Gerard van de Ven



Gerard van de Ven (1939 - )


maatschappelijk werk, sociaal werk


speelde in 1970 de hoofdrol in de zaak-Christientje, waarbij hij wegens insubordinatie (ongehoorzaamheid) werd ontslagen. Door de protestgolf die daar op volgde, kreeg de beroepscode een enorme boost.


* * *


Gerard van de Ven werd op 18 januari 1939 in Goirle, vlak bij Tilburg, geboren. Hij was de jongste uit een gezin van zes kinderen. Het gezin was katholiek zoals iedereen in dit Brabantse dorp. Gerard genoot van de roomse liturgie en de katholieke sfeer.
Hij groeide op in een bedrijvig middenstandsgezin. Elke dag werd bij hen aan huis verse melk en melkproducten gedistribueerd vanuit een naburig dorp. Verschillende melkventers kwamen bij hen de melk ophalen en ook de vader van het gezin, een broer en zus hadden iedere een eigen melktour met paard en wagen. Moeder was een zakenvrouw, die al snel het initiatief nam om een kruidenierswinkel te beginnen.

Priester worden
Gerard wilde al op vroege leeftijd priester worden. Dat was toen, in de late jaren veertig, voor veel jongens een heel gewoon toekomstperspectief. Na de lagere school nam hij zelf het initiatief en melde zich aan voor het klein seminarie bij de paters in Bergen op Zoom. Een seminarie was een kostschool waar zo’n 250 jongens werden voorbereid op het priesterschap. De studie viel hem zwaar. Daarom zocht hij naar een alternatief waarvan hij hoopte dat het gemakkelijker zou zijn. Zo kwam hij terecht in Warnsveld in een huis voor ‘late roepingen’ waar praktisch individueel onderwijs werd gegeven.
Zonder diploma, maar wel met het nodige enthousiasme begon hij in 1959 aan het noviciaat in Asten om gevormd te worden in het kloosterleven. Hij was een open boek voor de novicemeester. Daardoor kon deze hem echt begeleiden. Hij adviseerde hem om niet langer te kiezen voor het priesterschap met het daarbij behorende celibaat. Hoewel dit advies hard aankwam, wist Gerard diep van binnen dat hij de gewezen weg moest inslaan. Achteraf gezien is hij zijn novicemeester heel dankbaar, maar op dat moment verloor hij alle grond onder zijn voeten en kon hij niet anders doen dan per dag doen wat voor de hand lag.
Eerst maar de militaire dienstplicht vervullen, al wist hij heel goed dat er geen soldaat in hem schuilde. Tijdens zijn diensttijd ging hij een schriftelijke opleiding volgen voor maatschappelijk werker. Daarvoor moest hij werkervaring opdoen. Hij werd als vrijwilliger groepsleider van jongeren uit een achterstandswijk in Eindhoven, een soort straatgroep. Hij maakte er een hechte groep van met eigen gewoontes, een eigen vlag, huisbezoeken: een soort jeugdbeweginkje op microschaal.

Ins en outs van de kinderbescherming
Na zijn diensttijd moest en wilde hij zelf de kost gaan verdienen. Hij werd in 1962 groepsleider in Jeugdhuis ‘Don Bosco’ in Scheveningen, een internaat voor jongeren die er veelal door de Kinderbescherming waren geplaatst. Hier behaalde hij zijn diploma: Kinderbescherming B. Hoewel de groep waarmee hij werkte slecht twaalf jongens telde, kostte het hem toch veel moeite. Bovendien had hij in het begin geen eigen onderkomen en sliep hij in een apart kamertje naast de slaapkamer van de jongens. Pas later werd vanuit de stichting een huis gekocht waarin hij voor het eerste zijn eigen kamer had. Om het rooster rond te krijgen werden er overuren gemaakt. Na drie jaar besloot hij van de ene op de andere dag er mee op te houden, hij was gewoon op.
14 Dagen later kon hij bij de Raad voor de Kinderbescherming in Den Bosch beginnen als ‘administratief medewerker’. Hij moest vanuit de rapporten van de maatschappelijk werkers rekesten maken voor de Raad om bij de kinderrechter en rechtbank een ondertoezichtstelling te bevorderen of een ontheffing uit de ouderlijke macht. Hier leerde Gerard juridisch denken. Vanuit de Raad kreeg hij de kans om de urgentie opleiding te gaan volgen voor maatschappelijk werker en kon hij de eerste stappen zetten in de praktijk. De urgentie opleiding was destijds een verkorte opleiding voor mensen die nog ongediplomeerd toch al in het beroepsveld actief waren. Hij sloot de opleiding met succes af op 1 februari 1970.
Ondertussen, in 1967, trouwde hij met Anneke van Eijk. Zij kregen drie kinderen en een pleegkind.
Binnen de Raad voor de Kinderbescherming werd het voor Gerard zijn dagelijks werk om onderzoeken in te stellen naar het welzijn van kinderen binnen hun gezin.

De zaak-Christientje
Een van de onderzoeken die hij deed, ging over het bijna driejarige meisje Christientje, dat anderhalf jaar eerder door een internaat uit Vlaanderen toevertrouwd was aan het Eindhovens gezin-Van Dinter. De moeder was met onbekende bestemming vertrokken en het meisje zou in België verder in een weeshuis moeten verblijven. Christientje zou in Nederland aan een beter leven kunnen beginnen.
In Nederland hadden de pleegouders Christientje in laten schrijven bij de burgerlijke stand, ze ontvingen kinderbijslag en ze meenden anderhalf jaar lang dat alles in orde was. Wat ze niet wisten, was dat ze ook een verblijfsvergunning hadden moeten aanvragen krachtens de vreemdelingenwet. Toen dit aan het licht kwam werd aan de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd om een onderzoek te doen naar de omstandigheden waarin het kind bij de familie Van Dinter verbleef. Dat onderzoek werd toevertrouwd aan Gerard van de Ven. Hij deed dat consciëntieus en oordeelde uiteindelijk dat Christientje vanuit kinderbeschermingsoogpunt goed op haar plaats was. In die geest adviseerde hij de Raad, maar de Raad en het ministerie hechtte meer waarde aan de juiste uitvoering van de Vreemdelingenwet dan aan het belang van het kind.
Aan het echtpaar Van Dinter werd eind 1969 door de politie meegedeeld dat Christientje zou worden uitgezet. Niet meteen, maar na kerst en nieuwjaar. Totaal in paniek vluchtte het gezin elke dag de grens met België over naar een vriend die een vakantiehuisje ter beschikking stelde.
Ten einde raad zocht het echtpaar contact met Marcel van Dam, die sinds een half jaar functioneerde als VARA-ombudsman. Hij verzorgde op de televisie een populair programma over misstanden. Op 9 februari 1970 besteedde hij in zijn programma aandacht aan de zaak-Christientje, waarbij hij meldde dat hij van het ministerie van Justitie vernomen had, dat de beslissing om Christientje uit te zetten mede was gebaseerd op de rapportage van de maatschappelijk werker van de Raad voor de Kinderbescherming.

Morele verplichting vanuit beroepsethiek
Gerard van de Ven wist niet wat hem overkwam toen hij naar de uitzending keek. In zijn rapport had hij juist het tegenovergestelde geadviseerd en dat had hij ook aan de ouders gemeld. Hij vond dat het ministerie hun uitspraak moest rectificeren omwille van de betrouwbaarheid van maatschappelijk werkers in het algemeen. Zelf voelde hij zich als persoon en vanuit de beroepsethiek moreel verplicht om zelf naar de ouders toe te gaan om hen zijn rapport en advies te laten lezen. Zij leefde immers in grote onzekerheid en hadden recht op de waarheid. Hij schreef dit in een aangetekende brief aan de minister van Justitie en aan zijn baas mr. A.J. Haagen, secretaris van de Raad voor de Kinderbescherming in Den Bosch.
“Als je dat doet”, zo reageerde Haagen, “dan krijg je ontslag!” Gerard van de Ven ging toch, wetend dat hij daardoor ontslag zou krijgen. Hij volgde zijn geweten en wilde opkomen voor de belangen van zijn cliënten. De volgende dag, vrijdag 13 februari 1970, gaf mr. Haagen in en kort telefoontje de opdracht om alle documenten, die hij van de Raad thuis had, naar hem op het kantoor te komen brengen.

Wat er daarna gebeurde staat elders in de Canon beroepsverenigingen sociaal werk en de Canon maatschappelijk werk beschreven en is te beluisteren in de podcast die erover is gemaakt. Uiteindelijk moest het ministerie van Justitie besluiten dat Christientje in haar pleeggezin mocht blijven en kon Gerard van de Ven op 15 juni 1970 weer aan het werk.
De enorme commotie die ondertussen was veroorzaakt zette de beroepscode voor maatschappelijk werkers, waarop Gerard van de Ven zich nadrukkelijk had beroepen, op de kaart. Het werd op tal van plaatsen een geaccepteerde leidraad voor het handelen van maatschappelijk werkers in overheidsdienst. Niet de dienstopdrachten van hun meerdere en ook niet van de Minister van Justitie waren doorslaggevend voor hun handelen, maar de in de code van maatschappelijk werk vastgelegde grondprincipes. Zonder het van te voren allemaal bedacht te hebben, had Gerard van de Ven in de acceptatie van de code een katalyserende rol vervuld.

Opbouwwerk Bijzondere Situaties
De werkverhoudingen bij de Bossche Raad voor de Kinderbescherming waren na zijn terugkeer in juni 1970 natuurlijk wel verstoord. Gerard besloot een andere baan te zoeken en vond deze bij het Katholiek Instituut Maatschappelijk Welzijn in Eindhoven, waar hij – inmiddels een nationale beroemdheid in kringen van het maatschappelijk werk – met open armen werd ontvangen. De actiegroep die ten strijde was getrokken tegen mijn ontslag, had hier zijn organisatorische thuisbasís’, zo vertelde hij het later.
Hij werd regiocoördinator in het stadsdeel Tongelre met als doel om een goede afstemming te krijgen van het Algemeen maatschappelijk werk, het maatschappelijk werk van de twee OBS projecten (Opbouwwerk Bijzondere Situaties) en het woonwagenwerk. Aanvankelijk groeide er een vorm van cohesie, tot er een nieuwe wind ging waaien en gepretendeerd werd dat het OBS-werk toch meer prioriteit verdiende.
Gerard werd vervolgens coördinator bij het OBS project ‘’t Hofke’ in Oud Tongelre. Dit project had hele oude wortels in de opvatting dat je mensen zou kunnen heropvoeden (de vroegere woonscholen) als je de gezinnen maar vanuit veel professionele invalshoeken benaderde. Het project was gericht op 32 woningen; het team telde zes professionals en vier ondersteunende medewerkers. Naast helpend werkte het ook stigmatiserend.
Het was welbeschouwd niet meer van de tijd. Ondertussen was er in de buurt ook een hele nieuwe wijk gebouwd, met nauwelijks voorzieningen. In nauw overleg met de werkers kwam een geheel nieuwe aanpak tot stand, gericht op een groter gebied. Mensen gingen elders op een nieuwe subsidietitel werken of vloeide op een natuurlijke manier af. Gerard van de Ven kreeg na de reorganisatie een functie elders binnen het Instituut voor Maatschappelijk Welzijn als coördinator voor het sociaal cultureel werk.

Back to the roots
Uiteindelijk ging hij in 1982 back to the roots en trad hij als maatschappelijk werker in dienst bij het Orthopedagogisch Instituut ‘De la Salle’ in Boxtel: een internaat voor zwakbegaafde, moeilijk opvoedbare kinderen. Hier heeft hij 17 jaar gewerkt, tot hij op zestigjarige leeftijd gebruik maakte van de VUT regeling (Vervroegd Uitdienst Treden).
Hij kijkt met veel genoegen terug op het teamwork wat daar gerealiseerd werd en de open mind in het benaderen van de kinderen. Laat ze maar komen. Wij kijken wel en zoeken met het kind een weg.
Natuurlijk werd er ook onderzoek gedaan en gerapporteerd, maar vanuit een positieve houding. Soms moest er een kind uit de groep gehaald worden vanwege zijn gedrag. Maar hij/zij werd in de separeer nooit alleen gelaten. Altijd in gesprek blijven.
Gerard van de Ven prijst zich gelukkig dat hij geen fusies heeft meegemaakt. Fusies werken vaak de functionaliteit in de hand. Hij heeft gezien hoe juist mensen met een heel groot hart daar niet altijd tegen opgewassen zijn.

Woonwerkgemeenschap De Hooge Berkt
Vervroegd uit het werk stappen had voor Gerard nog een ander belangrijk aspect. Hij kon zich nu helemaal wijden aan het samenleven van de Hooge Berkt gemeenschap in Bergeijk. Gerard en zijn vrouw Anneke waren deze gemeenschap in 1974 op het spoor gekomen. Zij voelden zich vervreemd van hun eigen kerk en zochten naar een gemeenschap: authentiek, open naar alle gezindten en zoekend naar de betekenis van het evangelie in het leven van alledag. Een jaar later verhuisden zij naar Bergeijk.
Weliswaar was het aan regels gebonden priesterschap niet de juiste bestemming voor Gerard gebleken, maar een christelijk en oecumenisch leven was hem blijven trekken. Deze gemeenschap bood een plek voor geloofsontmoeting voor iedereen die zich hiertoe aangetrokken voelde en doet dat nog steeds.
Gerard en Anneke hadden het geluk een groot huis te kunnen kopen met speelruimte voor hun eigen kinderen en groot genoeg om ook een thuis te zijn voor mensen die op enigerlei wijze opvang nodig hadden. Alleenstaanden, gehuwden in scheiding, moeders met kinderen, mensen die op verhaal wilden komen. De begeleiding, de maaltijden en het dagelijkse leven werden gewaarborgd vanuit de gemeenschap. Bij Anneke en Gerard was het thuis komen het belangrijkste. In een latere fase werden veelal kinderen opgevangen. Vooral Gerards vrouw Anneke kon hierin haar hart laten spreken. Zij zag wat iemand nodig had. Gerard zelf had overdag zijn werk buitenshuis.

Hoogstraat in Eindhoven
Hoe goed het leven ook was, toch gaven zij hun huis op en vertrokken naar Thorn, waar een dependance van de Gemeenschap was. Achteraf gezien had het iets van alles los laten en vertrouwen op het leven, breder nog dan het hun bekende leven. In die ruimte ontstond het verlangen om – ook omwille van hun gemeenschap – naar buiten te rekken. Toen aan het bestuur van de gemeenschap vanuit Emmaus Eindhoven de vraag werd gesteld of er mensen waren om Emmaus te ondersteunen, hoefde Anneke en Gerard niet lang na te denken. Samen met nog iemand vertrokken zij – gedragen door de gemeenschap – in juni 1999 naar Emmaus. Emmaus Eindhoven was een leefgemeenschap met vluchtelingen zonder papieren. Samen werd op de grote tweedehands markt de kost verdiend. Emmaus was gevestigd in een groot oud kloosterpand. Vier zusters van Liefde van Schijndel waren toen het gebouw leeg stond in 1983 naar Eindhoven gekomen om het te recyclen. Zij vormden het oude klooster om tot een bolwerk van sociale gerechtigheid door ideële instellingen ruimtes te geven én zij wisten daarbij de onderlinge cohesie tussen de instellingen te bevorderen.
De congregatie wilde dit pand voor Eindhoven behouden, mits er een leefgroep zou komen om de geest en de doelstellingen van de zusters voort te zetten. In 2003 sloten Anneke en Gerard zich hierom – maar ook vanuit de eigen behoefte om werk en bezinning in evenwicht te houden - bij de zusters aan. Zij vormden met elkaar een leefgroep. Samen richtten zij in 2004 de Hoogstraatgemeenschap op met het oog op de toekomst. Deze Hoogstraatgemeenschap bouwt voort op de spiritualiteit van de zusters en naar de eisen van de veranderende tijd.
Op 1 januari 2016 toen de Hoogstraatgemeenschap over gedragen kon worden aan nieuwe mensen, verhuisden Anneke en Gerard zij weer terug naar de Hooge Berkt Gemeenschap in Bergeijk om daar de gastenontvangst te versterken. Vijf jaar later legden zij al hun activiteiten neer om onbelast binnen de gemeenschap verder te leven.

Archief
De zaak-Christientje dook eind 2022 op bij het schrijven van de Canon beroepsverenigingen sociaal werk. Via via hoorde Geard van de Ven dat er iets over hem in deze Canon stond. Hij vroeg heel bescheiden of hij misschien het boekje toegezonden kon krijgen. Hij wilde er wel voor betalen. Zo kwam de geschiedenis weer boven water en vertelde hij meer dan 53 jaar na het conflict op 84-jarige leeftijd nog een keer zijn verhaal voor de podcast en stelde hij zijn uitgebreide archief ter beschikking voor het professionele nageslacht. Het archief is in beheer gebracht van de Marie Kamphuis Stichting, ondergebracht bij de BPSW, de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk.

PODCAST

De zaak Christientje en de insubordinatie (ongehoorzaamheid) van Gerard van de Ven


Hoe een Brabantse maatschappelijk werker in 1970 een minister aan het wankelen bracht en de beroepscode voor het sociaal werk op de kaart zette!

Luister de podcast af op Spotify of via YouTube.


Deze biografische schets is samengesteld op basis van gesprekken met Gerard van de Ven op vrijdag 17 februari en woensdag 28 februari 2023 en schriftelijke aanvullingen van zijn hand op 3 april 2023.

Publicatiedatum: 03-04-2023
Datum laatste wijziging :06-04-2023
Auteur(s): Jos van der Lans,
Links



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015 / Onderhoud door Rstyle