NIEUW
Eigen kracht, daadkracht en de kracht van solidariteit Herman Baartman
Eigen kracht, daadkracht en de kracht van solidariteit
Derde Mulock Houwer-lezing

Tijdschrift Kindermishandeling, Driebergen, 2013
Bestellen
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste
Op donderdag 21 november 2013 sprak emeritus hoogleraar Herman Baartman de derde Mulock Houwerlezing uit in het Kinderrechtenmuseum in Leiden. Hieronder de introductie van die lezing zoals hij die zelf uitsprak:

Het uitgangspunt van de Nieuwe Jeugdwet is, ‘dat ouders en jeugdigen eerstverantwoordelijk zijn. Zij zijn het vertrekpunt van de hulp en ondersteuning en coördineren hun eigen (hulpverlenings)proces’ aldus de Memorie van Toelichting (p. 17). In modern jargon: ouders zijn en blijven probleemeigenaar en we sluiten aan bij hun eigen kracht. De term eigen kracht komt in deze memorie van toelichting 43 keer voor.

Naast het beroep op eigen kracht wordt er tegelijk gehamerd op de noodzaak van daadkracht. ‘Ongewenste situaties mogen niet voortduren. Een ieder dient zijn verantwoordelijkheid te nemen als er signalen zijn dat een kind of gezin in problemen raakt. Het blijven aanzien en doormodderen of zelfs wegkijken mag niet gebeuren. Wij zijn er allemaal op aanspreekbaar, en we spreken elkaar erop aan. We zijn de vrijblijvendheid voorbij’ (p. 12) aldus een beleidsnota (Alle kansen voor alle kinderen; programma voor Jeugd en Gezin 2007-2011, p. 12) van het toenmalige Programmaministerie voor Jeugd & Gezin. Er is dus, zo is de suggestie, flink aangemodderd, en dat moet nu afgelopen zijn. Aanspreken is het parool, aanpakken, doorpakken, optreden.

Het uitgangspunt dat ouders zelf hun eigen hulpverleningsproces coördineren is niet eenvoudig te combineren met het parool van doorpakken, aanpakken, aanspreken en optreden. Misschien denkt u: dat kan toch heel goed samen gaan. Zo staat het ook in de Memorie van Toelichting: ouders houden zelf de regie, tenzij dat een onverantwoord risico voor het kind oplevert. Maar hoe lang is een risico verantwoord en wanneer wordt het onverantwoord? En wie bepaalt dat? Wie voert dààr de regie over?
Het is niet zo moeilijk om iemand de regie te laten, zo lang men daar geen risico mee loopt. Eigen kracht als men daar in voldoende mate over beschikt en daadkracht als dat niet het geval is, maar zo werkt het niet. Over deze spanning in het beleid, die van eigen kracht en daadkracht wil ik het hebben vanmiddag, een spanning die iedereen op de werkvloer van de jeugdzorg maar al te goed kent. En die spanning is niet van vandaag of gisteren. De geschiedenis van de Jeugdzorg is voor een deel te schrijven als het werken met en beleid voeren rond die spanning. Naast dat balanceren tussen regie laten en regie nemen, tussen begrijpen en ingrijpen, compassie en controle, vrijwillig en gedwongen, allemaal typeringen van een bepaalde strategie, kent de Jeugdzorg nog een andere lastige balanceeract: die van gezinsbehoud versus lijfsbehoud, van ‘families first’ versus children first, van welzijn versus veiligheid, allemaal typeringen van een bepaald doel. Ook over deze balanceeract wil ik het hebben. En dwars door dit alles heen loopt er, zowel historisch als in de actualiteit, nog een derde lijn: de ontwikkeling van het begrip kindermishandeling, een term die intussen zo is opgerekt, dat wil zeggen zo’n bonte lading dekt, dat je je af moet vragen hoe bruikbaar deze is voor beleid en praktijk. Ook hierover wil ik het hebben. En dat is geen louter academische kwestie. Je doet nogal wat en suggereert nogal wat als je iets kindermishandeling noemt of juist niet.

Het kan geen kwaad om aan de vooravond van een belangrijk keerpunt in de Jeugdzorg eens stil te staan bij deze centrale vraagstukken en om te zien naar eerdere keerpunten in de geschiedenis. En dan vaststellen dat we telkens op een deels nieuwe, deels oude manier oude en nieuwe problemen en oplossingen geherformuleerd hebben. Het maakt ons bescheiden, en het houdt ons kritisch wat betreft visie, beleid en praktijk. Ik behandel eerst drie episodes in de aanpak van kindermishandeling. De eerste begint met de Kinderwetten van 1905, de tweede laat ik beginnen met de oprichting van de Vereniging tegen Kindermishandeling in 1970 en de derde in 2005 met de publicatie van het Inspectierapport in de Savanna-zaak. Daarna bespreek ik het verband tussen beleid en werkvloer en de betekenisverschuivingen rond het begrip kindermishandeling. Ik sluit af met een poging om in solidariteit een evenwicht te vinden tussen eigen kracht en daadkracht.


Beoordeling redactie:
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste