2008 Onderwijsaanbod en beroepspraktijk
De moeizame relatie tussen beroepsopleiding en beroepspraktijk
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Beroepsopleidingen en beroepsverenigingen zouden twee handen op een buik moeten zijn. De geschiedenis leert dat dat niet altijd het geval is. Vanaf 2008 verschuift het accent in de opleidingen van verscheidenheid naar eenheid.

Bij de oprichting van de Nederlandse Bond van Maatschappelijk Werkers in 1947 is één van de doelen het ‘bevorderen van een goede opleiding van maatschappelijk werkers.’ Ook wil de NBMW dat instellingen voor maatschappelijk werk voortaan alleen nog werkers in dienst nemen die de beroepsopleiding hebben gevolgd. Bij de start van de NBMW zijn er 411 leden waarvan er slechts 29 geen beroepsopleiding hebben gevolgd.
De oprichting van de NBMW is mede in handen van de alumni-opleidingen van de drie Amsterdamse scholen voor maatschappelijk werk: de Katholieke school voor Maatschappelijk Werk, de School voor Maatschappelijk Werk en het Centraal instituut voor Christelijke Sociale Arbeid (CICSA). De alumnivereniging van CICSA besluit al haar leden (60) direct lid te maken. Er zijn van meet af aan nauwe banden tussen de NBMW en de beroepsopleidingen.
Zo zijn beide in 1949 op uitnodiging van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen uitgenodigd mee te werken aan een ‘program van eisen’ die aan de opleidingen gesteld moeten worden om een wettelijke erkenning van het beroep maatschappelijk werk te realiseren. Maar omdat de opleidingen vanwege ‘grote beweeglijkheid onder invloed van de ontwikkelingen van social casework vanuit de VS’ nog niet in staat zijn het curriculum zo te fixeren dat er een uniform examen mogelijk wordt, komt de wettelijke erkenning er niet.

Spanningen
De samenwerking tussen beroepsopleidingen en beroepsvereniging kende ook spanningen. Zo was bestuurslid van de NBMW Marie Kamphuis in het begin kritisch over het niveau van de beroepsopleidingen voor sociaal werkers. Zij was toen als docent verbonden aan het CICSA en kende de beroepsopleiding dus van binnenuit. Kamphuis was een warm pleitbezorger voor een meer wetenschappelijke basis van het sociaal werk en pleitte ook voor meer samenwerking met de universiteit.
De komst van de maatschappijkritische beweging van de jaren zestig – Kamphuis is dan inmiddels directeur van de Academie voor Culturele en Sociale Arbeid te Groningen (ACSA) – leidde tot een sterke politisering van de sociale academies. Kamphuis – evenals auteur van de eerste beroepscode voor het maatschappelijk werk Bertje Jens – zagen dat als een bedreiging van de beroepsidentiteit. In haar afscheidsrede in 1970 is ze zeer kritisch op de revolutionaire sfeer van de activistische docenten: ‘de mensen die vonden dat het allemaal anders moest terroriseerden de mensen die het vak uitoefenden.’ Veel van haar collega’s werden weggepest en verlieten de opleiding.
Ook in de beroepsvereniging wordt het sociaal activisme belangrijker, met name tijdens de periode van de NOW. Zo publiceert de NOW in 1983 het rapport Het ‘onmaatschappelijke’ van de maatschappelijk werk opleidingen. De NOW vindt dat de maatschappelijk werkers te veel opgeleid worden als representanten van de gevestigde orde. Er zou te veel aandacht zijn voor persoonlijke vorming en te weinig voor maatschappelijke vorming.

Luisteren
Een rode draad in de kritiek van de beroepsvereniging op de beroepsopleidingen is dat zij te autonoom het onderwijs vaststellen en te weinig luisteren naar de professionals en de beroepsvereniging. Zo escaleert in de jaren negentig de relatie tussen de Landelijke Vereniging van Maatschappelijk Werkers (LVMW) en de Hbo-raad omdat deze de naam van de opleiding Maatschappelijk Werk wil uitbreiden met de toevoeging ‘en Dienstverlening’. De LVMW wijst erop dat we toch ook niet spreken over ‘arts en dienstverlening’. De LVMW vreest ‘allerlei liefhebberijen in het opleidingsaanbod’ waarbij de beroepspraktijk te weinig uitgangspunt is voor het onderwijs. De LVMW weigert in 1991 in haar verenigingsblad een advertentie van de Hbo-raad waarin de nieuwe opleidingsnaam wordt gepromoot.

Meer van waarde
Het vraagstuk van eenheid en verscheidenheid in de sociale opleidingen blijft een rol spelen in de relatie met de beroepsvereniging. In het in 2008 verschenen rapport Vele takken, één stam, waaraan ook de NVMW heeft meegewerkt, wordt een eerste poging gedaan de eenheid van de verschillende sociale opleidingen meer te benadrukken. Dat rapport is in zekere zin de opmaat naar één van de meest invloedrijke vernieuwingen van het beroepsonderwijs voor sociaal werkers, het rapport Meer van Waarde (2014). Dat rapport leidt tot de opheffing van de opleidingen Culturele Maatschappelijke Vorming, Maatschappelijk Werk en Dienstverlening en Sociaal Pedagogische Hulpverlening. Aanvankelijk is de NVMW kritisch over dit plan maar uiteindelijke steunt de beroepsvereniging het idee om meer de eenheid van de professies in sociaal werk te benadrukken door één nieuwe sociaal werk opleiding te ontwikkelen. Deze vernieuwing van het beroepsonderwijs is mede aanleiding voor de NVMW zich te verbreden tot de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW).

Download PDF

Publicatiedatum: 02-11-2022
Datum laatste wijziging :07-11-2022
Auteur(s): Jan Willem Bruins,
Aanvullend materiaal
  • PDF document Sectorraad Hoger Sociaal Agogisch Onderwijs (2008), Vele takken, één stam Kader voor de hogere sociaal-agogische opleidingen. Profilering sociaal-agogische opleidingen. Uitgeverij SWP.
  • PDF document Verkenningscommissie hoger sociaal agogisch onderwijs (2014), Meer van waarde.  Kwaliteitsimpuls en ontwikkelrichting voor het hoger sociaal agogisch onderwijs.
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste