Verwante vensters
1987 Welzijnswet
Start van decentralisaties
 
  homepage   volgende   laatste

Na de groei van het algemeen maatschappelijk werk in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw ondstond er bezorgdheid dat de organisaties te kleinschalig waren om voldoende kwaliteit te garanderen. In 1971 kwam het toenmalige ministerie van CRM dan ook met een initiatief dat tegen 1976 wilde realiseren dat een AMW-instelling minstens zes maatschappelijk werkers in dienst heeft. Dat moest versnippering tegengaan en professionaliteit verhogen. Dat was evenwel niet de enige bezorgdheid rondom de sociale sector. Na toetreding van de PvdA tot de regering werd in de regeringsverklaring van mei 1973 melding gemaakt van een nota die de knelpunten van een harmonisatie en de wetgeving op het vlak van welzijn zou omschrijven. Die nota, de Knelpuntennota, werd in 1974 door toenmalige minister Harry van Doorn aan de Tweede Kamer aangeboden. De onbeheerste groei van activiteiten, regelingen, voorzieningen, instituties en subsidies op het welzijnsterrein werd er in aangeklaagd. In deze Knelpuntennota werd geargumenteerd dat welzijnsbeleid het best op decentraal niveau door provincies en gemeenten uitgevoerd kon worden. Alleen het overkoepelende kader zou op niveau van de rijksoverheid vastgesteld moeten worden.

De Knelpuntennota leidde tot de Kaderwet specifiek welzijn, die op 18 mei 1977 als ontwerp aan de Tweede Kamer werd aangeboden en daar op 14 mei 1981 wordt aangenomen. De term specifiek wordt hier gehanteerd om welzijn te onderscheiden van b.v. sociale zekerheid en volkshuisvesting. In lijn met de Knelpuntennota werd in de Kaderwet specifiek welzijn de grondslag gelegd voor een zo veel mogelijk gedecentraliseerd welzijnsbeleid.
Pas op 26 mei 1981, 4 jaar na de indiening van het oorspronkelijk ontwerp, werd het ingediend bij de Eerste Kamer. Het politieke draagvlak voor de wet is echter weggevallen en in 1983 werd de wet door Elco Brinkman, WVC-minister in het eerste kabinet Lubbers, afgevoerd.

Het uitgangspunt van decentralisatie van welzijn naar het lokale niveau overleeft dit echter. Er was even sprake van overdacht van het welzijnswerk naar de AWBZ maar na protest van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) komt dit deel van de sociale sector toch in de nieuwe Welzijnswet en daarmee in beheer van gemeenten. Die wet treedt in werking op 1 januari 1987. De financiering van het algemeen maatschappelijk werk komt zo in handen van de (toen nog) 714 Nederlandse gemeenten, de rol van de welzijnsorganisaties wordt beperkt tot die van beleidsuitvoering. Dat leidt tot het zogenaamde lantaarndebat: gaan gemeenten investeren in de sociale sector of gaan ze eerder geld besteden aan straatverlichting? (= het bekende ’lantaarnpaal-debat’).
In 1994 wordt de welzijnswet herzien onder minister Hedy d’Ancona (in het derde kabinet Lubbers). De rijksoverheid krijgt terug wat meer beleidsruimte, ondermeer voor innovatie en ondersteuning via de vierjaarlijkse welzijnsnota’s.

De keuze voor een decentraal sociaal beleid, ingezet met de Knelpuntennota, werkt nog steeds door in het huidige beleid. De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) kan gezien worden als de opvolger van de welzijnswet. De decentralisatie wordt er in bevestigd en verdiept. Ook de andere transities (jeugdzorg, begeleiding) verstevigen de verantwoordelijkheid van gemeenten in het sociaal domein. Zie ook: ACTUA decentralisaties.

Publicatiedatum: 17-11-2013
Datum laatste wijziging :07-05-2014
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verwante vensters
Verder studeren
Literatuur
  • PDF document Kwekkeboom, R., Roes, T., & Veldheer, V. (2002), De werkelijkheid van de welzijnswet. den Haag: SCP.
  • PDF document Engbersen, R., & Sprinkhuizen, A. (1999), Welzijnsbeleid tussen flexibiliteit en versnippering. in W. Trommel & R. van der Veen (Red.), De herverdeelde samenleving, ontwikkeling en herziening van de verzorgingsstaat (pp. 217-242). Amsterdam: Amsterdam university press.
  • Hueting, E. (1989), De permanente herstructurering in het welzijnswerk. Zutphen: de Walburgh Pers.
 
  homepage   volgende   laatste