1920 Wetgeving voor buitengewoon onderwijs
Van buitengewone scholen naar passend onderwijs
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In de rond 1900 vaak overvolle klassen van de lagere school vielen vooral die kinderen op die vanwege een beperkt verstandelijk vermogen het klassikale onderwijs niet goed konden volgen. Voor deze ‘achterlijke’ kinderen werden rond de eeuwwisseling scholen voor buitengewoon onderwijs opgericht. Het criterium voor plaatsing was eerder medisch dan pedagogisch. Zwakzinnigheid werd namelijk gezien als een ziekte, een gebrek. Dat is de reden waarom vanaf 1904 schoolartsen werden belast met de selectie van leerlingen voor de buitengewone scholen, in samenspraak met het hoofd van deze scholen. Al snel, omstreeks 1910, gingen zij hierbij gebruikmaken van intelligentietests.

Aanvankelijk bestonden buitengewone scholen bij de gratie van het particulier initiatief en via beperkte financiële steun van gemeenten en het ministerie van onderwijs. Er bestond geen wettelijke onderwijsgrondslag voor. Dit veranderde toen in 1920 een nieuwe onderwijswet in werking trad. Deze wet besliste de schoolstrijd door de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzondere onderwijs. Alleen werd deze gelijkstelling - feitelijk in strijd met de grondwet- niet doorgevoerd voor het gehele buitengewoon onderwijs. Weliswaar werd in de wet voor het eerst gesproken over ‘buitengewoon lager onderwijs’ voor leerlingen ‘die wegens ziels- of lichaamsgebreken of uit maatschappelijke oorzaak niet in staat zijn geregeld en met vrucht gewoon onderwijs te volgen of wier gedrag het noodzakelijk maakt hun buitengewoon onderwijs te doen geven’, maar daar volgde niet automatisch gelijkstelling en financiering op voor alle vormen van buitengewoon onderwijs die inmiddels waren ontstaan. De Wet op het Buitengewoon Onderwijs en de daarbij behorende subsidiëring gold in eerste instantie alleen het zwakzinnigenonderwijs. Het aantal scholen voor ‘debielen en lichte imbecielen’ groeide daarop razendsnel: van 25 dagscholen in 1920 naar 73 in 1929 en 206 in 1950 (25.888 leerlingen).

In 1923 werd het buitengewoon onderwijs op grond van een Koninklijk Besluit uitgebreid met scholen voor doofstomme, blinde en slechthorende kinderen.De reden waarom dit onderwijs het eerst in aanmerking kwam voor een regeling, zo meldde onderwijsinspecteur Van Voorthuijsen, "is gelegen in de omstandigheid, dat deze scholen dreigden te gronde te gaan, als niet spoedig hulp werd geboden." Voor deze scholen bestonden geen wettelijke voorschriften; ze waren slechts ondergebracht bij de inspectie voor het middelbaar onderwijs. De kleine bijdrage die ze daarbij van het Rijk ontvingen was geheel ontoereikend.
In 1930 volgde een nieuw Koninklijk Besluit gericht op het onderwijs voor specifieke groepen leerlingen zoals ‘zedelik gebrekkigen’en ‘psychopaten’. In 1949 werden hier onder meer nog aan toegevoegd de scholen verbonden aan pedologische instituten en de scholen voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden (LOM), bedoeld voor kinderen met ‘partiële gebreken’ zoals dyslexie en dyscalculie. Maar het waren allemaal Koninklijke Besluiten specifieke op groepen gerichte regelingen. De echte financiële gelijkstelling tussen openbaar, bijzonder en buitengewoon onderwijs werd pas in 1967 in de wetgeving gerealiseerd.

Deze differentiatie was op zich logisch. Kinderen met verschillende problemen hoorden niet op dezelfde school thuis. Tegelijkertijd zorgde dit uitdijende aanbod van speciale scholen voor een explosieve groei in leerlingenaantal. In 1938 telden alle buitengewone scholen samen 13.000 leerlingen, in 1950 50.000 en in 1986 maar liefst 106.000. Vooral het leerlingenaantal op LOM-scholen groeide snel. Deze scholen vingen normaal begaafde, ‘moeilijke’ leerlingen op en bewezen daarmee zowel het reguliere onderwijs met zijn overvolle klassen als ouders een dienst.

Vanuit pedagogische hoek riep de enorme groei van het buitengewoon onderwijs vanaf de jaren zeventig de vraag op of het Nederlandse onderwijs wel goed functioneerde als het zoveel kinderen erbuiten plaatste. Ook kwam er meer aandacht voor de vraag of en in hoeverre het stempel ‘buitengewoon kind’ stigmatiserend werkte en of het wel zo verstandig was voor de ontwikkeling van kinderen om hen af te zonderen op speciale scholen. Tegelijkertijd trad een verandering op in de manier van selecteren. Het medische diagnosemodel werd vervangen door een pedagogisch model, waarbij niet zozeer het gebrek centraal stond, maar de mogelijkheden die het kind wel had. De arts maakte plaats voor psychologen en orthopedagogen.

De overheid maakte zich intussen vooral zorgen over de hoge kosten die deze groei van het buitengewoon onderwijs met zich meebracht. Klassen zijn daar immers veel kleiner dan in het reguliere onderwijs. Onder invloed van deze twee tendensen is vanaf de jaren zeventig een beweging zichtbaar waarbij het buitengewoon onderwijs – dat vanaf de Contourennota in 1975 in het beleid werd aangeduid als ‘speciaal onderwijs’ – moet inkrimpen en basisscholen langzaam maar zeker meer zorg op zich moeten nemen. Weer Samen Naar School (1990/1992) is hier een voorbeeld van, net als de invoering van het rugzakje en het leerlinggebonden budget (2003). Het uiteindelijke streven is Passend Onderwijs (2012/2014): niet de ouders, maar de school moet ervoor zorgen dat er voor dat elke leerling die extra ondersteuning nodig heeft een passende plek gevonden wordt.

Publicatiedatum: 15-03-2012
Datum laatste wijziging :01-06-2020
Auteur(s): Fedor de Beer,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Bakker, N., Noordman, J. & Rietveld - van Wingerden, M (2010), Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee en praktijk 1500-2000.  Assen: Van Gorcum, hoofdstuk 14: Speciaal onderwijs (pp.653-701).
  • Graas, D. (2008), Cornelis Eliza van Koetsveld (1907-1893). ‘Genezing door opvoeding’. In: T. Kroon & B. Levering (red.). Grote pedagogen in klein bestek. Amsterdam: SWP, 79-85.
  • Nelleke Bakker (2016), Kwetsbare kinderen. De groei van professionele zorg voor de jeugd. Assen: Koninklijke Van Gorcum [met name H12 en H13].
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
Video



Film over (en tegen) de bezuinigingen op passend onderwijs. Bijgewerkte versie december 2011.



Het bericht dat er flink bezuinigd wordt in het bijzonder onderwijs is in Eindhoven behoorlijk hard aangekomen. De stad verliest minstens 130 banen in die sector. Ook lerares Nicole Haas vreest voor haar baan.



2011 | Onderwijs vroeger en nu

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste