1953 Gradus Hendriks
Architect van de samenlevingsopbouw
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Gradus Hendriks kan beschouwd worden als de architect van de samenlevingsopbouw in Nederland. Dertig jaar lang – tussen 1953 en 1983 - zette hij als topambtenaar op twee achtereenvolgende ministeries de lijnen uit. Tussen 1953 en 1967 werkte hij op het ministerie van Maatschappelijk Werk en tot aan zijn pensioen op het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.

Gradus Hendriks is geboren in 1920. Hij maakte de economische crisis van de jaren dertig als jongeling mee. De sociale gevolgen daarvan raakten hem diep, evenals de ellende van de Tweede Wereldoorlog. Al op de middelbare school raakte hij in de ban van sociale wetenschappen. In 1948 studeerde hij af aan de Rijksuniversiteit Utrecht in de sociografie en economie. In de vijf jaar daarna werkte hij als sociaalgeograaf bij de Provinciale Planologische Dienst in Overijssel. In 1953 promoveerde hij bij professor Groenman, één van de grondleggers van de sociografie in Nederland, op een uitvoerige studie over Kampen. Gradus Hendriks was een exponent van een aan de weg timmerende generatie sociografen die nauwgezet sociale en culturele veranderingen in kaart wilden brengen en zodoende wilden begrijpen hoe deze van invloed waren op de ontwikkeling van lokale gemeenschappen.

Pionieren op het ministerie
In hetzelfde jaar als waarin Gradus Hendriks zijn proefschrift voltooide, in 1953, kwam hij in dienst van het net opgerichte Ministerie van Maatschappelijk Werk dat hij amper kende. Hij werd snel daarna hoofd van de afdeling OMO, een afkorting voor Onderzoek en Maatschappelijk Opbouwwerk. Net als vele jonge mensen in de wederopbouwtijd kwam hij in een verantwoordelijke en spannende werkomgeving terecht met behoorlijk wat armslag. Bij de totstandkoming van het ministerie van CRM, in juni 1966, werd hij directeur-generaal voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Gradus zou zijn hele werkende leven bij het ministerie doorbrengen. Altijd in een topfunctie.
Dat hij als overtuigde PvdA’er op een toen door katholieken gedomineerd ministerie terecht kwam, deerde hem niet. Met verve vervulde hij de rol van pionier. Hij had een stevige academische achtergrond, was diplomatiek in de omgang en beschikte over een helder strategisch inzicht. Bovendien paarde Gradus enthousiasme aan een scherpe praktische intuïtie en tomeloze werklust. Van meet af aan werkte hij intensief samen met de katholiek Piet van Loon en met de protestant Ab Gijsbers (ex-belastinginspecteur uit Gorinchem). Gedrieën bouwden zij het departement uit. Samenlevingsopbouw zou daar een steeds prominentere plaats gaan innemen.
De confessionelen drukten een stevig stempel op de beleidsvorming in het ministerie, maar hun invloed was niet alomvattend. Naast individueel maatschappelijk werk kwam er steeds meer aandacht voor de collectieve component. Dat gaf Hendriks en zijn ambtenaren de kans om de werksoort samenlevingsopbouw op een meer neutrale leest te schoeien.
Belangrijk nieuw beleidsterrein waren de zogeheten ‘ontwikkelingsgebieden’. Hendriks speelde op dit vlak een vooraanstaande rol. In 1951 waren negen regionale plattelandsstreken aangewezen als economische ontwikkelingsgebieden die in aanmerking kwamen voor rijkssteun. Inzet was het verantwoord en planmatig begeleiden van de overgang van traditie naar moderniteit. Ook in meer algemene zin werd dit een primaire taak van het maatschappelijk opbouwwerk.

Community organization en samenlevingsopbouw
Het maatschappelijk opbouwwerk maakte zich meer en meer los van het reguliere maatschappelijk werk. In de tweede helft van de jaren vijftig werd het maatschappelijk opbouwwerk het vliegwiel voor de introductie van het concept ‘community organization’. Grote impact had een studiereis naar Amerika in 1954, waaraan ook Hendriks deelnam. Vooral het streekverbeteringsproject in Tennessee Valley – in 1933 gestart als prestigieus onderdeel van Roosevelts New Deal - imponeerde het reisgezelschap. In de kern ging het om het moderniseren van het platteland, een proces waarin de agrarische bevolking moest worden ‘meegenomen’. Ook Hull House in Chicago, bakermat van het buurtwerk in de Verenigde Staten, werd bezocht. Net als Stuyvesant Town in New York, een grootschalig buurtsaneringsproject. Hierdoor kwam ook de stad als werkterrein scherper in het vizier. Volgens Hendriks werd door de reis een beweging gemaakt van ‘niets weten’ naar ‘iets weten’. Er was geen sprake van een intensieve kennisoverdracht, maar Amerika was vanaf dat moment onmiskenbaar het gidsland.
Met Gradus Hendriks in de regierol kwam gaandeweg het landelijk beleid al experimenterend van de grond. Het was een kwestie van doen en uitproberen, van leren en bijstellen. Vanaf 1963 is samenlevingsopbouw de noemer voor de subsidiëring van het (maatschappelijk) opbouwwerk. Politieke wegbereider was Marga Klompé, die in 1956 de eerste vrouwelijke minister in Nederland werd. Voor haar was samenlevingsopbouw een onmisbare overheidstaak. De beschermende hand van de minister was voor Hendriks van grote waarde. Hij typeerde haar als ´een schat van een vrouw met een warme belangstelling en zeer betrokken bij alle aspecten van het werk´.

Erosie
Inmiddels was het opbouwwerk door de uitbreidende subsidiëring en wetgeving behoorlijk geïnstitutionaliseerd geraakt. In 1971 culmineerde dit in de “Rijkssubsidieregeling voor werkzaamheden en voorzieningen met betrekking tot de samenlevingsopbouw”. In de wandelgangen bij CRM werd dit losbladig systeem met rode kaft schertsend ook wel ‘het rode boekje’ genoemd. Vonhoff, de toenmalige VVD-staatsecretaris van CRM, sprak van een zich ‘automatisch uitdijend heelal’.
In de tweede helft van de jaren zeventig kwam de klad erin. Tijdens, maar vooral na de val van het kabinet-Den Uyl, in 1977, ging de wind beetje bij beetje uit een andere hoek waaien. Landelijke wetgeving en centrale overheidssturing kwamen onder vuur te liggen. De oude generatie ambtenaren, met name Gijsbers en Hendriks, hadden grote moeite met het decentralisatie-streven dat zij zagen als een aantasting van de democratische gelijkheid. Hendriks haakte langzamerhand af.
Eind 1983, op 63-jarige leeftijd, ging hij met pensioen. Hendriks trok zich na zijn pensionering niet totaal terug op zijn boerderij met paarden. Hij bleef zich actief inzetten voor het opbouwwerk. Hij had Wil van de Leur vlak voor zijn terugtreden nog een subsidie bezorgd om het Landelijk Platform Opbouwwerk van de grond te tillen. En na zijn pensionering onderhield hij een intensief contact met hem. Hij was jarenlang lid van het jaarverslagen panel dat de kwaliteit van de verslaglegging van welzijnsinstellingen wilde verbeteren en daarvoor prijzen uitreikte. Hij zat in de jury voor de prijs van het beste bewonersinitiatief en aarzelde niet om zo nu en dan ook op opiniepagina’s van kranten zijn mening ten beste te geven.

Hendriks was zeker niet verbitterd, maar bij zijn afscheid toont hij zich weinig optimistisch. “Het welzijnswerk staat onder druk. Het werk heeft in de afgelopen dertig jaar meer dieptepunten gekend, maar niet zodanig dat duizenden werkers moesten worden ontslagen. Ik maak me daar grote zorgen over.” Hij is ook hoopvol: “De grote opgave voor WVC zal zijn om een nieuwe manier te vinden om belangrijke delen van het werk in stand te houden. Daarbij hoop ik dat het werk zal blijven steunen op de medewerking van de mensen zelf. Er zijn enorme deuken in het vertrouwen van de mensen aangebracht.”

Profeet en promotor
Hendriks groeide in zijn ambtelijke loopbaan uit tot een zeer actieve promotor van de samenlevingsopbouw in Nederland. Hij had het tij mee en zat in een strategisch gunstige positie. Het ministerie was niet alleen een krachtige beleidsmachine, maar fungeerde – zeker in de jaren vijftig en zestig - ook als brandpunt voor kennisontwikkeling en ideeënoverdracht.
Gradus Hendriks had een rotsvast geloof in ‘community organization’. NIMO-directeur Zwanikken noemt hem zelfs ‘een profeet op dit gebied’. Bram Peper, die in 1972 een zeer kritisch proefschrift over de bureaucratisering van het opbouwwerk had gemaakt, schetst de grote betekenis van Hendriks: “Hij heeft in hoge mate het gezicht van het opbouwwerk in de practijk bepaald. Zijn langdurige bemoeienis met deze materie – zowel practisch als theoretisch – stempelt hem ook internationaal tot een belangrijk deskundige.”

Zonder twijfel verdient Hendriks het predicaat ‘architect van de samenlevingsopbouw’. Hij heeft de basis gelegd voor het concept en het inhoudelijk doorontwikkeld. En zeker net zo belangrijk: hij heeft de samenlevingsopbouw bestuurlijk-politiek verankerd. Daarmee heeft hij de professie op een hoger plan getild.
Hendriks voorzag al vrij vroeg de nadelen van bureaucratisering en onevenredige schaalvergroting. Hij pleitte voor kleinschalige, professioneel georganiseerde voorzieningen in de wijk, waarbij de burgers zeggenschap kregen. Zijn adagium dat burgers mee moeten beslissen over de inhoud en opzet van welzijns- en zorgvoorzieningen heeft nog steeds geldigheidswaarde.
Hendriks heeft ruim na zijn pensionering nog het genoegen mogen smaken dat zijn naam werd verbonden aan een stichting onder auspiciën waarvan een bijzondere leerstoel voor het opbouwwerk in het leven werd geroepen. In het jaar voor zijn dood was Gradus nog aanwezig bij de oratie van de tweede hoogleraar, Talja Blokland. Gradus Hendriks stierf op hoge leeftijd, in 2007.

Publicatiedatum: 17-01-2020
Datum laatste wijziging :29-01-2020
Auteur(s): Henk Krijnen,
Verwante vensters
Extra Mandement 1954: spanningen tussen katholieken en socialisten
Op 1 mei 1954 brachten de katholieke bisschoppen het beruchte Mandement uit, waarin de bisschoppen katholieken verbieden lid te worden van, ja zelfs sympathie te koesteren voor socialistische verenigingen als NVV, VARA en PvdA. Wie daar geen gevolg aan geeft zal bij overlijden hen de sacramenten worden geweigerd en een kerkelijke begrafenis worden ontzegd. Het Mandement zet de verhoudingen tussen katholieken en sociaaldemocraten op scherp en vergroot de achterdocht van katholieken tegen neutrale samenwerkingsvormen die van uit de community organization-gedachte gepropageerd worden. Die spanningen tekenen het eerste decennium van de samenlevingsopbouw in Nederland en zullen pas worden opgelost als in de jaren zeventig niet de religieuze achtergrond maar het politiek activisme in he topbouwwerk de boventoon gaat voeten.
Literatuur
Aanvullend materiaal
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste