1987 Groei van het speciaal onderwijs
De onstuitbare toename van leer- en opvoedingsmoeilijkheden
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Vanaf de Contourennota uit 1975 en de daarop volgende Nota Speciaal Onderwijs uit 1977 wilde het onderwijsbeleid de groei van het speciaal onderwijs beteugelen. Als kinderen met beperkingen meer en beter in het reguliere onderwijs zouden worden opgevangen, zou de groei van het speciaal onderwijs een halt toe worden geroepen. Dat streven landde echter niet in de praktijk. Integendeel, vanaf begin jaren tachtig begon het speciaal onderwijs spectaculair te groeien. Daarmee slokte het steeds meer geld op, terwijl de overheid in deze no-nonsense jaren drastisch bezuinigde waarbij het onderwijs niet gespaard bleef. Zo werd het speciaal onderwijs een politiek hoofdpijndossier, waarvan de heftigheid nog eens toenam toen in 1986 de toename nog eens spectaculair steeg. Maar liefst 3500 leerlingen meer dan gemiddeld hadden dat jaar hun weg gevonden naar het (v)so. Een stijging die twee keer zo groot was als de gemiddelde jaarlijkse toename gedurende de 35 jaar daarvoor.

Uiteindelijk besloten de gezamenlijke onderwijskoepels en het ministerie eind 1986 om een gezamenlijk onderzoek te laten verrichten naar de dieperliggende oorzaken. Dat onderzoek werd uitbesteed aan een groep deskundige onderzoekers onder leiding van twee hoogleraren orthopedagogiek: Klaas Doornbos (Universiteit van Amsterdam) en Luc Stevens (Universiteit Utrecht). In 1987 en 1988 leverden zij twee uitgebreide en invloedrijke rapporten af. .

15 verschillende schooltypen
Doornbos en Stevens laten zien dat het buitengewoon onderwijs vooral na de oorlog zich gestaag ontwikkelde van een betrekkelijk kleinschalige, marginale onderwijsvoorziening voor met name zwakzinnige (debiele) kinderen, tot een steeds verder gedifferentieerd eigenstandig schoolsysteem voor kinderen die op basis van zeer uiteenlopende gronden zijn aangewezen op extra onderwijszorg. In 1986 bestaan er 15 verschillende schooltypen. Sinds 1950 zijn er jaarlijks gemiddeld 20 scholen bijgekomen. Het aantal leerlingen is sindsdien verdrievoudigd en passeerde in 1986 voor het eerst de honderdduizend. Hetzelfde jaar passeerde het aantal SO-scholen de grens van 1000. Die grote differentiatie, zo concluderen Doornbos en Stevens, is op zichzelf al een oorzaak van de almaar aanhoudende groei. Elk schooltype zuigt als het ware op school disfunctionerende leerlingen naar zich toe.

De groei van het aantal kinderen in het speciaal onderwijs heeft vooral betrekking op de zogenaamde LOM-leerlingen - kinderen, voor het merendeel jongens overigens, met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, tegenwoordig zouden we daar gedragsproblemen aan toe voegen. Waren dat er in 1954 nog maar 866 (2,1% van de speciaalonderwijsleerlingen), in 1986 was hun aantal gestegen tot 40.092 (38,9% van de speciaal-onderwijspopulatie). Het LOM-onderwijs was vanaf het ontstaan in 1949 vooral bedoeld voor kinderen met een ‘partieel defect’, zoals Wilhelmina Bladergroen, één van de pleitbezorgsters, het betitelde. Het ging om kinderen met een normale intelligentie, maar die moeite hadden met taal (dyslexie) of rekenen (dyscalculie) of andere min of meer overkoombare gedragsproblemen. Het idee was dat ze in het LOM-onderwijs bij de hand genomen zouden worden en dan met extra ondersteuning terug zouden keren naar het gewone onderwijs.

Veilige haven
Alleen dat gebeurde niet. Kinderen vonden in het LOM-onderwijs een comfortabele plek; de klassen waren veel kleiner (gemiddeld 13 leerlingen in de jaren zestig). Waren het in de beginjaren vooral scholen die kinderen aanmelden voor LOM-onderwijs, al snel waren het ouders die daartoe het initiatief namen. Zij zagen de rust en aandacht die het LOM-onderwijs bood voor hun kinderen als een veilige haven. Voortschrijdend wetenschappelijk inzicht maakte bovendien duidelijk dat hoe eerder je een defect bij een kind constateert, hoe beter je er wat aan kunt doen, waardoor kinderen meer en meer al op kleuterleeftijd naar typen LOM-onderwijs verwezen werden. Sowieso kwam er in de naoorlogse jaren een steeds fijner (test)instrumentarium ter beschikking voor een groeiende groep orthopedagogen en psychologen, die hen in staat stelde om kinderen eerder en preciezer te diagnosticeren.
Dat stimuleerde in alle opzichten de groei van het speciaal onderwijs. Lange tijd deed vrijwel niemand daar moeilijk over. Het apart zetten van mensen met afwijkingen was bepaald niet vreemd, in de psychiatrie, in de zwakzinnigenzorg, in woonoorden gebeurde eigenlijk hetzelfde. Pas in de jaren zeventig kwam de kritiek daar op los. Een samenleving moet wat afwijkt niet uitsluiten, maar meenemen: normaliseren. Dat leidde tot ingrijpende veranderingen in de psychiatrie en in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Ook in het speciaal onderwijs kwamen die opvattingen binnen, maar ze veroorzaakten niet echt een fundamentele verandering in de omgang van kinderen die achterop raakten. Integendeel, juist de toestroom van kinderen met gedrags- en psychiatrische problemen bleef groeien. Eigenlijk tot op de dag van vandaag.

Complex samenspel
Doornbos en Stevens vinden daarvoor in hun lijvige rapporten geen eenduidige verklaring. De groei is in hun ogen het gevolg van een complex samenspel van een groot aantal factoren. Als de samenleving wil dat het onderwijs ambitieuze en competitieve volwassenen oplevert, waarbij de prestatie-eisen steeds worden opgeschroefd; als het onderwijssysteem leerlingen in klassikaal onderwijs steeds nauwkeuriger rangschikt op onderling vergelijkbare prestaties; als leerkrachten en ouders daarin volop meegaan, als leerlingen zelf in die overtuiging naar school gaan en willen ‘presteren’; dan creëert dat als vanzelf een groep leerlingen die niet aan de steeds dwingender eisen van de maatschappij, het onderwijs, leerkrachten, ouders en soms zelfs van zichzelf kunnen voldoen. Zij vormen een alsmaar toenemend reservoir dat de toestroom naar het speciaal onderwijs voortdurend vult en weer aanvult. En wie daar echt verandering in aan wil brengen zal, zo luidt de boodschap van Doornbos en Stevens, niet alleen aan de toegang tot het speciaal onderwijs moeten sleutelen, maar eigenlijk alle factoren veranderen. Het competitieve schoolsysteem, het klassikaal lesgeven, de competenties van de leerkrachten, de verwachtingen van de ouders en de aandacht voor de zwakkere leerlingen.
Die opgave werd in 1990 door staatssecretaris Jacques Wallage vertaald in Weer Samen Naar School.

Publicatiedatum: 25-02-2020
Datum laatste wijziging :05-06-2020
Auteur(s): Jos van der Lans,
Verwante vensters
Extra

lom: leer- en opvoedingsmoeilijkheden; mlk: moeilijk lerende kinderen; zmlk: zeer moelijk lerende kinderen; zmok: zeer moeilijk opvoedbare kinderen.
Literatuur
  • K. Doornbos en L.M. Stevens (1987), De groei van het speciaal onderwijs. Analyse van historie en onderzoek. Deel I, ’s Gravenhage: SDU Uitgeverij.
  • K. Doornbos en L.M. Stevens (1988), De groei van het speciaal onderwijs. Beeldvorming over beleids en praktijk.  Deel II, ’s Gravenhage: SDU uitgeverij.
  • Externe link Nelleke Bakker (2016), Kwetsbare kinderen. De groei van de professionele zorg voor de jeugd.  Assen: Koninklijke Van Gorcum. [Zie Hoofdstuk 13: ’De school voor kinderen met leer- en opvoedingsproblemen en haar kennispraktijken (1949-1985)’]
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste