Herman  Milikowski



Herman Milikowski (1909 - 1989)


wetenschap,


rekende als een der eerste sociologen af met de ’onmaatschappelijkheidsbestrijding’ en schreef in 1967 de invloedrijke bestseller Lof der onaangepastheid.


* * *

Herman Philip Milikowski werd op 3 maart 1909 te Den Haag geboren als zoon van een Pools-Russisch echtpaar. Zijn ouders – godsdienstonderwijzer Efraim Levie Milikowski en Rachel Friedman – waren streng orthodoxe Joden, die zich aan het begin van de twintigste eeuw in Nederland hadden gevestigd. Niet verwonderlijk dat Herman na zijn middelbare schooltijd voor rabbijn ging studeren aan het seminarie in Den Haag. Door de oorlog echter veranderde zijn levenshouding. Ook wisselde hij van studierichting. Hij besloot in Amsterdam sociografie te gaan studeren. Op 19 september 1942 trouwde Milikowski te Amsterdam met Roza Elburg, geboren op 9 oktober 1903 te Hilversum, kantoorbediende en huishoudster van beroep. Uit dit huwelijk werd in 1943 zoon Rob Milikowski geboren. Rob werd informaticus en een bekend rekenkundige.

Herman Milikowski was tijdens de oorlog actief in het verzet. Ook was hij lid van de communistische beweging. Herman, zijn echtgenote en zijn ouders kwamen in concentratiekampen terecht. De ouders Milikowski kwamen op 26 maart 1943 in Sobibor (Polen) om het leven. Roza overleed op 24 september 1943 in Auschwitz (Polen). Herman zelf zat in Sachsenhausen (Duitsland). Hij wist het kamp te overleven. Roza had er bijtijds voor gezorgd dat zoontje Rob door de Haarlemse Rie Harren werd opgevangen en opgevoed. Dankzij haar overleefde Rob de oorlog. Voor haar inzet kreeg zij in 1999 de Yad Vashem-onderscheiding; de hoogste eer die de staat Israël aan buitenlanders bewijst.

Leidse krottenwijken
Tijdens een naoorlogse bijeenkomst van de CPN (Communistische Partij Nederland) te Amsterdam, ontmoette Herman beeldend kunstenares Riek de Raat. Riek, geboren in 1918, was afkomstig uit een christelijk arbeidersgezin. Haar ouders woonden in de Jordaan. Evenals Herman was Riek tijdens de oorlog in het verzet actief geweest. Haar partner Anton Winterink, eveneens verzetslid, was door Duitsers opgepakt en in 1943 om het leven gebracht.
Herman en Riek, twee geestverwanten, werden verliefd op elkaar en gingen samenwonen. Door het feit dat Herman al een zoontje had, veranderde Rieks leven totaal. In 1947 traden Herman en Riek in het huwelijk. Korte tijd later werd zoon Efraïm geboren. Hij zou een beroemd fotograaf en graficus worden.
In 1953 verhuisde het gezin Milikowski van Amsterdam naar Leiden. In 1952 had Herman van de Instelling voor sociografisch onderzoek te Leiden opdracht gekregen wetenschappelijk onderzoek te verrichten in bepaalde krottenwijken. Het doel van dit onderzoek betrof: ‘het opsporen van de oorzaken welke hebben geleid tot meer of mindere maatschappelijkheid’. Van Milikowski werd niet verwacht oplossingen aan te dragen ter bestrijding van onmaatschappelijkheid, wel werd van hem verwacht een verantwoorde omschrijving te geven van het verschijnsel ‘onmaatschappelijkheid’.
Milikowski was niet alleen in dienst van de gemeente Leiden. Ook was hij verbonden aan de kinderkliniek van het plaatselijke Academisch Ziekenhuis. Binnen dit centrum werden gezondheidsproblemen door meerdere disciplines benaderd: medisch, psychisch én sociologisch. Deze driehoeksbesprekingen waren destijds een uniek experiment.

Proefschrift
Milikowski’s onderzoek naar het verschijnsel ‘onmaatschappelijkheid’ groeide – tegen zijn verwachting en bedoeling – uit tot een studie op zichzelf. Deze studie resulteerde in een proefschrift, getiteld: Sociale aanpassing, niet-aanpassing, onmaatschappelijkheid. Op dit proefschrift promoveerde Milikowski in 1961 tot doctor in de sociologie aan de universiteit van Leiden.
Milikowski’s dissertatie veroorzaakte een enorme deining onder sociologen vanwege zijn felle kritiek op vakbroeders: zij zouden bij hun onderzoek naar onmaatschappelijkheid niet gezocht hebben naar een objectieve benadering van dit vraagstuk. Door hun volstrekt onkritische houding zouden zij subjectieve uitspraken over onmaatschappelijkheid een wetenschappelijk sausje hebben gegeven. Sterker nog, zij zouden zich door de ‘maatschappelijke bovenlaag’ hebben laten misbruiken de bestaande orde te verdedigen. Aanvankelijk werd Milikowski’s dissertatie geweigerd c.q. door veel collega’s negatief bekritiseerd. Hem werd onder meer verweten een starre dogmaticus te zijn. Hij werd zelfs door collega’s weggehoond. In recensies meldden zij dat zij zijn verhandeling schaterlachend gelezen hadden. Edoch, tijden veranderden.

Lof der onaangepastheid
Gedurende de roaring sixties vonden tal van ingrijpende gebeurtenissen en ontwikkelingen plaats. Protest- en emancipatiebewegingen manifesteerden zich. Wezenlijke veranderingen vonden plaats. ‘Burgerlijke’ waarden en normen waren niet meer vanzelfsprekend. Door deze ‘revoluties’ genoot Milikowski’s gedachtegoed steeds meer belangstelling. Onder de prikkelende titel Lof der onaangepastheid werd zijn proefschrift zelfs een bestseller. Vele herdrukken volgden.

Milikowski omschreef ‘onmaatschappelijkheid’ als: ‘een sociaal verschijnsel, waarvan met wetenschappelijk zo verantwoord mogelijke methoden vastgesteld is, dat het in enigerlei opzicht nadelig is voor de voortgaande ontwikkeling van de menselijke emancipatie.’ Zijns inziens betrof onmaatschappelijkheid alle lagen van de bevolking, niet alleen de onderste. Hij maakte onderscheid tussen ‘primaire’ en ‘secundaire’ onmaatschappelijkheid. Zijn pijlen richtte hij vooral op de ‘primaire’ onmaatschappelijkheid. Deze onmaatschappelijkheid betrof de maatschappelijke ‘bovenlaag’: huizenbezitters, werkgevers, bestuurders en andere invloedrijke personen. Zij dwarsboomden het ontstaan van wezenlijke maatschappelijke verbeteringen. Zij waren het die voor heel veel geld slechte woningen verhuurden, geen (passende) werkgelegenheid creëerden, niets ondernamen om de sociale achterstelling van bevolkingsgroepen te bestrijden. ‘Secundaire’ onmaatschappelijkheid – bijvoorbeeld het ‘afwijkend’ gedrag van mensen in achterstandswijken – was een onmiddellijk gevolg van ‘primaire’ onmaatschappelijkheid. Wie was nu ‘asociaal’? Niet de onmaatschappelijken moesten bestreden worden, zo was zijn overtuiging, maar de factoren die onmaatschappelijkheid veroorzaakten: slechte huisvesting, werkloosheid en armoede. De aandacht verschoof van probleemgezin naar probleemmaatschappij.

Dwang tot aanpassing
Milikowski uitte radicale kritiek op de dwang tot aanpassing aan een burgerlijk leefpatroon en het miskennen van culturele diversiteit. Ook richtte hij zijn pijlen op paternalisme en bevoogding. Tot nu toe hadden hulpverleners, bijvoorbeeld armenbezoekers en woninginspectrices, getracht hulpvragers aan te passen aan de status quo door hen ‘te genezen’ of ‘op te voeden’. Volgens Milikowski echter moesten mensen in achterstandsituaties leren zichzelf te emanciperen. En wel vanuit hun eigen kracht en cultuur, niet vanuit opgelegde waarden en normen. Juist door zich niet aan te passen aan de bestaande maatschappelijke orde konden mensen hun situatie veranderen en tot ontplooiing komen. Niet-aanpassing bevorderde juist emancipatie. Vandaar: Lof der onaangepastheid.

Milikowski’s werk had grote invloed op de sociale academies; de toenmalige opleidingen voor maatschappelijk werk (MWD), cultureel werk (CMV) en inrichtingswerk (SPH). Mede door zijn theorie ontwikkelden zich methodieken als sociale actie, emancipatiegericht werken en activerend vormingswerk. Welzijnswerkers moesten niet boven, maar naast onderdrukten gaan staan. Solidariteit was het devies. Welzijnswerkers hadden niet tot taak te bevoogden, maar bewustwordingsprocessen te bevorderen. Hierdoor konden uiteindelijk structurele maatschappijveranderingen plaatsvinden. Voor veel docenten, studenten en werkers was dit een bruisende, maar hectische tijd. Aanpassing werd een besmet woord, verzet en emancipatie het nieuwe credo. Paternalisme werd in de ban gedaan; professionele terughoudendheid werd de nieuwe methodische norm, bemoeien een taboe. Het zou tot midden jaren tachtig duren voordat er weer openlijk over hulp aan ‘multiproblem’-gezinnen kon worden gesproken zonder meteen beticht te worden van bevoogding, disciplinering of stigmatisering.

Kritische artikelen
Milikowski heeft verschillende werkzaamheden verricht. Hij was onder meer verbonden aan de faculteit Huisartsengeneeskunde van de Universiteit van Amsterdam en hij was docent op de Voortgezette Opleiding maatschappelijk werk in Amsterdam. Ook was hij medewerker van het progressieve opinieblad De Nieuwe Linie. Hij schreef onder andere kritische artikelen over de wijze waarop medici – huisartsen en psychiaters – patiënten behandelden. Zijn grootste kritiek betrof het gegeven dat veel medici gezondheidsklachten individualiseerden. De grote invloed van maatschappelijke omstandigheden – industrialisering, automatisering, bureaucratisering, enzovoort – op het ontstaan en bestaan van allerlei ziektebeelden werd niet of nauwelijks (h)erkend. Medici zouden bijziende zijn en zich verkijken op het individu. Milikowski schreef ook kritisch over de ongehuwde-moederzorgzorg als apart instituut. Hij vond dat de hulp zich moest uitstrekken tot alle alleenstaande moeders.
Als oud-concentratiekampgevangene publiceerde Milikowski over het KZ-syndroom (concentratiekampsyndroom). Als een der weinigen schuwde hij het niet scherpe kritiek te uitten op de praktijken van psychiater Bastiaans (1917-1997), een beroemde specialist in de behandeling van getraumatiseerde verzetsstrijders en overlevenden van de Duitse concentratiekampen.

Milikowski werd op latere leeftijd met de ziekte van Parkinson geconfronteerd, een ernstige neurologische aandoening. Hij had steeds meer hulp en steun nodig. Zijn vrouw Riek zorgde meer dan vijftien jaren voor hem. Op 10 november 1989 overleed Milikowski in Zaandam, de ‘rode stad’ waarin hij vanaf 1972 woonde.

Duidelijke boodschap
Milikowski’s gedachtegoed betreffende onmaatschappelijkheid floreerde vooral in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Nu zijn we tientallen jaren verder. Gedwongen zorg- en hulpverlening zijn weer in zwang. Wij mogen of moeten ons weer bemoeien met mensen die overlast veroorzaken. Moderne vormen van paternalisme zijn ontstaan. Maatschappelijke onaangepastheid verdient geen lof, maar moet bestreden worden, indien nodig met harde hand. Milikowski zou thans voor velen afgedaan hebben. Maar toch. Ook voor deze tijd heeft hij een duidelijke boodschap:
1. Onmaatschappelijkheid komt in alle lagen van de bevolking voor.
2. Het vraagstuk van onmaatschappelijkheid wordt vaak bekeken met de ogen van gezeten burgers.
3. Niet wetenschappelijk verantwoorde onmaatschappelijkheidsbestrijding kan een wapen worden in de politieke arena.

Geraadpleegde bronnen
- Gerard de Bruijn en prof. Dr. C.J.B.J. Trimbos (1972), Dat wordt me te gek. De psychiatrie kritisch bekeken. Amsterdam: Uitgeverij Contact, pp.196-207.
- Maarten van der Linde (2016), Basisboek geschiedenis Sociaal Werk in Nederland. Amsterdam: SWP, zesde druk, pp. 223-225.
- Herman Milikowski – wikipedia
- Canon sociaal werk: Milikowski en `Lof der onaangepastheid` Het perspectief van de kwetsbare burger.
- Frits va Wel, ‘Iedere samenleving schept haar eigen ‘probleemgezinnen.’ Milikowski over onmaatschappelijkheidsbestrijding en ongehuwde-moederzorg, in: Berteke Waaldijk e.a. (red.), Honderd jaar sociale arbeid. Portretten en praktijken uit de geschiedenis van het maatschappelijk werk (Assen 1999).

Dit prortret verscheen eerder in SoziO, nr. 99, april 2011.


Publicatiedatum: 25-11-2019
Auteur(s): Marcel Krutzen,



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015