2017 Sociale basis en opbouwwerk
Het verbinden van bewoners en professionals
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
De aanpassing van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van 2015 en de decentralisatie van taken op het terrein van zorg, jeugd en participatie naar gemeenten geven de stoot tot ingrijpende veranderingen in het sociale domein. De belangrijkste ingrediënten van de nieuwe aanpak zijn een integrale benadering (1 huishouden, 1 plan, 1 regisseur), multidisciplinair werken, een snelle afstemming en uitwisseling van expertise tussen diverse hulpverleners, het voorkomen van problemen, het ‘outreachend’ benaderen van hulpbehoevenden en het benutten van sociale netwerken in de samenleving of te wel van burgerkracht. Gemeenten kiezen er massaal voor om met sociale wijkteams dit denken handen en voeten te geven.

Nuldelijnszorg
In deze ‘transitie’, die overigens al sinds de eerste Wmo uit 2007 en met Welzijn-Nieuwe-Stijl op gang is gekomen, wordt steeds vaker en nadrukkelijker gesproken over ‘de sociale basis’ – een diffuus begrip dat verwijst naar het sociale weefstel of de sociale infrastructuur die in een wijk aanwezig is en waarin burgers een vitale rol spelen. Voor sommigen beperkt zich de sociale basis tot wijkbewoners en hun sociale verbanden, maar in de meeste definities worden ook buurtvoorzieningen (bibliotheek, buurtcentra, onderwijsgebouwen) en professionele werkzaamheden, zoals uitgevoerd door welzijnswerkers en soms zelfs huisartsen tot de sociale basis gerekend. In dat verband valt ook wel de term nuldelijnszorg.
Hoe het ook zij, de sociale basis is het domein waarin burgers participeren, waarin zij samenwerken met professionals/overheden/instanties en waarin zij gezamenlijkheid en onderlinge zorgzaamheid vormgeven. Het achterliggende idee daarbij is dat mensen die op een of andere manier ondersteuning of hulp behoeven meer geholpen worden vanuit de sociale basis en minder door (dure) gespecialiseerde hulpverlening. Dat is - grosso modo – ook de veronderstelling die in het pleidooi voor de participatiesamenleving ligt opgesloten.
In dit nieuwe denken en organiseren wordt niet alleen meer verwacht van burgers, tegelijkertijd moeten professionals en mensen die ondersteuning nodig hebben veel meer oog krijgen voor wat de omgeving/wijk/samenleving te bieden heeft. Wijkteams moeten niet alleen individuele ondersteuning bieden, maar mensen ook proberen te verbinden aan netwerken van bewoners, aan activiteiten van welzijnsvoorzieningen en zo dure zorg en kostbare activeringstrajecten voorkomen. Het idee is om voor lichte ondersteuningstaken meer en meer een beroep te doen op vrijwilligers en informele (buurt)netwerken. (Zie ook het venster 2011 - Burgerkracht en wijkteams.)

Zuigkracht individuele problematiek
De vraag waar men in wijken sindsdien mee worstelt, is hoe je dit in de dagelijkse praktijk voor elkaar krijgt. Hoe organiseer je dat? En vooral ook: wie organiseert het? En, niet onbelangrijk: wie betaalt wat? Binnen wijkteams blijkt de individuele problematiek, die vaak een stevige financiële component heeft (schulden, geldproblemen), nogal eens alle aandacht op te zuigen. De caseload loopt bovendien snel op omdat de aanwezigheid van wijkteams dicht bij mensen de drempel verlaagt en er dus vaker een beroep op professionals wordt gedaan. Het lukt wijkteams daardoor nauwelijks om echt outreachend te werken en verbinding te vinden met de sociale basis of de nuldelijnszorg.
Ook de belofte dat de wijkteams doordachter doorverwijzen naar de meer gespecialiseerde zorg, blijkt in de praktijk vaak lastig. Omdat er meer boven water komt, wordt er meer doorverwezen, bijvoorbeeld naar de jeugdzorg. Instellingen voor jeugdzorg en geestelijke gezondheidszorg tonen niet altijd evenveel vertrouwen in het beoordelingsvermogen van de wijkteams en werpen zo hun eigen blokkades op om mensen toe te laten. Of ze kunnen de doorverwijzingen niet snel verwerken omdat ze kampen met een toenemend personeelstekort, waardoor er wachtlijsten van maanden ontstaan.

De wijkteams hebben dus moeite om aansluiting te vinden met de sociale basis, collectieve welzijnsvoorzieningen en de nuldelijnszorg. Dat is geen kwestie van onwil, de sociale basis is in de praktijk van wijken vaak een onoverzichtelijk en snel veranderend geheel. Door het ongeorganiseerde karakter van het informele aanbod is eenvoudig doorverwijzen vaak niet mogelijk. Het aanbod van welzijnsorganisaties of nieuwe bewonersinitiatieven ontwikkelt zich alle kanten op. Er ontstaan allerlei nieuwe initiatieven die in veel gevallen bijdragen aan brede behoeften van bewoners, bijvoorbeeld in het kader van de energietransitie, maar niet direct een rol spelen bij preventie of ondersteuning van individuele problemen. Tegelijkertijd zijn bewonersinitiatieven en vrijwillige inzet lastig te sturen.

Toenemende spanning
De transitie van het sociaal domein is dus bepaald geen gelopen koers. Er is een toenemende spanning waarneembaar tussen beleidsdoelen van overheden (bijvoorbeeld voldoende mantelzorgondersteuning, lichte zorg, activering kwetsbare doelgroepen) en de feitelijk aanwezige spontane vrijwillige inzet. Er heerst grote onduidelijkheid over hoe het beleid vertaald moet worden in de uitvoering en waar het geld naar toe moet gaan. Naar wijkteams? Naar welzijnsorganisaties? Naar burgerinitiatieven? Bovendien zijn wijkteams in sommige gemeenten ook al weer ten prooi gevallen aan bezuinigingen en reorganisaties, wat de continuiteit niet ten goede komt.
Deze onzekerheden roepen ook steeds meer vragen op. De druk op veronderstelde verantwoordelijkheid van betrokken en actieve bewoners neemt toe. Tot hoe ver reikt de inzet van vrijwilligers eigenlijk? De scheidslijn tussen vrijwillige en professionele inzet is – zeker als die wordt aangescherpt door een gebrek aan professionals - niet alleen lastig te bepalen, maar kan ook nadelig uitpakken voor mensen in kwetsbare posities die professionele hulp nodig hebben.
Daar komt bij dat binnen nogal wat gemeenten de gedachte leeft dat bewonersparticipatie een beleidsonderdeel is dat “geregisseerd” kan worden, zodat het past, en vooral niet bijt, met het bestaande beleid van een gemeente. Geregisseerde burgerkracht - hoe ‘eigen’ is dat nog? Situaties waarin de bewoners, de buurt, het beleid bepalen en waarin de overheid participeert komen veel minder voor. Een voorbeeld zijn de zogenaamde right to challenge-mogelijkheden waarin bewoners de gemeente uitdagen om een dienst van de gemeente over te nemen. Dit gebeurt in de praktijk echter nauwelijks omdat burgers het een te grote stap vinden of omdat veel aanvragen vastlopen omdat ze haaks staan op bestaand beleid of eerder gemaakte afspraken met externe partijen.

Schone taak opbouwwerk
Al met al zijn wijken en buurten niet alleen de arena geworden waar de verzorgingsstaat-in-transitie naar nieuwe werkvormen op zoek is, ze vormen ook een arena waar onduidelijkheden ontstaan over de omgangsvormen tussen bewoners, wijkprofessionals, instellingen en gemeenten. Het is ook niet niks wat er gerealiseerd moet worden. Het gaat om de verbinding tussen de systeem- en leefwereld, tussen formele en informele zorg, tussen bewonersinitiatieven en de overheid, tussen de kracht van burgers en de wensen van de overheid. Dat is een kwestie van zoeken, van uitproberen, van experimenteren, van doen. Dat kost ook tijd. Zo reëel moet je wel zijn.
Maar het kost ook inzet. In feite is er maar één professionele discipline die in deze spanningsvelden een staat van dienst heeft opgebouwd en dat is het opbouwwerk. In feite waren opbouwwerkers voordat er sprake was van de WMO al generalisten die als verbindingstroepen functioneerden, zij het dat er steeds meer soorten werkers zijn die deze intermediërende rol zijn gaan vervullen, niet zelden in dienst van gemeenten zelf.
Bovendien is er sinds de jaren negentig fors bezuinigd op het opbouwwerk. Dat lijkt zich nu in de transitie te wreken. In de wijkteams ontbreekt vaak iemand die het hele spel overziet en kan en durft te schakelen tussen de hulpvragende burger en de samenleving, het collectieve aanbod, sociale netwerken - kortom: de sociale basis. De generalist/specialisten in de wijkteams worden, zoals gezegd, te veel in beslag genomen door het oplossen van individuele problemen. Opbouwwerkers zitten meestal niet in wijkteams, en waar ze er wel inzitten worden ze vaak meegezogen in de dominante individualiserende werkwijzen. Bij de wijkteams ontbreekt simpelweg de tijd en het inzicht om daadwerkelijk de verbinding met de veerkracht in de buurt te zoeken, laat staan die te versterken.
Hier ligt dus een schone taak voor opbouwwerkers om te voorkomen dat de wijkteams zich isoleren tot een hulpverleningsteam waarbij de relatie professional-bewoner belangrijker is dan de relatie bewoner-bewoner. In het benutten van actieve burgers, het creëren van ruimte om eigen regie te nemen en het weerbaarder maken van straten en buurten om meer voor elkaar om te kunnen betekenen, in het met andere woorden vitaliseren van de sociale basis kunnen opbouwwerkers met de kennis die in een halve eeuw is opgedaan met samenlevingsopbouw een cruciale rol vervullen. Maar dan moeten ze wel in de gelegenheid gesteld worden om die rol te grijpen.

Publicatiedatum: 15-11-2019
Datum laatste wijziging :19-05-2020
Auteur(s): Erik van de Langkruis,
met medewerking van Henk Krijnen en Jos van der Lans
Verwante vensters
Extra Definitie sociale basis Amsterdam
’Breed en laagdrempelig aanbod van activiteiten en ondersteuning in de eigen buurt of wijk, om zelfredzaam te zijn, talenten te ontwikkelen en mee te doen in de stad. Op initiatief van Amsterdammers, professionele organisaties, vrijwilligersorganisaties of de gemeente georganiseerd.’

WijEindhoven
Op het idee van ’de sociale basis’ is in beleidsnota’s vaak een heel getrapt stelsel van sociale betrekkingen en maatschappelijke dienstverlening gebouwd, zoals in onderstaande voorstelling van WijEindhoven, de wijkteamorganisatie in de lichtstad:

Verder studeren
Literatuur
  • PDF document Radboud Engbersen (2019), De sociale basis keert terug in nieuwe gedaanten. Van wijkwerkplaats tot Repair Café. [Een beschouwing over de terugkeer van de sociale basis, naar aanleiding van de start van Wij in de Wijk, een project van Movisie.]
Aanvullend materiaal
Links
Bewegende beelden

YouTube, 6 februari 2020 | Registratie van de Participatielezing 2020, waarin Jos van der Lans de Canon samenlevingsopbouw presenteert. De tekst van de lezing is onder de titel De marktwerking voorbij. Samenlevingsopbouw in de 21e eeuw verkrijgbaar bij Movisie.

Podcast, deel 6 uit een serie van Movisie | Een wijk is sterk als de bewoners zich er thuis voelen en er samen problemen weten op te lossen. Over deze en andere stellingen voeren Thijs van Mierlo (LSA-directeur) en Radboud Engbersen (expert sociaal domein bij Movisie) een stevig en leerzaam gesprek.

YouTube, 6 februari 2020 | Op 31 januari 2020 sprak de publicist en Canon-redacteur Jos van der Lans de door Movisie en het Tijdschrift voor sociale vraagstukken de Participatielezing 2020 uit. Dit is de registratie daarvan, voorzien van een kort inleidend interview. De titel van de lezing, die ook in boekvorm is verschenen: De marktwerking voorbij. Samenlevingsopbouw in de 21e eeuw.

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste