1968 AWBZ - de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Groei en verval van een verzorgingsarrangement
 
  homepage   volgende   laatste

In de decennia na de Tweede Wereldoorlog werd er mede onder inspiratie van de bouwplannen van Beveridge gewerkt aan de uitbouw van de Nederlandse verzorgingsstaat. Daartoe behoorde onder meer algemene invoering van pensioenen (via de algemene ouderdomswet, AOW, vanaf 1957), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (1966) en de invoering van een recht op bijstand (1965). De uitgangspunten waren steeds dezelfde: elke inwoner van Nederland kan aanspraak maken op deze verzorgingsarrangementen volgens behoefte, en elke bewoner draagt er aan bij volgens draagkracht (in concreto: volgens inkomen uit arbeid). Bovendien ging het niet langer om gunsten, maar om rechten.

Het sluitstuk van deze uitbouw van de verzorgingsstaat was de ontwikkeling van de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten, de AWBZ, die in 1968 in werking trad. Het is minister Gerard Veldkamp die in 1966 met het voorstel komt en zijn opvolger Bauke Roolvink die de wet door het parlement loodst. Doelstelling is een vangnet te maken voor de onverzekerbare risico’s en langdurige zorg zoals verpleging voor chronisch zieken en gehandicapten. Bij aanvang ligt de focus derhalve sterk op residentiële zorg, bv. in verzorgings- of verpleeghuizen of sanatoria.
In de jaren tachtig en negentig van vorige eeuw werd het werkterrein van de AWBZ regelmatig uitgebreid, bv. vanaf 1989 de gezinszorg en ook de sociaal-pedagogische diensten (SPD’s, de huidige MEE’s), of terugbetaling van de kosten van woningaanpassingen die langer zelfstandig leven mogelijk maken.

Al snel ontstaat er ook bezorgdheid over de wenselijkheid en houdbaarheid van de AWBZ. In de geest van Goffman en de anti-psychiatrie is er kritiek op de doorgeschoten institutionalisering en er wordt gemopperd over gebrek aan inspraak en keuzevrijheid van individuele burgers. Verder roept Elco Brinkman in de eerste helft van de jaren tachtig op om meer ruimte te maken voor de zorgzame samenleving en op het vlak van zorg minder op de overheid te vertrouwen, c.q. leunen. Er verschijnen studies met ronkende titels als Minder staat, meer samenleving en De nadagen van de verzorgingsstaat. Onder meer door de vergrijzing van de bevolking zou de AWBZ onbetaalbaar worden. Wat daarbij dikwijls uit het oog verloren wordt, is dat de AWBZ heffing op lonen beperkt blijft tot de laagste loonschijven. Zo krijgen hogere inkomens vrijstelling om naar vermogen die solidariteitssysteem te steunen en dragen lagere inkomens relatief gezien meer bij.
De toegang tot zorg die door de AWBZ gefinancierd wordt, werd objectiever en strenger door de invoering van indicatiestelling en de CIZs (Centra indicatiestelling zorg) in de jaren negentig. Dat leidt dan echter weer tot zorgen over toegenomen bureaucratie.

Begin van deze eeuw wordt de AWBZ grondig gerenoveerd via drie bewegingen. Vooreerst worden de traditionele ziekenfondsen hervormd via de zorgverzekeringswet die in 2006 in werking treedt. Vervolgens is er de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) die lokale overheden verantwoordelijk maakt voor sociaal beleid. En tenslotte worden verschillende delen van de AWBZ afgebouwd dan wel overgedragen naar deels zorgverzekeraars maar hoofdzakelijk naar de Wmo, c.q. de Nederlandse gemeenten. Zo is de toegang tot verzorgings- en verpleeghuizen voor mensen met lichtere zorgzwaartepakketten vanaf 2013 weggevallen, waardoor er meer druk op langer zelfstandig wonen ontstaat en zo meer zorg verwacht wordt van de Wmo, de gemeente. Tenslotte is er vanaf eind 2013 gewerkt aan de vervanging van de AWBZ door een volledig nieuw wet, de Wet Langdurig Zorg (Wlz). Vanaf 1 januari 2015 vormt deze wet samen met de aangepaste en uitgebreide Wmo het nieuwe wettelijke kader voor wat in 1968 bij het inwerking treden van de AWBZ onverzekerbare risico’s werd genoemd.

Publicatiedatum: 24-10-2013
Datum laatste wijziging :15-12-2014
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verder studeren
Literatuur
Links
 
  homepage   volgende   laatste