1981 De rijksoverheid reorganiseert
Professionele orde in een versnipperde chaos
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In de jaren zeventig groeide de Algemene Bijstandswet (ABW) uit tot een belangrijke financieringsbron van de opvangsector. Via de ABW ontvingen gebruikers van voorzieningen zak- en kleedgeld en kregen instellingen voor de verblijfskosten een dagvergoeding. Bejaardenoorden, herstellingsoorden en opvangcentra profiteerden op steeds grotere schaal van wat toen ‘indirecte financiering’ werd genoemd. Omdat aanspraak op bijstand een recht betrof, draaide Den Haag voor 90 procent van de kosten op, zonder zelf zeggenschap te hebben. Toen eind jaren zeventig een economische crisis aanzette tot een grote bezuinigingsgolf, maakte het ministerie van CRM – waar toen de bijstand onder viel – zich op om aan deze wijze van financiering een einde te maken.

Als onderdeel van deze IFI-operatie (IFI staat voor ‘indirect gefinancierde instellingen’) werd de sector in 1981 tijdelijk onder regie van het ministerie gebracht. Dat was de enige manier om er greep op te krijgen, want tot op dat moment vormden de opvangcentra een bonte, zo niet chaotische verzameling. Naast achttien erkende voorzieningen voor thuislozen waren er centra die zich richtten op vrouwen en hun kinderen: vrouwenopvangcentra en de Blijfhuizen. Algemene opvangcentra (met zeer uiteenlopende capaciteit) bedienden een brede doelgroep: mannen en vrouwen (met hun kinderen), psychiatrische patiënten, alcohol- en drugsverslaafden, jeugdige weglopers. Deze instellingen verschilden onderling enorm. Sommige waren redelijk geprofessionaliseerd, andere werkten met vrijwilligers en een enkele beroepskracht. Bij elkaar ging het om honderd organisaties met een totale capaciteit van ongeveer 3000 bedden. Zij vreesden de ‘IFI-staatsgreep’ van Den Haag. Om hun gezamenlijke belangen te behartigen hadden de algemene en vrouwenopvangcentra al in 1979 het Landelijk Overleg voor Crisis- en Opvangcentra (LOCO) opgericht.

De gevreesde gevolgen van de overheidsmachtsgreep bleven echter uit. De reorganisatie gaf wel de stoot tot ingrijpende veranderingen. En verbeteringen. Er kwam een landelijke salarisregeling, er werden formatieplannen opgesteld en Den Haag probeerde de kosten te beteugelen door de invoering van een budgetsysteem. De huisvesting (die vaak beroerd was) werd aan kwaliteitseisen onderworpen. Al met al ging de sector er financieel, materieel en professioneel sterk op vooruit.
Opvangcentra ruilden hun marginale positie als het afvalputje van de maatschappelijke zorg in voor een steeds duidelijker positie in het brede palet van zorg- en welzijnsvoorzieningen. Uiteindelijk leidde dit proces in 1992 tot de decentralisatie van de opvangvoorzieningen naar de gemeente. In een aantal plaatsen kwam het daarop tot fusies van opvang- en thuislozenvoorzieningen die in hetzelfde werkgebied actief waren. Voorbeelden hiervan zijn NEOS in Eindhoven, Traverse in Tilburg en stichting Huis in Groningen. Bij de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in 2007 is de maatschappelijk opvang voor gemeenten een van de negen prestatievelden (nr. 7) geworden.

De toenemende professionalisering maakte het ook mogelijk dat opvanginstellingen meenden aanspraak te mogen maken op financiering op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Een zeer aanzienlijk deel van de populatie van de opvangvoorzieningen bestond immers uit mensen met psychiatrische en/of verslavingsproblemen (tegenwoordig erkend als ‘dubbele diagnoseproblematiek’). Tot halverwege de jaren negentig konden deze mensen vanwege contra-indicaties nergens anders terecht. Bij instellingen in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) werden ze geweigerd vanwege verslavingsproblemen en bij de verslavingszorg kwamen ze niet vanwege hun psychiatrische problematiek. In 1997 deed een aantal opvangvoorzieningen daarom met succes een beroep op zorgvernieuwingsgelden uit de AWBZ. Die financiering breidde zich sindsdien snel uit. Steeds meer begeleide en beschermde woonvormen uit de opvangsector worden nu AWBZ-gefinancierd. Door deze ontwikkeling vervaagden de grenzen tussen de ggz en de verslavingszorg en de opvangsector steeds verder. Deze tendens leidde de laatste jaren in meerdere regio’s tot fusies tussen opvangvoorzieningen en verslavingszorginstellingen of geestelijke gezondheidszorgorganisaties. In Amsterdam fuseerden in 1999 HVO en de Querido-stichting tot HVO Querido. In Gelderland groeiden de verslavingszorg en de opvangsector naar elkaar toe, wat in 2007 leidde tot IrisZorg. In het noorden van het land is Zienn een voorbeeld van deze ontwikkeling.

In vergelijking met de situatie eind jaren zeventig, toen er duizend opvangbloemen bloeiden, heeft de opvangsector zich sterk geprofessionaliseerd en geïnstitutionaliseerd. Het Plan van Aanpak Maatschappelijke Opvang) uit 2006 hebben dat proces nog eens versterkt. Ondanks de voortdurende angst voor bezuinigingen is de sector fors in omvang toegenomen. De Federatie Opvang, waarin het LOCO in 1992 opging, telt momenteel ongeveer zeventig instellingen voor maatschappelijke opvang, begeleide en beschermde woonvormen en vrouwenopvangcentra. Zij hebben 17.500 bedden en in 2010 maakten ruim 68.000 personen gebruik hiervan. Halverwege de jaren tachtig telde het LOCO op jaarbasis ‘slechts’ zo’n 25.000 overnachtingen.

Publicatiedatum: 15-03-2012
Datum laatste wijziging :17-09-2012
Auteur(s): Hans Opbroek,
Verwante vensters
Extra Federatie Opvang
De Federatie Opvang is sinds 1989 de branchevereniging voor de maatschappelijke opvang, begeleid & beschermd wonen en de vrouwenopvang. Aanvankelijk opgericht als een platform is de Federatie in 1994 omgevormd tot een vereniging voor opvanginstellingen. In 2012 telde de vereniging 68 aangesloten organisaties die op vele honderden locaties in het land werkzaam zijn. Het gaat om opvang en ondersteuning van dak- en thuislozen, slachtoffers van huiselijk en eergerelateerd geweld, tienermoeders, kinderen met traumatische ervaringen, slachtoffers van mensenhandel, ex-gedetineerden en dakloze jongeren.
Verder studeren
  • Linde, Maarten van der (2010), Basisboek Geschiedenis Sociaal Werk in Nederland.  Amsterdam: SWP, vierde druk. Hoofdstuk 11 , Professie, product en modern paternalisme, 1980-1995.
Literatuur
  • Bassant, John, en Marianne Bassant-Hensen (red.) (2010), Mensenwerk, oriëntatie op doelgroepen in social work. Couthino, ISBN 978 90 469 0140 3.
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
Video

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste