Joke de Haas



Joke de Haas (1936 - 2022)


zelfhulp, informele zorg


Joke de Haas kreeg in haar leven meer steun van lotgenoten dan van hulpverleners. Als ‘moeder van de zelfhulp’ zette ze in Nederland zelfhulp op de kaart.


* * *


Joke’s wieg stond in een smal straatje in een arm stukje van Vught dicht bij het spoor. Ze werd op 23 december 1936 geboren als derde kind in het gezin de Haas. Ze is het eerste meisje in het gezin. Na haar volgen nog drie zusjes en een broertje. In het prachtige boek De ziel van zelfhulp, is te lezen dat de jaren vóór en aan het begin van de oorlog het gezin de Haas zwaar vielen. Het huis is klein en door de kieren tussen de dakpannen giert in de winter de kou binnen. Een baksteen opgewarmd aan de potkachel doet voor de kinderen dienst als kruik. Een keer in de week gaat het gezin in bad. Ze trekken hun doordeweekse kleren uit en wisselen die voor nette zondagse kledij gekregen van familie. De maandagochtend daarop hangt het weektenue fris gewassen weer klaar.

Geplaagd
Joke is amper zes jaar als de Jodentransporten starten vanuit het nieuwgebouwde Kamp Vught. De jonge kinderen kunnen de oorlog nog niet echt begrijpen. Toch handelen ze net als anderen soms snel en kordaat. Zo verbergen ze fietsen als Duitsers deze in beslag aan het nemen zijn; wijzen ze mensen, die willen ontsnappen, de weg als de treinen bij hen om de hoek klaar staan voor deportatie. De ‘pyamapakken’, zoals de kleine Joke de gedeporteerden noemt, blijven in haar geheugen gegrift. Het einde van de oorlog betekent feest, maar de oorlog in de kinderen de Haas is niet over. Joke vindt het onbegrijpelijk dat de Nederlandse en geallieerde doden met militaire eer en eerbied worden begraven, terwijl de lijken van de Duitse soldaten met kiepkarren worden afgevoerd en in een gat worden gegooid.
Joke’s ouders hebben beiden een zwakke gezondheid en Joke wordt als oudste meisje al op jonge leeftijd verantwoordelijk voor de zorg van haar broertjes en zusjes. Voor spelen heeft ze geen tijd. Ze komt vaak te laat op school. De nonnen van de school weten dat Joke voor haar broertjes en zusjes zorgt en knijpen een oogje dicht.
Ze is geen vlug meisje en al snel wordt ze geplaagd door de andere kinderen op school. Als ze thuis komt, zit er bijvoorbeeld een papiertje op haar rug geplakt: ‘ik ben gek’. Pas veel later wordt ontdekt, dat Joke een traag werkende schildklier heeft.
Ze trekt zich meer en meer terug tussen de volwassenen. Voor hen kan ze taken uitvoeren, zorgen en daarmee wordt ze gewaardeerd. Ondanks haar inzet heeft Joke vaak de indruk dat ze het niet goed kan doen. Ze krijgt met regelmaat verwijten en hoort dat ze traag is.
Joke wordt streng en katholiek opgevoed. Zelf vrijheid creëren is de enige mogelijkheid daaraan te ontkomen. Dat je dan niet alles eerlijk kan vertellen, leert ze door ervaring. Ook het eerlijk opbiechten van zonden in de kerk doet ze niet meer, nadat ze ontdekt dat een standaard verhaaltje minder straf oplevert. Later zegt ze dat de kerk haar heeft geleerd de boel te belazeren. Gelovig blijft ze haar hele leven, maar met de kerk als instituut heeft ze niet veel op.

Eerste opname in Vught
Op haar veertiende loopt de leerplicht af en gaat Joke werken als hulp in de huishouding. De puberende Joke voelt zich steeds vermoeider. Het huishoudelijke werk bij een klein gezin houdt ze niet vol, terwijl het zorgen voor het eigen grote gezin geen enkel probleem leek. ‘Het jonge meisje heeft te veel zorg op zich genomen en heeft het op haar zenuwen’, zo is het oordeel. Haar eerste opname volgt. Vught staat dan al lang bekend om het plaatselijke gesticht Voorburg, in de volksmond ‘het gekkenhuis’.
De jaren erna verlopen onrustig. Joke is dan weer thuis, dan weer in Voorburg of in een andere behandelende instelling. Een van de artsen van Voorburg zoekt een hulp in de huishouding. Hij woont op het terrein van Voorburg. Joke trekt bij de familie met acht kinderen in.
Ze werkt bijna tien jaar voor het gezin als ze ontdekt dat er een minimumloon bestaat. Ze ontvangt minder en legt dit voor aan de arts. Deze wil niks weten van opslag en hij ontslaat Joke op staande voet.

Alle dagen therapie
Als Joke 33 jaar is, bezoekt haar moeder haar tijdens een opname in Voorburg op haar fiets. Na afloop op weg naar huis verongelukt ze. Joke krijgt niet veel steun uit haar omgeving bij de verwerking van haar verlies. Een bevriende buurvrouw zegt ‘je moeder is dood, omdat jij in het gekkenhuis zat’. Het zijn woorden, die Joke erg raken.
In de periode van anderhalf jaar dat haar vader weduwnaar is, voelt Joke voor het eerst dat ze ook echt een vader heeft. Die beleving is van korte duur. Vader hertrouwt en zijn nieuwe vrouw heeft weinig met Joke op. Als ze na een behandelperiode weer thuis komt, is haar kamertje ontruimd. Joke gaat teleurgesteld naar haar broer, die aan de overkant woont.
Bij haar broer neemt Joke telefonisch contact op met haar behandelend psychiater, die ze vertrouwt. Hij weet dat Joke goed kan omgaan met kinderen en vraagt of zij bij hem en zijn vier kinderen wil intrekken. In de vier jaar dat ze er woont, leert ze hem kennen als haar geestelijk vader. De psychiater heeft een grenzeloos vertrouwen in Joke’s mogelijkheden. Ze krijgt naar haar zeggen vier jaar lang alle dagen therapie. Een bijzondere en positieve ervaring voor Joke, die ze na verloop van tijd pas echt op waarde kan schatten.
Joke is fobisch, is bang voor alles. Ze durft niet te fietsen. Ook spreken doet ze bijna niet uit angst dat ze iets verkeerds zegt. Door alle opnames is ze haar sociale vaardigheden voor een groot deel kwijt geraakt. Ze leerde in de instituten enkel te overleven en de boel te belazeren; wel heeft ze goede herinneringen aan nachtelijke gesprekken met medepatiënten. In Joke’s woorden: “De meeste mensen konden ’s nachts moeilijk slapen. We zaten bij elkaar in de huiskamer. We klaagden over de hulpverleners, maar vroegen ons ook af wat we zelf konden doen in plaats van het zielige Pietje uithangen. We bemoedigden elkaar, we kregen vertrouwen in elkaar. Dat werkte. Ik ging práten."

Joke Fobie
Joke is 39 jaar als ze trouwt. Nog voor de trouwdag voorbij is, voelt ze dat ze een verkeerde beslissing heeft genomen. Ze raakt zwanger en krijgt een zoon. De zwangerschap heeft een positief neveneffect. Haar schildklierproblemen stabiliseren en maken een effectieve behandeling mogelijk. Ze gaat beter functioneren en begint in een roes aan een nieuw leven.
Intussen gaat het niet goed in haar gezin. Haar man is agressief naar haar en haar zoontje. Ze besluit te gaan scheiden. Ze verandert van een hulpeloze vrouw in een dame die overal doorheen duwt. Ze neemt zitting in patiëntenraden en oriënteert zich op zelfhulp. In de plaatselijke krant leest ze een oproep “Ben ik alleen fobisch?” Ze neemt contact op en start in 1979 in Veldhoven een zelfhulpgroep voor mensen met fobieën. Joke Fobie wordt haar bijnaam in Veldhoven.
Zelfhulp in de vorm van burgers die elkaar helpen omdat ze worstelen met eenzelfde problematiek is wellicht van alle tijden, maar kreeg vooral rond 1935 vorm toen in Amerika de AA (Anonieme Alcoholisten) ontstond. Na een bezoek van Henk Krauweel aan Amerika maakte Nederland in 1948 kennis met de AA. Hij was directeur van het Medisch Consultatiebureau voor Alcoholisme te Amsterdam (nu ‘de Jellinek’). In februari 1949 organiseerde hij de eerste bijeenkomst van de eerste Nederlandse AA-zelfhulpgroep.
Nog steeds is de AA de bekendste zelfhulpgroep, maar al lang niet meer de enige. Een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling van zelfhulp is de Verklaring van Alma Ata van de World Health Organization in 1978 met de slogan ‘Health for all by the year 2000’.

Logeerkamer als kantoor
Medio jaren 80 zoeken Hans en Hetty Flaman van de AA in de regio Eindhoven voor een van hun groepsleden een zelfhulpgroep rond incestproblematiek. Zij komen diverse groepen tegen - wel 50. Maar niet de groep die zij zoeken. Hans roept de dan bekende zelfhulpgroepen bij elkaar en leert ook Joke kennen. Ze vormen een initiatiefgroep Zelfhulp Netwerk Eindhoven Kempenland, waarvan Joke lid wordt.
Na ruim zes jaar onderhandelen, geven Hans en Hetty het op. Joke niet. Zij probeert toch nog iets van de grond te krijgen en dat lukt. In september 1990 kan de stichting Zelfhulp Netwerk (ZHNW) Eindhoven/Kempenland dankzij de gemeente Eindhoven officieel van start. Jan van der Kamp destijds directeur van de GGD is een groot pleitbezorger van de invulling van Health for All by the year 2000, de Verklaring van Alma Ata. Naast een kleine subsidie krijgen de zelfhulp- en patiënten organisaties kopieer- en verzendfaciliteiten.
Het netwerk begint met acht aangesloten groepen. Het kantoor is Joke’s logeerkamer; haar huiskamer wordt gebruikt als groeps- en vergaderruimte. Huisvesting zoeken is belangrijk. Het netwerk laat zich ondersteunen door een Raad van Advies bestaande uit medewerkers van de GGZ, de verslavingszorg, maatschappelijk werk, een huisarts, een notaris en een bankdirecteur. De voorzitter is medewerker van de gemeente. Mede dankzij die Raad staat de deur naar de instellingen op een bepaald moment op een kiertje. Na heel veel overleg met de GGD, de gemeente Eindhoven en diverse patiëntenorganisaties stelt de gemeente Eindhoven in 1993 het ‘Pand Informele Zorg’ ter beschikking, waarin het ZHNW ook ruimte krijgt.

Fijngevoeligheid van een bulldozer
Het ZHNW kan vanaf dat moment groeien en spreidt haar vleugels uit van Eindhoven Kempenland naar Zuidoost-Brabant met een dependance in Helmond. Uit het hele land komen vragen voor ondersteuning bij het opzetten van zelfhulpinitiatieven. Joke zoekt verder steun en zo wordt de stichting Kenniscentrum Zelfhulp opgezet om hiermee financiële mogelijkheden te zoeken voor nieuwe initiatieven en onderzoek. De Provincie Noord-Brabant maakt financiën vrij voor het opzetten van steunpunten Zelfhulp in Noord-Brabant en enkele bestuursleden van het ZHNW nemen zitting in het Kenniscentrum Zelfhulp.
Joke dendert door. Met een tomeloze energie. Vriendelijk en open, maar als het moet, gaat ze overheden en instellingen te lijf met de fijngevoeligheid van een bulldozer. Ze heeft een genuanceerde mening over professionele hulpverlening. Zelfhulpgroepen komen tot recht zonder professionele hulpverleners. Mensen kijken op tegen professionals en deze specialisten vinden het moeilijk om naast mensen te gaan staan. De vakmensen kunnen wel de problematiek beter onder woorden brengen en richting geven aan behandeling. Daarom zijn ze aanvullend op zelfhulp nodig.
Joke is tevens nauw betrokken bij de start van De Boei, het dagcentrum voor mensen met een psychiatrische achtergrond en bij de oprichting van Stichting Bomanshof, het ’huis voor informele zorg’. Een hele trits aan groepen worden in de loop der jaren onderdeel van het netwerk, op de website van ZHNW is een overzicht te vinden. Joke is de ’onvermoeibare dieselmotor’ en wordt meerdere malen gelauwerd. In 1997 wordt ze benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en in 2001 krijgt ze de Eindhovense vrijwilligerspenning. In 2008 neemt ze de Zilveren Tulp van de Eindhovense Persclub in ontvangst en in 2011 wordt ze ereburger van Eindhoven.

De ziel van zelfhulp
Joke legt in 2010 haar bestuurstaken neer. Het eerder genoemde boek De ziel van zelfhulp wordt uitgebracht met voorin Joke’s ontroerende opdracht ‘Voor mijn zoon, die het met mijn zelfhulpnetwerk regelmatig heel moeilijk heeft gehad. Ter nagedachtenis aan Karel Geelen, mijn leermeester in Zelfhulp.’ Bij haar afscheid, dat eigenlijk geen afscheid is, wordt de Raad van de Zelfhulp opgezet.
Het bestuur van ZHNW is inmiddels geprofessionaliseerd evenals de organisatie. Door Joke’s vertrek zouden geen zelfhulpmensen meer zitting hebben in het bestuur van het ZHNW, daarom wordt de Raad van Zelfhulp opgezet. Bij ZHNW zijn 120 zelfhulpgroepen aangesloten. De organisatie bestaat uit een team van betaalde medewerkers die te vinden zijn op de kantoren in Eindhoven, Helmond en Best. Zij zijn het eerste aanspreekpunt voor deelnemers en contactpersonen van de groepen, ook zijn zij het eerste aanspreekpunt wanneer je op zoek bent naar een zelfhulpgroep of er een wil starten. Op deze kantoren zijn ongeveer 200 vrijwilligers actief die ondersteunen in de dagelijkse werkzaamheden.
De nieuwe Raad van Zelfhulp bestaat uit zeven personen, een onafhankelijk voorzitter en 6 contactpersonen vanuit de zelfhulpgroepen. De Raad moet er vooral voor zorgen dat het bestuur de juiste beslissingen neemt om het wezen van Zelfhulp uit te dragen. Daarnaast is de Raad mede verantwoordelijk voor de inhoudelijke vragen over zelfhulp. Waar nodig denken de leden mee over de deskundigheidsbevordering voor contactpersonen van groepen.
Bij het twintigjarig bestaan in 2010 spreekt staatssecretaris Jet Bussemaker Joke toe: ‘U bent ’ons moeder’ en de grote kracht achter het zelfhulpnetwerk, U heeft het geweldig gedaan. Ouders van gehandicapte kinderen, mensen met kanker, alcoholverslaafden, mensen met eetstoornissen, mensen met een fobie, ik noem maar wat voorbeelden. Zij hebben met elkaar gemeen dat ze het risico lopen om in een isolement te raken. Wanneer zij gebruikmaken van zelfhulp kunnen zij dit voorkomen. Krijgen zij misschien weer nieuwe hoop.’

De laatste jaren van haar leven blijft Joke, hoewel in mindere mate, bij het netwerk betrokken, onder meer als lid van de Raad voor Zelfhulp. Ze overlijdt op 8 juni 2022.

Verwante vensters
1935 - Alcoholics Anonymous
1948 - De AA begint een groep in Nederland
1978 – Zelfhulp: het ontstaan van een nieuwe vorm van informele zorg
kreeg 1980 - Zelfhulp: van concurrent naar collega

Literatuur
Jan Steyaert, ‘Wmo: wind in de zeilen van zelfhulp’, in: Stefan van Wijchen (red.) (2010), De ziel van zelfhulp. Eindhoven: Stichting zelfhulp netwerk Zuidoost-Brabant.
Joke de Haas (2014), ‘Ontstaangeschiedenis van het ZHNW: Zelfhulp Netwerk Eindhoven Kempenland’.



Publicatiedatum: 03-04-2023
Datum laatste wijziging :03-04-2023
Auteur(s): Mariet Paes,
Links



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015 / Onderhoud door Rstyle