1892 Volkshuis Ons Huis (2)
Buurthuizen: ankerpunten voor samenlevingsopbouw
    homepage   volgende   laatste
Wie samenlevingsopbouw zegt, zegt buurthuizen. Als in 1892 in Nederland het eerste buurthuis wordt geopend draait het al om ‘gemeenschapsvorming’. De oprichters van Ons Huis, het buurthuis in de Amsterdamse Jordaan, koesteren het ideaal van een nieuwe gemeenschap, waarin het platte materialisme wordt overwonnen en hogere morele en esthetische waarden de boventoon voeren.

Volkshuizen
Lichtend voorbeeld in de pioniersfase van het buurthuiswerk zijn de gemeenschapshuizen van de Engelse Settlement movement, met als bekendste Toynbeehall in het Londense East End (1884). Met dat voorbeeld ontstaan er in Nederland drie grote ‘volkshuizen’: in Amsterdam, in Leiden (1899) en Rotterdam (1909). Veel van deze initiatieven komen voort uit de kring van de progressieve, liberale middenklasse. Vrouwen uit de eerste feministische golf spelen een belangrijke rol. Stichter van het Amsterdamse Volkshuis is – naast Jacob Anton Tours - Hélène Mercier. Een andere voortrekker is Emilie Knappert, de grondlegger van het invloedrijke Leidse volkshuis . Deze buurthuizen avant la lettre streven naar de culturele verheffing van de arbeidersklasse. De volkshuizen bereiken voornamelijk de beter geschoolde arbeiders.

Dorpshuizen
Vanaf de eerste wereldoorlog worden ook in armoedige plattelandsstreken zogeheten dorpshuizen gesticht. Het eerste wordt in 1915 door Gesina Boerma in het Drentse Paterswolde opgericht. In deze provincie verrijzen in de jaren twintig meerdere dorpshuizen, even later gevolgd door Friesland, Groningen en de Limburgse mijnstreek. Dit soort buurthuizen is naar de aard van zijn bestaan vooral gericht op huishoudelijke en persoonlijke vorming: hygiëne, voedselbereiding, kleuteronderwijs, nijverheidsonderwijs voor meisjes. Maar in de kern gaat het nog steeds om volksverheffing.

Clubhuizen
Een flinke verandering zijn de buurthuizen die in de arbeidersbuurten in de grotere steden het daglicht zien. Het begint in Rotterdam en Den Haag. De oprichters van deze eerste twee stedelijke buurthuizen zetten zich af tegen de volkshuizen die in hun ogen te elitair zijn.
In Rotterdam is het de natuurkundige Walter van Wijk die in de bres springt. In 1922 start hij daar met clubhuis De Arend. Hij voert welbewust een opendeurbeleid: het clubhuis is elke avond open, met enkele honderden kinderen. In de Haagse Schilderswijk komt in 1926 het buurthuis De Musschen van de grond. Drijvende kracht is ex-hovenier Jaap de Bruin, die resoluut aansluiting zoekt bij de leefwereld van de jongens uit de gribus. ‘Meester De Bruin’, zoals hij later liefkozend wordt genoemd, moet heel wat weerstanden overwinnen maar weet uiteindelijk de sympathie van de jongeren en hun ouders te winnen.
Buurthuizen worden in de begintijd niet gezien als een geschikte plek voor opgroeiende meisjes. Het duurt tot het eind van de jaren twintig voordat het eerste clubhuis voor fabrieksmeisjes het licht ziet: De Haard in Nijmegen (1929). Drijvende kracht is de theoloog Jenny van den Berg . Zij is achtereenvolgens directrice van De Haard (vanaf 1930) en De Zeemeeuw in Rotterdam (vanaf 1937).

Levensbeschouwelijk clubhuiswerk
Al in 1894 gaat het katholieke Sint Franciscus Liefdewerk van start in Amsterdam, met een buurthuis in het hart van de stad. In 1923 wordt door dezelfde orde in Rotterdam-Zuid een bescheiden buurthuis van de grond getild. De kerkelijke leiders maken zich ernstige zorgen. In 1915 verzucht het katholieke dagblad De Tijd: “De toestanden in de volkswijken der groote steden verschillen toch waarlijk niet veel van die der missielanden”. De club- en buurthuizen worden meestal geleid door paters, met de orde van de Franciscanen voorop. Vaak wordt materiële ondersteuning – in de vorm van kleding, schoeisel en geld – gecombineerd met ontspannende activiteiten. In Amsterdam, Hoorn, Den Haag, Haarlem, Leiden en Schiedam ontplooit de clerus vanaf de eerste wereldoorlog ook speciale activiteiten voor meisjes, het Sint Francesca Romanawerk.
In protestantse kring nemen sociaal bewogen leken het voortouw. In het Koning Willemshuis in de Amsterdamse Jordaan, waar de levensomstandigheden ronduit miserabel zijn, wordt al vanaf 1863 geprobeerd via evangelisatie en drankbestrijding de bevolking ontvankelijk te maken voor het christelijk geloof. Pionierswerk in het interbellum wordt ook verricht in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt, waar mevrouw Diemel-Holshuysen, ‘tante Saar’, het voortouw neemt.

Begin landelijk beleid
In de vooroorlogse periode draait alles nog om het particulier initiatief, maar vlak in de wederopbouwperiode keert het tij. Het nieuw gevormde Ministerie van Maatschappelijk Werk (1952) begint met het financieren van het zogeheten Maatschappelijk Opbouwwerk, de Nederlandse versie van het gezaghebbende Amerikaanse concept van Community Organisation. Inspirator is Gradus Hendriks, topambtenaar bij dit ministerie. Gebruikmakend van een speciale regeling voor het gezins- en wijkwerk ontvangen steeds meer buurthuizen subsidies. Het aantal buurthuizen stijgt in de naoorlogse periode gestaag: van 84 in 1945 en 377 in 1957 tot 603 in 1969.

Grote doorbraak
Onder auspiciën van het nieuwe ministerie voor CRM (1966) gaat de overheid het werk voor 100 procent subsidiëren. Hoogtepunt is de Rijksbijdrageregeling sociaal-cultureel werk (1978-1987), waarin het club- en buurthuiswerk en opbouwwerk worden geïntegreerd. Het aantal stichtingen groeit in de jaren zeventig naar duizend. In de bloeitijd, die pakweg duurt van 1970 tot 1985, ontstaan in vele steden en dorpen buurthuizen. Het activiteitenaanbod verbreedt zich met onder meer culturele cursussen, vormingsactiviteiten voor vrouwen en nieuwkomers, sociaal-juridische advisering en peuterspeelzaalwerk. Actie en emancipatie staan voorop. Samenlevingsopbouw wordt toonaangevend. In de buurthuizen opereren breed samengestelde teams, bestaande uit verschillende soorten sociale professionals die wijkgericht werken. Deze teams vertonen gelijkenis met wat nu wijkteams heet, al was er toentertijd meer aandacht voor de collectieve kant van het werk.

Forse inkrimpingen
Met de invoering van de Welzijnswet in 1987 wordt in feite het landelijk beleid afgeschaft. Gemeenten krijgen de verantwoordelijkheid voor de buurthuizen. De decentralisatie gaat gepaard met een substantiële korting van 40 procent op het overheidsbudget voor het sociaal-cultureel werk. Club- en buurthuizen worden in veel gevallen opgeslokt door lokale welzijnsorganisaties.
Een tweede golf van inkrimpingen, in de nasleep van de financiële crisis van 2008, komt harder aan. Vanaf 2010 daalt vanwege bezuinigingen het aantal buurthuizen sterk, mede door het wegvallen van het landelijk wijkenbeleid. Een fors aantal gemeenten besluit, al dan niet noodgedwongen, om klassieke buurthuizen te sluiten. In 2013 zijn zeker honderd buurthuizen al dicht en worden vele tientallen met sluiting bedreigd. Het argument is doorgaans: ‘Het gaat niet om de stenen maar om de activiteiten.’
Belangrijk nieuw fenomeen zijn de buurthuizen in eigen beheer. Het idee is dat actieve bewoners als vrijwilligers buurthuizen runnen, waardoor deze veerkrachtiger worden en meer betekenis voor de buurt krijgen. Het LSA, een landelijk netwerk van bewonersgroepen, laat aantekenen: “Ingedommelde wijkcentra die alleen hun eigen smalle achterban bedienen, beheerd worden door welzijnswerkers en betaald door de overheid, zijn verleden tijd.” Buurthuizen hebben kennelijk slechts een toekomst als zij zich weten te ontworstelen aan de greep van professionals en welzijnsinstellingen.

Een toekomst?
Buurthuizen bestaan nog altijd, in vele soorten en maten. Zeker, er is veel concurrerend aanbod, er zijn minder professionals werkzaam en de subsidie is verminderd. En bovendien: de opbouwwerker is niet meer dominant aanwezig. Maar er zijn tekenen dat het buurthuiswerk terug op de politieke agenda komt. Voorzichtig durft men - tegen het stoffige imago in - te pleiten voor een revival van algemene buurthuizen, als publieke voorziening: ruimhartig gesubsidieerd, in combinatie met welzijns- en zorgvoorzieningen, met opbouwwerkachtige professionals in dienst. De participatiesamenleving behoeft kennelijk een correctie. Wat vaststaat is dat buurthuizen een katalysator kunnen zijn voor actief burgerschap in de wijk. En daarmee een aantrekkelijke plek voor samenlevingsopbouw.

Publicatiedatum: 13-05-2020
Datum laatste wijziging :16-11-2020
Auteur(s): Henk Krijnen,
Verwante vensters
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
    homepage   volgende   laatste