Wil van de Leur



Wil van de Leur (1944 - 2007)


opbouwwerk,


was tussen 1982 en 2007 directeur van het Landelijke Platform/Centrum Opbouwwerk en als zodanig de belichaming van het Nederlandse opbouwwerk.


* * *





Wil van de Leur werd op 1 juni 1944 geboren in Den Haag, maar het middenklassegezin verhuisde al na een paar maanden na zijn geboorte naar Maastricht. Hij was oudste van drie kinderen, ging naar de lagere school in Maastricht en doorliep de MULO in Eindhoven. Na de MULO ging hij bij Philips werken, op een afdeling postkamer annex bedrijfsbibliotheek. Daarnaast studeerde hij voor het HBS staatsexamen dat hij in korte tijd wist te behalen. Dit diploma was toen nodig om tot de Sociale Academie te worden toegelaten. In Eindhoven schreef hij zich in 1963 voor de opleiding cultureel werk en de daarbinnen net gestarte specialisatie opbouwwerk. Daar ontmoette hij zijn vrouw Ineke met wie hij (later in Leeuwarden) een dochter, Manon, zal krijgen. In Eindhoven liet hij al wat van zijn talent zien: hij zat in de redactie van de Academiekrant, deed mee met de werkgroep theater en volgde tevens de parttime opleiding journalistiek in Nijmegen.

Zijn stage bracht hem terug bij Philips. Daar kreeg hij de kans onderzoek te doen naar de begeleiding door toenmalige ‘Levensscholen’ van jongeren van 15 tot en met 19 jaar. Hij was kritisch: een grote groep kreeg niet de aandacht en begeleiding die ze nodig had, terwijl een ander deel van de jeugd die het qua milieu en aanleg veel gemakkelijker zonder kon stellen, die aandacht wel kreeg. Die onrechtvaardigheid scherpte zijn alertheid voor achtergestelde belangen en ongelijke kansen.

Baan plus urgentieverklaring
Zijn examinator vroeg hem tijdens het eindexamen of hij interesse had in een baan in het opbouwwerk in Leeuwarden. Er waren nog niet veel ‘gediplomeerde’ opbouwwerkers, dus de gemeente leverde voor hem ook een urgentieverklaring, waardoor hij vrijstelling kreeg van militaire dienst. Dat trok hem definitief over de streep: in 1967 begint hij in Leeuwarden, hij blijft er tot 1978 en groeit in de Friese hoofdstad uit tot een bepalende figuur in de ontwikkeling van het opbouwwerk, onder meer als coördinator van het COL, het Centraal Orgaan Leeuwarden, een zeer actieve welzijnswerkstichting, gedomineerd door opbouwwerkers.

Furore maakt hij in de Transvaalwijk die onder zijn leiding de eerste echte stadsvernieuwingswijk in Nederland wordt, waar bewoners zich onder begeleiding van het opbouwwerk met succes verzetten tegen de naderende sloop. De Transvaalwijk groeit uit tot het voorbeeld van een nieuwe stadsvernieuwingsaanpak. Bussen Randstedelingen komen kennis nemen van dit mirakel, waar met inschakeling van de bewoners de wijk een metamorfose heeft ondergaan en de bewoners zelf sterker uit de strijd zijn gekomen.

Wil van de Leur was één van de founding fathers van de Werkplaats Opbouwwerk Noord-Nederland (WONN) die in 1971 werd opgericht met als voornaamste taken: methodiekontwikkeling, bijscholing en deskundigheidsbevordering van opbouwwerkers. Voor hem was de WONN een denktank en een broedplaats, een plek die het opbouwwerk met behulp van theoretische en nieuwe sociaalwetenschappelijke inzichten verder kon brengen. Arie Besteman, andragoog en de eerste directeur van de WONN, ontwikkelde daarop vanaf 1971 de Probleem-Project-Methode, die al snel in Nederland school maakte (en discussie opriep). De PPM wilde het opbouwwerk voorzien van een systematische en planmatige aanpak, met concrete doelen en resultaten. Dat sprak de pragmatische, resultaatgerichte Van de Leur zeer aan. Hij zag weinig brood in de fundamentele marxistisch getinte pleidooien voor maatschappelijke veranderingen die in die dagen ook in de opbouwwerkkringen te beluisteren waren en die naar zijn mening ver boven de pet gingen van de mensen waarom het allemaal om te doen was.

Het beeld dat oprijst uit de Leeuwarder periode is dat van een tijd waarin het opbouwwerk zichzelf als belangrijke politieke machtsfactor in de rol van activistisch ondersteuner van bewoners op de kaart zette, misschien zelfs hier en daar teveel macht kreeg. Toen hij in 1978 Leeuwarden achter zich liet had elke wijk een fulltime opbouwwerker. Het opbouwwerk was een factor waar iedereen rekening mee hield.

Landelijk Platform Opbouwwerk
Wil van de Leur wilde echter meer. Hij wilde boven de lokale context uitstijgen en het vak verder brengen. Daarom reageerde hij in 1978 gretig op een advertentie van de Nationale Raad Maatschappelijk Welzijn (NRMW) om de sectie samenlevingsopbouw verder vorm te geven. De NRMW, gezeteld in Den Haag, was een klassieke koepelorganisatie van landelijke instellingen met vooral wortels in het maatschappelijk werk. Die hadden weinig op met opbouwwerkers – te warrig en te links.

Van der Leur concludeerde daarom al snel dat hij binnen de NRMW niet veel potten kon breken en dat er een zelfstandig platform opbouwwerk moest komen. Hij vond gehoor bij topambtenaar Gradus Hendriks, die in hem de persoon zag die het opbouwwerk verder kon brengen. Vlak voor zijn pensioen in 1981 verstrekte Hendriks hem 75.000 gulden subsidie om het Landelijk Platform Opbouwwerk op te richten. In 1982 opende het LPO de poorten, met Van de Leur als directeur, hoewel hij – in dat opzicht had hij een bescheiden inborst - zichzelf nooit zo noemde.

Het LPO had vier doelstellingen: 1) het creëren van lokale samenwerkingsverbanden of platforms van plaatselijke of lokale instellingen om te komen tot probleemoplossing van onderop en innovatie; 2) het organiseren van va conferenties over opbouwwerkthema’s; 3) belangenbehartiging van het vak opbouwwerk richting centrale overheid; 4) het verzamelen en verspreiden van informatie via een nieuw tijdschrift Mededelingen Opbouwwerk.

Altijd ideeën in de achterzak
Van der Leur kon bij het LPO al zijn creativiteit kwijt. Hij nam tal van initiatieven, ronselde voortdurend subsidies en bracht mensen bij elkaar en in beweging. Hij stond aan de wieg van de landelijke subsidiëring van WAO-platforms, zette een het Consulentschap Samenlevingsopbouw op (een pool van opbouwwerkers, die los van welzijnsinstellingen onafhankelijk hun deskundigheid konden inzetten), organiseerde bijeenkomsten, stimuleerde opbouwwerk in het platteland en gaf de aanzet tot de oprichting van het Landelijk Samenwerkingsverband Achterstandsgebieden. Hij grossierde in even wilde als leuke ideeën. Als hij met vrouw Ineke en dochter Manon op vakantie ging, kwam hij terug met cahiers vol met de hand geschreven projectvoorstellen. Hij had altijd een heleboel ideeën in zijn achterzak, maakte daar de geesten rijp voor en als het moment zich aandiende trok hij een project uit de kast en lanceerde dat.

Zo ontstond halverwege de jaren tachtig het idee om een leerstoel samenlevingsopbouw op te richten. De andragologie werd opgeheven en hij vreesde een wetenschappelijke kaalslag. In de teloorgang van de andragogie en andere welzijnsdisciplines dreigde er nergens meer een academische plek te zijn voor de theoretische onderbouwing van het opbouwwerk. Om dat te voorkomen richtte Van de Leur de Gradus Hendriks Stichting op. Hij haalde wat mensen bij elkaar in het bestuur, waaronder zijn opvolger in Leeuwarden Jim Schuyt die inmiddels directeur van de Werkgroep 2000 was, en is gaan lobbyen om het geld voor een bijzonder hoogleraarschap bij elkaar te sprokkelen. Dat lukte: in 1989 werd de eerste hoogleraar benoemd: Cees de Wit. Er zouden er nog drie (Jan Willem Duyvendak, Talja Blokland en Justus Uitermark) volgen.

Ontspringen aan herstructureringsdans
Inmiddels wankelde de positie van het LPO. In 1987 wordt de Welzijnswet aangenomen, de eerste decentralisatie van het welzijnswerk. Het opbouwwerk verliest daardoor elke vorm van landelijke financiering. Tegelijkertijd voltrekt zich een herstructurering van landelijke organisaties (HLO operatie), die leidt tot de oprichting op 19 oktober 1988 van het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn, waarin vrijwel alle landelijke koepelorganisaties worden ondergebracht.
Behalve het Landelijk Platform Opbouwwerk. Want Wil van de Leur heeft zich tot het uiterste verzet tegen deze verplichte onderdompeling. In zijn ogen zou dat het einde van het opbouwwerk betekenen. Via handig politiek lobbywerk wist hij de Haagse politiek ervan te overtuigen dat het opbouwwerk op nationaal niveau een eigen werkorganisatie verdiende.

De lucht die dat opleverde was echter maar tijdelijk. In 1992 ondernam het ministerie opnieuw een poging om het LPO onder het regime van het NIZW te brengen. Dit keer mobiliseerde Van de Leur de Tweede Kamerleden Esselink (CDA) en Middel (PvdA), beiden deel uitmakend van de regeringscoalitie, die deze tweede poging via een amendement wisten te verijdelen. Wel moest het LPO samen gaan met de vier werkplaatsen. Dat leidde tot het Landelijk Centrum Opbouwwerk dat op 1 januari 1993 officieel van start gaat. Het takenpakket is eigenlijk hetzelfde als het LPO: kennistransfer en innovatie op het gebied van opbouwwerk en samenlevingsopbouw.

Dat het LCO de herstructureringsdans als enige landelijke ondersteuningsinstelling wist te ontspringen was ondenkbaar geweest zonder Wil van de Leur. Hij had een enorm netwerk, wist ook grote namen voor maatschappelijke vraagstukken en opbouwwerkoplossingen te mobiliseren, hij had altijd een plan, waarover hij concreet en enthousiast kon vertellen. Zo wist hij mensen voor zich in te nemen en te overtuigen, niet met wollige welzijnspraatjes, maar met concrete analysen en praktische voorstellen.

Hij hield echter niet alles in de hand. Zo raakt hij rondom de eeuwwisseling in conflict met Henk Cornelissen,die binnen het LCO verantwoordelijk is voor het LSA. Dat samenwerkingsverband heeft zich in tien jaar ontwikkeld van een overlegorgaan van opbouwwerkers tot een organisatie voor actieve bewoners. Henk Cornelissen en het Bewonersplatform dat de kern van het LSA uitmaakt willen zelfstandig verder; Van de Leur wil dit steeds succesvollere LCO-kindje graag in ‘zijn’ opbouwwerkfamilie houden en verzet zich tegen de pogingen om zelfstandig verder te gaan. Als de LSA-bewoners in 2002 desondanks besluiten om een aparte vereniging voor actieve bewoners op te richten en op onafhankelijkheid af te koersen, zijn de rapen gaar. De verhouding tussen Wil van de Leur en Henk Cornelissen komt daardoor op scherp te staan. Het duurt mede daardoor tot 2005 voordat de LSA met een eigen financiering los komt van het LCO en een eigen kantoor opent in Utrecht.

Ten onder in Movisie
Wil van de Leur heeft vanaf 1993 in LCO-verband bijna vijftien jaar met hart en ziel aan het opbouwwerk getrokken. Hij heeft actief bijdragen geleverd aan meer dan 200 nummers van MO/Samenlevingsopbouw, altijd als lid van de redactie maar in bijna de helft van de nummers met een bijdrage een beschouwing of als onderwerp in een verslag over een bijeenkomst waar hij een belangrijke rol speelde. Zijn nalatenschap telde meer dan 140 publicaties over het opbouwwerk en allerhande maatschappelijke problemen/ontwikkelingen.

Maar hoe hij zich ook inzette, tegen de krachten die het vak opbouwwerk als apart en beschermd beroepsdomein lieten vervagen, was hij niet opgewassen. In 2005 werd duidelijk dat de financiering voor een apart Landelijk Centrum Opbouwwerk zou ophouden en dat het ministerie opnieuw afkoerste op het onderbrengen van het LCO bij een landelijk instituut: Movisie (een van de drie onderdelen waarin het NIZW uiteengevallen was). Van de Leur verzette zich er opnieuw faliekant tegen, maar zijn connecties in Den Haag waren opgedroogd, er was geen houden meer aan. Op 1 januari 2007 werd het LCO ondergebracht bij Movisie.

Hij was nu gedwongen aan iets mee te doen waar hij eigenlijk geen fiducie in had. Dat viel hem zwaar. Hij wilde ook niet weggaan, zich ziek melden (zijn gezondheid was erg achteruit gegaan) of op vakantie gaan, want hij dacht dat als hij dan weg zou gaan, hij niet meer terug zou komen. Uiteindelijk zou je kunnen zeggen heeft hij dit laatste gevecht met de dood moeten bekopen. In juni 2007, een half jaar na de ondergang van het LCO overlijdt de dan 63-jarige Wil van de Leur.

Deze biografie is gebaseerd op de biografische schets die Joyce Hes schreef als bijdrage aan het herdenkingsboek Wilsbeschikkingen – Opbouwwerk volgens Wil van de Leur, dat in 2009 verscheen onder redactie van Harry Broekman, Joyce Hes, Peter Voogt en Koos Vos.





Publicatiedatum: 30-11-2019
Datum laatste wijziging :22-09-2023
Auteur(s): Jos van der Lans,



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015 / Onderhoud door Rstyle