2007 Wet maatschappelijke ondersteuning
Op weg naar een participatiesamenleving
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Op 1 januari 2007 begon met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een nieuw hoofdstuk in de beleidsgeschiedenis van het sociaal werk. De Wmo maakte een einde aan de Welzijnswet, zoals die halverwege de jaren tachtig door de toenmalige minister Brinkman was geïntroduceerd. De nieuwe wet bracht de huishoudelijke (thuis)zorg (vanuit de AWBZ) onder de regie van gemeenten. Dat heeft veel voeten in de aarde gehad, omdat gemeenten verplicht werden deze thuiszorg op de markt aan te besteden. Daardoor vielen een aantal traditionele thuiszorginstellingen buiten de boot en dreigden er vele honderden thuiszorgmedewerkers op straat te komen. Smalend werd de Wmo in de eerste maanden na de invoering daarom ook wel ‘Wet massaal ontslag’ genoemd.

Pas toen het stof van deze schermutselingen was opgetrokken werd duidelijk dat met de Wmo een heel andere manier van denken over en lokaal organiseren van zorg en welzijn tot ontwikkeling zou komen. Op het eerste gezicht lijkt de wet een rechtstreekse erfgenaam van Brinkmans ‘zorgzame samenleving’, want de wet gaat uit van het idee dat burgers eerst voor zichzelf en zijn naasten moeten zorgen en dat de gemeentelijke overheid hen daarin als dat noodzakelijk is dient te ‘compenseren’ of te wel te ondersteunen. In de tekst van de wet heette dat het ‘compensatiebeginsel’. Sommigen vrezen dat dit reden zal zijn om te bezuinigen en te knibbelen aan de rechten van patiënten en cliënten.

Maar er is ook – en die interpretatie kreeg steeds meer de overhand – een positievere beoordeling van de Wmo. In die optiek is de Wmo een wet die erop gericht is burgers voortdurend op hun eigen vermogens (‘eigen kracht’) aan te spreken, te stimuleren en in beweging te laten komen. Dat uitgangspunt biedt op zichzelf al een ander, positiever perspectief dan het klassieke zorg- en welzijnsaanbod dat veel meer geënt was op het problematische, het zorgwekkende. Om deze omslag te stimuleren ontwikkelde staatssecretaris Jet Bussemaker halverwege 2009 het stimuleringsprogramma Welzijn Nieuwe Stijl.

De kern van de Wmo-beleidsfilosofie is mensen in verbinding te brengen met mogelijkheden, met gezonde sociale systemen en netwerken. Juist daarom is de Wmo altijd omschreven als een participatiewet, of als een wet die er op gericht is mensen te empoweren, om ze de weg te wijzen naar veerkrachtige sociale verbanden. Deze visie is dus niet gebaseerd op een ouderwets beeld waarin nostalgisch wordt verlangd naar een overzichtelijke samenleving waarin naastenliefde en gemeenschapszin als vanzelf tot een hogere staat van medemenselijkheid leiden. Dat is voor een moderne geïndividualiseerde samenleving een illusie. In zo’n moderne samenleving moeten nieuwe vormen van zorgzaamheid en samenhorigheid ontwikkeld worden, maar moeten we ook erkennen dat er ook eigentijdse vormen van isolement en uitsluiting ontstaan. Wat de Wmo nu probeerde te realiseren is om op lokaal niveau bij die nieuwe moderne omstandigheden aansluiting te zoeken en daar nieuwe zorg- en welzijnspraktijken voor te ontwikkelen.

Nog voordat duidelijk was dat de Wmo daarin zou slagen, omarmde Haagse beleidsmakers en politici de achterliggende beleidsfilosofie om nog meer taken te decentraliseren naar de gemeente. Ging het in 2007 nog vooral om de overheveling van de huishoudelijke zorg, na 2011 koerste de regering er op af om nog substantiëlere delen van de AWBZ onder de verantwoordelijkheid van gemeenten te brengen. Het gaat ondermeer om persoonlijke verzorging, dagbesteding en begeleiding. Daarvoor moet de Wmo aangepast worden, onder meer door het compensatiebeginsel uit 2007 weer te schrappen om de beleidsvrijheid van gemeenten optimaal te maken.
Tegelijkertijd krijgen plannen om de jeugdzorg en de arbeidsre-integratie van mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt (de participatiewet) te decentraliseren steeds vastere vorm. Het tweede kabinet Rutte bepaalt de invoeringsdatum van deze enorme operatie uiteindelijk op 1 januari 2015, maar koppelt daar een enorme bezuinigingsoperatie van in totaal zo’n zes miljard euro aan.

De beleidsfilosofie die in 2007 ten grondslag lag aan de Wmo, ligt nu aan de basis van al deze decentralisaties op ’het sociale domein’. In de Troonrede van 2013 schetste koning Willem-Alexander dit als een omslag van de klassieke verzorgingsstaat naar een particpatiesamenleving:, waar ‘van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.’ Oftewel: de overheid moet minder ‘zorgen voor’ en meer ‘zorgen dat’. Met die filosofie moeten gemeenten hun zorg- en welzijntaken opnieuw, maar met aanmerkelijk minder geld, inhoud zien te geven. Maar kan dat ook? De regering en de meerderheid in de Tweede Kamer is er vast van overtuigd dat dat op lokaal niveau moet lukken. Op 24 april 2014 nam de Tweede Kamer daarbij een gewijzigde WMO (’WMO 2015’) aan waarbij er nog meer taken uit de AWBZ naar het gemeentelijke regime worden overgeheveld. Het gaat om zaken als dagbesteding en de zorg voor mensen die eerder via de AWBZ geindiceerd waren voor een verzorgingshuis. Omdat er met deze nieuwe WMO stevig wordt bezuinigd, zullen deze vormen van verzorging in speciale instellingen drastisch veranderen.

Onproblematisch is dat niet. De informele zorg in Nederland staat al zwaar onder druk. Met de vergrijzing en voortgaande individualisering lijkt het zorgzaam vermogen van de samenleving bovendien niet vanzelf groter te worden. Mensen nemen niet vanzelf verantwoordelijkheid voor anderen. Nogal eens moet dat op een slimme wijze aangemoedigd, gestimuleerd en georganiseerd worden. Nogal eens zijn het sociale professionals die voor dit soort verbindingen tussen mensen moeten zorgen.

De vraag waar sociale professionals vooral voor staan is hoe je dit nieuwe ‘eigen kracht’ denken inhoud geeft voor mensen die moeilijk bereikbaar zijn, kwetsbaar zijn, achterblijven of zorg- of uitkeringsafhankelijk zijn? Hoe doe je dat? Hoe breng je de verbinding tot stand tussen mensen die stilstaan met mensen die bewegen, tussen mensen die een kennisvoorsprong hebben met mensen die een kennisachterstand hebben, tussen mensen die geslaagd zijn en mensen die een kans verdienen. Op dat soort vragen zullen zorg- en welzijnorganisaties op het lokale niveau een energiek en stimulerend professioneel antwoord moeten zien te ontwikkelen. Het gaan werken in sociale wijkteams zien de meeste gemeenten als een eerste stap om een nieuwe lokale praktijk te ontwikkelen.

Publicatiedatum: 19-08-2009
Datum laatste wijziging :20-09-2022
Auteur(s): Jos van der Lans,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Ard Sprinkhuizen en Margot Scholte (red.) (2012), De sociale kwestie hervat. De Wmo en sociaal werk in transitie. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  • Jan Bijlsma en Hay Janssen (2008), Sociaal werk in Nederland. Vijfhonderd jaar verheffen en verbinden. Hoofdstuk 7: De toekomst van de verzorgingsstaat.
  • PDF document Jos van der Lans (2008), WMO kan niet zonder nieuw welzijnswerk in: Binnenlands Bestuur, 27 juni 2008, pp. 44-47.
Literatuur
Aanvullend materiaal
  • PDF document Gijs Herderschei (2013), 'Vrijwilligerswerk in ruil voor zorg' , in: de Volskrant, 3 oktober 2015. [Eerste berichtgeving over veranderingen in de WMO door staatssecretaris Van Rijn.}
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
Video

Wmo stripcolleges, Wet maatschappelijke ondersteuning, deel 1 - algemene inleiding op de Wmo.

Publicist Jos van der Lans benadrukte tijdens het Zorg + Welzijn Wmo congres op 27 mei dat het nieuwe welzijnswerk ook nieuwe professionals vraagt. 'Er komen zware tijden aan: bezuinigingen, de Awbz wordt verder uitgekleed, de organisatie van de jeugdzorg gaat veranderen. Al die ontwikkelingen vragen andere kwaliteiten van welzijnswerkers. Zij moeten eropaf gaan, outreachend werken, eigenlijk zoals de klassieke welzijnswerker.'

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste