneringsproject. De stad als werkterrein kwam door deze studiereis scherper in het vizier. Men raakte ervan overtuigd dat ‘sociale wijkopbouw’ meer en meer in stedelijke gebieden moest plaatsvinden. Achteraf beschouwd is in het midden van de jaren vijftig al de kiem gelegd voor de ingrijpende en geslaagde stadsvernieuwingsoperatie in de jaren zeventig en tachtig. Het opbouwwerk zou – samen met stadbestuurders en lokale ambtenaren – hiervan de gangmaker worden.

Volgens Hendriks werd door de reis een beweging werd gemaakt van ‘niets weten’ naar ‘iets weten’. Er was geen sprake van een intensieve kennisoverdracht, maar Amerika was vanaf dat moment onmiskenbaar het gidsland. Het eerste opbouwwerkboek in het Nederlands, van de Canadees Murray Ross, was ook sterk geïnspireerd op de Amerikaanse praktijk. Hendriks putte rijkelijk uit dit gedachtegoed, en uit dat van Jo Boer (die in 1960 het eerste Nederlandse handboek over opbouwwerk publiceerde).

Samenlevingsopbouw landelijk beleid
Met Gradus Hendriks in de regierol kwam gaandeweg het landelijk beleid van de grond. Niet dat alles onmiddellijk werd dichtgetimmerd met gedetailleerde wet- en regelgeving. Het was een kwestie van doen en uitproberen, van leren en bijstellen. Over deze experimenterende werkwijze zegt Hendriks in 2002: “Als we daar dan weer een paar jaar ervaring mee hadden opgedaan en het was aangeslagen, dan konden we gaan denken aan een echte rijksregeling, maar dan waren we dus al een jaar of zes, zeven bezig geweest. Die tijd moet je er ook voor nemen, dan heb je tenminste een maatschappelijk draagvlak in de samenleving.”

Vanaf 1963 is samenlevingsopbouw de noemer voor de subsidiëring van het (maatschappelijk) opbouwwerk. Politieke wegbereider was Marga Klompé, de eerste vrouwelijke minister in Nederland. Zij volgde in 1956 Van Thiel op als minister van Maatschappelijk Werk. Klompé had de samenlevingsopbouw hoog zitten. Voor haar was dit een onmisbare overheidstaak. Bij de begrotingsbehandeling in 1968 schetst ze de betekenis ervan: “Het gaat hier om een proces, dat bewust in gang wordt gezet om een territoriale samenleving – een dorp, een wijk een streek – direct te activeren, en daarbij de bevolking te brengen tot inspraak, tot medezeggenschap en tot het mede-dragen van het beleid voor het welzijn, in de buurt, in het dorp, in de streek. Het is dan de functie van het opbouwwerk, dit proces in gang te zetten, te begeleiden, vorm en inhoud te geven.” De beschermende hand van de minister was voor Hendriks van grote waarde. Hij typeerde haar als ´een schat van een vrouw met een warme belangstelling en zeer betrokken bij alle aspecten van het werk´.

Welzijn
In de jaren zestig kwam het begrip welzijn op. Nu ging het niet meer om sociale planning maar om welzijnsbeleid. Dit was een ideologisch keerpunt. De schaduwzijden van de stijgende welvaart werden zichtbaar. Er kwam kritiek op de industriële en consumptiemaatschappij. ‘Geestelijke armoede’ was nu een gevaar. Mantra’s waren individuele ontplooiing, culturele ontwikkeling en herstructurering van de samenleving. Nieuwe concepten als leefbaarheid, sociale redzaamheid, sociale actie, permanente educatie en participatie werden in korte tijd opgenomen in het beleidsvocabulaire. De flexibel ingestelde Hendriks bewoog makkelijk mee met deze verandering. Dat kon ook omdat de beleidsinzet van het ministerie niet wezenlijk veranderde. Het bleef gaan om landelijk beleid gericht op samenlevingsopbouw.

Inmiddels was het opbouwwerk door de uitbreidende subsidiëring en wetgeving behoorlijk geïnstitutionaliseerd geraakt. In 1971 culmineerde dit in de “Rijkssubsidieregeling voor werkzaamheden en voorzieningen met betrekking tot de samenlevingsopbouw”. In de wandelgangen bij CRM werd dit losbladig systeem met rode kaft schertsend ook wel ‘het rode boekje’ genoemd. Vonhoff, de toenmalige VVD-staatsecretaris van CRM, sprak van een zich ‘automatisch uitdijend heelal’.

Erosie
In de tweede helft van de jaren zeventig kwam de klad erin. Tijdens, maar vooral na de val van het kabinet-Den Uyl, in 1977, waaide de wind beetje bij beetje uit een andere hoek. Landelijke wetgeving en centrale overheidssturing kwamen onder vuur te liggen. De oude generatie ambtenaren, met name Gijsbers en Hendriks, hadden grote moeite met het decentralisatie-streven dat zij zagen als een aantasting van de democratische gelijkheid. Hendriks haakte langzamerhand af.

In 1980 kreeg hij nog internationale erkenning. Hij ontving – net als bijvoorbeeld Dom Helder Camara - de Rene Sand Award, een onderscheiding voor verdiensten op het vlak van maatschappelijk welzijn.

Eind 1983, op 63-jarige leeftijd, ging hij met pensioen. Hendriks trok zich na zijn pensionering niet totaal terug op zijn boerderij met paarden. Hij bleef zich actief inzetten voor het opbouwwerk. Hij had Wil van de Leur vlak voor zijn terugtreden nog een subsidie bezorgd om het Landelijk Platform Opbouwwerk van de grond te tillen. En na zijn pensionering onderhield hij een intensief contact met hem. Hij was jarenlang lid van het jaarverslagen panel dat de kwaliteit van de verslaglegging van welzijnsinstellingen wilde verbeteren en daarvoor prijzen uitreikte. Hij zat in de jury voor de prijs van het beste bewonersinitiatief en aarzelde niet om ook op opiniepagina’s van de kranten zijn mening ten beste te geven.

Hendriks was zeker niet verbitterd, maar bij zijn afscheid toont hij zich weinig optimistisch. “Het welzijnswerk staat onder druk. Het werk heeft in de afgelopen dertig jaar meer dieptepunten gekend, maar niet zodanig dat duizenden werkers moesten worden ontslagen. Ik maak me daar grote zorgen over.” Hij is ook hoopvol: “De grote opgave voor WVC zal zijn om een nieuwe manier te vinden om belangrijke delen van het werk in stand te houden. Daarbij hoop ik dat het werk zal blijven steunen op de medewerking van de mensen zelf. Er zijn enorme deuken in het vertrouwen van de mensen aangebracht.”

Verdiensten
Hendriks groeide in zijn ambtelijke loopbaan uit tot een zeer actieve promotor van de samenlevingsopbouw in Nederland. Hij had het tij mee en zat in een strategisch gunstige positie. Het ministerie was niet alleen een krachtige beleidsmachine, maar fungeerde – zeker in de jaren vijftig en zestig - ook als brandpunt voor kennisontwikkeling en ideeënoverdracht. Vele lezingen werden gehouden en vele brochures en artikelen zagen het daglicht. Vaak droegen die direct of indirect de handtekening van Hendriks.

Gradus Hendriks had een rotsvast geloof in ‘community organization’. Zwanikken noemt hem zelfs ‘een profeet op dit gebied’. Bram Peper, die in 1972 een zeer kritisch proefschrift over de bureaucratisering van het opbouwwerk had gemaakt, schetst de grote betekenis van Hendriks: “Hij heeft in hoge mate het gezicht van het opbouwwerk in de practijk bepaald. Zijn langdurige bemoeienis met deze materie – zowel practisch als theoretisch – stempelt hem ook internationaal tot een belangrijk deskundige.”

Zonder twijfel verdient Hendriks het predicaat ‘architect van de samenlevingsopbouw’. Hij heeft de basis gelegd voor het concept en het inhoudelijk door-ontwikkeld. En zeker net zo belangrijk: hij heeft de samenlevingsopbouw bestuurlijk-politiek verankerd. Daarmee heeft hij de professie op een hoger plan getild. Mede daardoor kon later een landelijke infrastructuur voor het opbouwwerk ontstaan. Ook de provinciale opbouworganen konden dankzij het landelijk beleid floreren. Over het hele land werd bovendien een uitgebreid netwerk van accommodaties gevormd. Dit werd de kern van het professionele wijk- en buurtgericht werken, dat zijn hoogtepunt beleefde in de laatste decennia van de vorige eeuw.

Hendriks voorzag al vrij vroeg de nadelen van bureaucratisering en onevenredige schaalvergroting. Hij pleitte voor kleinschalige, professioneel georganiseerde voorzieningen in de wijk, waarbij de burgers zeggenschap kregen. Zijn adagium dat burgers mee moeten beslissen over de inhoud en opzet van welzijns- en zorgvoorzieningen heeft nog steeds geldigheidswaarde.

Hendriks heeft ruim na zijn pensionering nog het genoegen mogen smaken dat zijn naam werd verbonden aan een stichting onder auspiciën waarvan een bijzondere leerstoel voor het opbouwwerk in het leven werd geroepen. In het jaar voor zijn dood was Gradus nog aanwezig bij de oratie van de tweede hoogleraar, Talja Blokland. Gradus Hendriks stierf op hoge leeftijd, in 2007.



Publicatiedatum: 16-01-2020
Auteur(s): Henk Krijnen,
Links



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015