1989 Stimuleringsmaatregel Kinderopvang
Luxe of noodzaak?
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Kinderopvang kent in Nederland een moeizame geschiedenis. Arbeid buitenshuis van gehuwde vrouwen was hier lange tijd veel minder geaccepteerd dan in omringende landen. Dat komt doordat de industrialisatie doorzette in een tijd waarin veel mannen en jongeren om werk verlegen zaten en de kerken met hun idealisering van het huiselijk leven hier relatief veel invloed hadden. In het kleinbedrijf werkten vrouwen wel mee, maar thuis. Arbeidersvrouwen met kinderen zochten meestal thuiswerk, zoals naaien, wassen en strijken. En als het echt niet anders kon, maakte men voor de jongsten gebruik van een oppasmoeder uit de buurt of een ouder zusje. Vanaf een jaar of twee werden kinderen toegelaten op een bewaarschool, die doorgaans vuil en overvol was. Die opvang ontwikkelde zich in de late negentiende eeuw tot echte schooltjes, zoals fröbelscholen. De bewaarplaatsen waar ook jongere kinderen welkom waren, hadden het karakter van een voorziening voor de allerarmsten, zoals ongehuwde moeders en weduwen. Ze gingen uit van filantropische verenigingen en golden als een noodzakelijk kwaad.

In de eerste helft van de twintigste eeuw konden steeds grotere delen van de arbeidersklasse zich permitteren dat de man de enige kostwinner was. Het burgerlijke en christelijke ideaal van de niet-werkende huisvrouw was dwingend. Bij het huwelijk hoorde een vrouw haar betaalde baan op te geven. Dat was voor ambtenaressen, zoals onderwijzeressen, in het interbellum zelfs bij wet voorgeschreven. Daarin was Nederland uniek. In 1937 is van katholieke zijde zelfs een wetsvoorstel ingediend om alle arbeid van gehuwde vrouwen te verbieden. Zo ver is het niet gekomen. Het hoogtepunt van de idealisering van het huisvrouwenbestaan ligt in de jaren vijftig. In 1950 had 98 procent van de gehuwde vrouwen geen baan. Kinderopvang was daardoor niet nodig.
Dat veranderde toen omstreeks 1970 hoger opgeleide vrouwen werk en de zorg voor kinderen wilden combineren. Ze hadden toch niet voor niets gestudeerd. Zo werd kinderopvang een actiepunt van de tweede feministische golf. In 1970 presenteerde Dolle Mina in Amsterdam een openlucht-crèche uit protest tegen het idee dat het werken van gehuwde vrouwen met kinderen werd afgekeurd als ‘een hang naar luxe’.
In de jaren daarna begon de huisvrouwencultus geleidelijk terrein te verliezen. Steeds meer vrouwen stopten niet met werken bij de komst van het eerste kind, zodat de vraag naar kinderopvang toenam. Via de Rijksbijdrageregeling Kinderdagverblijven wilde de overheid hieraan in 1977 tegemoetkomen. Deze maatregel vormde tevens een erkenning van het belang van goede opvang. Toch stagneerde de groei van de sector in de jaren tachtig, onder meer doordat de meeste vrouwen slechts in deeltijd gingen werken – opnieuw een typisch Nederlands patroon – en veelal konden volstaan met creatieve thuisarrangementen met al dan niet betaalde oppas. Pas in 1989 volgde de Stimuleringsmaatregel Kinderopvang van minister Hedy d’Ancona van WVC (Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur), feministe van het eerste uur en fervent voorstandster van goede kinderopvang. Deze maatregel leidde tot groei en professionalisering in de vorm van kwaliteits- en opleidingseisen en pedagogische uitgangspunten. Naast de opvang van jonge kinderen ontstonden nu ook na- en buitenschoolse opvang, waarvoor eveneens kwaliteitseisen gelden.

Daarna ging het hard. De overheid stimuleerde het gebruik van kinderopvang door invoering van een kinderopvangtoeslag, waarmee zij een belangrijk deel van de kosten voor haar rekening nam. Binnen enkele jaren groeide het aantal kinderen in de kinderopvang van 160.000 naar zo’n 800.000, uit maar liefst 533.000 gezinnen – een bereik van 61 procent onder kinderen van nul tot drie jaar.
Maar echt omarmd heeft Nederland de kinderopvang niet. Met de economische crisis sinds 2008 kwam de kinderopvangtoeslag al snel in aanmerking voor stevige bezuinigingen. Anders dan in landen als Zweden en Duitsland werden kinderopvangvoorzieningen als het economische water ons aan de lippen staat toch weer gezien als een vorm van luxe.
Maar de gevolgen van de bezuinigingen zijn groot: een groeiende groep ouders kan de kosten niet meer opbrengen en haalt hun kinderen van de opvang. Steeds meer kinderopvangcentra raken daardoor in financiële problemen en moeten de deur sluiten. Vanaf 2011 moesten steeds meer bedrijven de deuren sluiten. In 2013 ging een recordaantal van 98 bedrijven failliet. In 2014 kon zelfs marktleider Estro het niet meer bolwerken. Het aantal kinderen dat naar de crèche of buitenschoolse opvang gaat is sinds 2011 met honderdduizend terug gelopen.
Waar andere landen eerder denken aan integrale voorzieningen voor kinderen van nul tot twaalf jaar, blijft kinderopvang in Nederland voor veel ouders onbereikbaar. Terwijl vrijwel niemand meer twijfelt over de noodzaak om vrouwen volwaardig op de arbeidsmarkt te laten functioneren.

Publicatiedatum: november 2012. Dit venster is in samenwerking samengesteld door Jos van der Lans, Janneke Wubs en Nelleke Bakker.

Publicatiedatum: 10-10-2012
Datum laatste wijziging :23-11-2014
Auteur(s): Jos van der Lans, Janneke Wubs,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Bakker, N., Noordman, J. & Rietveld - van Wingerden, M (2006), Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee en praktijk 1500-2000. Assen: van Gorcum. Hoofdstuk 6, vooral paragraaf 6.8.
  • Rijswijk-Clerkx, Lily E. van ( (1981), Moeders, kinderen en kinderopvang. Veranderingen in de kinderopvang in Nederland. Nijmegen: Sun.
  • Verschuurt, Aart, e.a., (2006), Professionele opvang gevraagd. Geschiedenis van de Nederlandse kinderopvang.  Uitgave: Stichting Geschiedschrijving Kinderopvang, Den Haag.
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste