Piet  Willems



Piet Willems (1975 - 2004)


opbouwwerk, sociaalcultureel werk


iconisch prototype van een bevlogen buurt- en opbouwwerker, tussen 1975 en 1989 voorman van het basisdemocratisch Welzijnsproject Den Bosch-Oost.


* * *

De San Salvatorkerk in Den Bosch puilde uit op 8 augustus 2004. Den Bosch nam afscheid van Piet Willems die op 31 juli plotseling overleed. Piet was een bekend Bosschenaar en een icoon van het opbouwwerk in Nederland. Na de afscheidsdienst schuifelde een deel van de aanwezigen naar buiten op weg naar de begraafplaats iets verderop. Iedereen met een wit legoblokje in de hand. Legoblokjes uitgedeeld tijdens de dienst, omdat Piet een bouwer was. Figuurlijk en letterlijk. Het was de wens van Piets kinderen ‘dat de aanwezigen verder bouwen aan een solidaire samenleving, verder bouwen aan het levenswerk van ons vader’.
Naar Brabantse gewoonte was er na afloop een bijeenkomst in een restaurant. Het was een levendige bijeenkomst, waar vele oud bekenden uit Piets kleurrijke leven elkaar ontmoetten. Mensen uit de buurten en wijken in Den Bosch, familie en kennissen uit de dorpen in de Kempen, opbouwwerkers uit het hele land en uit België, de burgemeester van Den Bosch, ambtenaren, politici en journalisten, mensen verbonden aan allerlei sociale initiatieven die door Piet mee geïnitieerd waren, sociale wetenschappers en beleidsmakers uit het hele land, waarmee Piet contact onderhield. Verdriet en ongeloof over zijn plotselinge dood overheersten. Bezorgdheid ook. Hoe moet het verder zonder Piet; hij was nog met zoveel bezig.

Opgroeien in De Kempen
De grootouders van Piet Willems waren Peer en Mie van de Sande-Maas. Zij trouwden in 1894 en kregen elf kinderen. Zij kochten in 1901 de Oerse Hut, gelegen in de ‘Grote Aard van Oerle’ en ontgonnen de hei om er een boerderij te stichten. Zeven kinderen - waaronder Piets moeder Miet en zijn vader Driek - bouwden een boerderij nabij de Oerse Hut en vormden samen met de andere kinderen Van de Sande buurtschap De Hut. In deze hechte gemeenschap groeide Piet Willems op.
Piets vader stond bekend als nieuwsgierig en was er altijd op uit om een praatje te maken met passanten. Een gevleugelde uitspraak van hem was: ‘Waar kom je vandaan? Waar ga je naar toe? Moeder Miet stond evenals haar zussen bekend als een heel hartelijke, maar ook daadkrachtige vrouw. Een vaste uitspraak van haar was: ‘Arm zijn is erg, maar er niks aan doen is erger’. De Hutkinderen werkten als vanzelfsprekend mee op de boerderij. Daar zat geen dwang achter. Ze zagen hoe hard hun ouders werkten en hielpen als vanzelfsprekend mee. Het was een arm, maar warm gezin. Opa en oma Willems woonden op latere leeftijd bij hun zoon en schoondochter in.
Veel onderliggende waarden in Piets werk hebben een link naar dat leven in die boerengemeenschap. Net als zijn vader sprak Piet iedereen op straat aan en vroeg: Wat wil je doen? Wat kun je? En net als zijn moeder stond hij open voor nieuwe ontwikkelingen en liep daarin voorop. Hard werken en voor elkaar zorgen kreeg Piet mee vanuit zijn jeugd. Zijn latere radicale keuze om als opbouwwerker te werken voor en met mensen van het souterrain van de samenleving hield verband met zijn afkomst.

Piet ging niet graag naar school en spijbelde nogal eens. Dan ging hij met zijn vrienden de bossen in. Hij gedijde niet in het klassikale onderwijs. Zijn aversie tegen het gangbare onderwijs, was later de bron voor zijn aandacht voor Paulo Freire - de Zuid-Amerikaanse bevrijdingsideoloog - die een andere manier van leren propageerde. In de vrije tijd gingen de kinderen vissen, vogelnesten zoeken en trokken ze erop uit met een kar en een geitenbok. Later kwam daar het stropen bij, het was vanzelfsprekend dat de kinderen gingen stropen. Alhoewel dit eigenlijk verboden was, gebeurde het alom: ‘de rijken jagen en wij stropen’.

Oorlog en volwassen worden
Als tiener maakte Piet de oorlog mee. De oorlog betekende eveneens het einde van zijn schoolcarrière. Hij ging op de boerderij van zijn ouders werken. De Hutboeren namen als vanzelfsprekend onderduikers op. Rond Piets ouderlijk huis, de boerderij in Wintelre is hard gevochten tussen de Duitsers en de Engelsen. De Kempen kreeg het hard te verduren in die laatste oorlogsjaren. Op latere leeftijd zocht Piet die geschiedenis uit, omdat er fouten in de geschiedschrijving zaten. Daardoor werden buurtgenoten in een verkeerd daglicht gezet. Zijn reconstructie werd in een Engels boek over de oorlog opgenomen.
In 1949 ging Piet als dienstplichtig militair naar Indonesië; dit was na de politionele acties. Piet werkte in een magazijn en klom via zelfstudie op tot eindverantwoordelijke magazijnbeheerder. Hij schreef in die tijd honderden brieven aan familieleden en vriendinnen. Ver van huis, in een totaal andere wereld dan de hechte gemeenschap in de Kempen waar hij opgroeide, werd hij volwassen. Hij kreeg hier oog voor de grote maatschappelijke en in zijn ogen onrechtvaardige verschillen tussen de ‘blanke’ en ‘inheemse’ bevolking.
Na zijn terugkomst uit Indonesië ging hij werken bij Philips, schoolde bij in de avonduren en werkte bij nog enkele andere bedrijven. Hij trouwde, kreeg 3 kinderen en verhuisde naar Oerle. Hier werd hij politiek actief en zat voor de toenmalige KVP in de gemeenteraad. In zijn vrije tijd zette hij veel vrijwilligerswerk op, vooral kinderactiviteiten. Zo raakte hij geïnteresseerd in het sociaal werk.
Piet had er schoon genoeg van om als arbeider, als ondergeschikte te werken in hiërarchische verhoudingen. In zijn vrijwilligerswerk in Oerle had hij ontdekt dat hij kon werken in het zogenaamde maatschappelijk werk. Hij dacht dat dat werk menselijker was, zich meer met de mens als totaal bezighield. Hij ‘was de koning te rijk’ toen hij de kans kreeg om aan de sociale academie te gaan studeren en vervolgens in Den Bosch kon gaan werken. Een betaalde baan in de sociale sector en de mogelijkheid om met mensen te kunnen werken aan allerlei problemen was voor hem ‘de hemel op aarde’.

Start als opbouwwerker (1965-1973)
Vanaf 1965 volgde Piet Willems, dan 36 jaar oud, de urgentieopleiding cultureel werk aan de Sociale Academie in Breda en sloot deze in 1970 af met een diploma. Bij de start van deze opleiding trad hij in dienst van de R.K. Stichting Jeugdzorg-Gezinswerk in Den Bosch. Hij begon als groepswerker en werd na enkele maanden teamleider in de Bartjes parochie onderdeel van de Graafse wijk. Hij verhuisde met zijn gezin naar Vlijmen, waar hij korte tijd woonde.
Dit was een grote overgang voor zijn vrouw en kinderen; zij verlieten de omgeving waar de familie woonde en altijd gewoond had. In Vlijmen werden zijn twee jongste zonen geboren, die thuis gedoopt werden door een bevriende ex-priester. In deze periode nam Piet steeds verder afstand van de kerk als instituut en schreef zich uit als katholiek gelovige. Het is die roerige tijd dat Piet wel een huis kon gaan huren in Den Bosch-Zuid, een huis van de stichting Jeugdzorg-Gezinswerk.

In het begin van zijn werk voor jeugdzorg-gezinswerk begon zich een radicalisering af te tekenen. Het team werkte volgens de instellingsdoelstelling, die ervan uitging dat de bewoners afweken van het zogenaamde normale gedrag. In Den Bosch sprak men over ‘die asocialen’, een term die het team niet wilde gebruiken. Zij spraken over de ‘onmaatschappelijken’ en probeerden via hun werk de bewoners aan te passen aan de zogenaamde normale samenleving.
Aanvankelijk was Piet weinig kritisch ten aanzien van de instellingsdoelstelling. Naarmate hij meer in contact kwam met de bewoners en hun woon- en leefsituatie leerde kennen, ging hij vragen stellen bij de opvattingen van de instelling. Het liefst zat hij bij mensen thuis of op de stoep voor hun huis met ze te praten. Het was armoe troef. Mensen woonden in kleine huisjes, zaten altijd op straat en de kinderen speelden voor het huis. Hij zag verpauperde huizen zonder douches, altijd ellende met de riolering. In de buurt klampten mensen hem aan met hun alledaagse zorgen. Deze armoede en povere huisvesting kende Piet van vroeger, maar er waren ook zaken die nieuw voor hem waren. Dat was vooral hoe mensen met elkaar om gingen, het geschreeuw, de schuttingtaal, de omgang met hun kinderen, huiselijk geweld, incest. Het team had vooral moeite met de gewelddadige situaties, die ze meemaakten.

Radicalisering
Na enige tijd werken in de wijk kreeg Piet steeds meer en betere contacten met de bewoners. Hij kwam op voor de mensen in de wijk, maar vond tevens dat je je moest realiseren dat je altijd een buitenstaander bleef, je werd nooit één van hen. Je moest niet boven hen gaan staan, want dat pikten ze niet. Hij introduceerde bij zijn team nieuwe uitgangspunten voor hun werkwijze: ‘wat mensen zelf kunnen doen, moeten ze ook zelf doen’. Dat ging in tegen het bevoogdende van de instelling.

Van 1970 tot 1971 was hij lid van de gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch voor de PPR, de Politieke Partij Radicalen. Hij betrok de landelijke kopstukken van de PPR bij acties in Den Bosch. In 1972 werd Piet aangesteld als opbouwwerker in de Sintstraten in de wijk Het Zand. Een soort experiment. Hij was projectleider en werkte samen met een groep stagiaires. Ze bezochten de buurtbewoners thuis om te horen wat hun behoeften waren en daarbij aan te sluiten. Een voor die tijd nieuwe benadering.
De aanstelling voor deze nieuwe opdracht hield verband met zijn studie aan de Protestantse Voortgezette Opleiding te Amsterdam, die hij in 1975 afsloot met een diploma. Door al zijn ervaringen in de Graafse wijk en de Sintstraten werd het hem duidelijk ‘dat de kloof die bestond tussen de mensen en hun problemen enerzijds en de instellingen met hun zogenaamd hulpaanbod anderzijds bijzonder groot en ontoelaatbaar was’. Hij ontdekte dat de welzijnssector een middenpositie in nam tussen ‘boven en beneden’.
Zijn radicalisering zette zich door en had een breuk met zijn werkgever tot gevolg. Hij werd in 1973 ontslagen. Buurtbewoners en collega’s richtten de actiegroep Wij willen Piet en anders niet op. Gedurende die periode van gedwongen werkloosheid werkte hij het concept “Experimenteel Welzijnswerk in Den Bosch Oost” uit. Dit concept was gebaseerd op zijn opvattingen, versterkt door zijn verdere theoretische vorming in Amsterdam. Er veranderde in deze periode veel in zijn werk en leven. Door studie en werk ontmoette hij vele mensen uit andere milieus. Hij bleef zoeken. Zijn vrouw en hij groeiden uit elkaar. Hij was steeds minder thuis, was vaak te vinden in het huis van zijn stagiaires, dat een soort pleisterplaats was voor radicaal linksen in Den Bosch. Na enige tijd verliet hij zijn vrouw; een dramatische keuze met veel gevolgen voor zijn vrouw en kinderen; hij voelde de scheiding als een falen.

Experimenteel welzijnswerk in Den Bosch-Oost (1974 -1989)
In 1974 startte het experiment Welzijnsproject Oost (WPO) in Den Bosch Oost op basis van een rijkssubsidie en Piet Willems werd hieraan als beroepskracht verbonden. Hij startte met het project vanuit zijn privéwoning, een flat in Den Bosch-Noord. Het experimentele kreeg in 1976 een regulier karakter en hij werd teamleider. Een periode waarin vele nieuwe activiteiten en initiatieven het licht zagen in Den Bosch-Oost: WAO-groepen, buurtcomités, buurthuis de Oosthoek, buurthuis de Stolp, lees- en schrijfgroepen, gezondheidscentrum Samen Beter, zelfhulpgroepen zoals de Buitenbeentjes, Hulpsector Oost, vrouwenwerk, advocatencollectief, buurtkunstproject, jeugdwerk, randgroepjongerenwerk.
Piet streefde in zijn werk ernaar om de zwakste krachten in de samenleving in de publieke ruimte tot hun recht te laten komen. De leefwereld van de mensen was voor hem belangrijker dan de systeemwereld. Met verbazing zag hij hoe de systeemwereld het mensen onmogelijk maakte om hun lot in eigen hand en te nemen. Die verbazing was de voornaamste drijfveer van zijn handelen als persoon én als opbouwwerker. Hij liftte mee op de hervormings- en protestbewegingen van de jaren zeventig. Hij maakte handig gebruik van subsidiemogelijkheden die geboden werden door het in 1973 aangetreden kabinet Den Uyl, dat als motto spreiding van kennis, macht en inkomen had. De bezuinigingen als gevolg van de crisis en het neoliberale beleid in de jaren tachtig kreeg vooralsnog geen vat op WPO. WPO was daarvoor te stevig geworteld in de wijk Den Bosch-Oost. Landelijke subsidies werden vervangen door lokale financieringen.

Piet had inmiddels via zijn werk Lisa leren kennen. Zij werd zijn nieuwe levenspartner en zij gingen samenwonen. Piet woonde met tussenfasen voor korte periodes in andere eigen huizen; vaak samen met één van zijn kinderen. Zijn kinderen en ex-vrouw hadden het moeilijk met de scheiding. Hij bleef contact met hen houden en zijn moeizame relatie met zijn kinderen verbeterde langzamerhand. In 1981 en in 1993 overleden zussen van Piet door suïcide; twee totaal onverwachte gebeurtenissen voor hem en zijn familie, die een grote impact op hem hadden.
Hij bleef verdieping in zijn werk zoeken via nieuwe studies en via internationale contacten. Hij volgde de opleiding tot Gestalt-therapeut en de academische studie andragologie. Hij had eveneens vele buitenlandse contacten rond het ‘basiswerk’ via het IOC (Internationaal Ontmoeting Centrum) in België. Piet was een geziene gast op vele seminars en congressen in binnen- en buitenland. Hij benutte deze podia steeds om wijkbewoners het woord te geven, waarvoor hij alom waardering kreeg. WPO werd bedolven onder werkbezoeken uit het hele land alsook uit het buitenland. Den Bosch-Oost kreeg haast een cultstatus als vernieuwende welzijnspraktijk in Nederland.

Stem geven aan kwetsbaren (1990-2005)
Eind jaren tachtig toen zijn pensioenleeftijd naderde en het Welzijnsproject Den Bosch-Oost onderdeel werd van een stedelijke welzijnsinstelling nam Piet opnieuw een radicale keuze, hij ging met vervroegd pensioen en werkte op persoonlijke titel verder voor de mensen van het ‘souterrain van de samenleving’. Zijn band met een aantal projecten in Den Bosch-Oost en zijn relatie met vele wijkbewoners bleven bestaan.
Hij was druk bezig met verbouwen van panden voor en met zijn kinderen; voor en met kwetsbare groepen. Hij richtte diverse stichtingen op om zijn activiteiten met en voor kwetsbare mensen onder te brengen: Bouwen & Huisvesten, Aanzet, sociaal pension, Ruggesteun, steunpunt zelfhulp, Ex6, een zelfhulpgroep voor en van mensen met suïcide gedachten en/of ervaringen.
Piet kreeg zijn credits: hij werd Bosschenaar van het jaar, kreeg de sociale penning van de stad Den Bosch en later ook een koninklijke onderscheiding. In deze periode ging hij terug naar zijn ‘roots ’en schreef Geloof in het zand, een korte reconstructie van het leven van zijn ouders en grootouders in de Kempen. Hij had het niet gemakkelijk in deze periode. Hij maakte zich vaak kwaad over het gemeentelijke beleid en voelde zich buitengesloten van de activiteiten die door de gemeente met anderen werden opgezet.
De gemeentelijke plannen rond sociale activering waren zo’n voorbeeld. Hij leverde uit protest zijn sociale penning in. Hij kreeg drie keer een hartinfarct; de laatste in de zomer van 2004 werd hem fataal. Er verschenen diverse artikelen in krant en tijdschriften naar aanleiding van zijn dood. Een half jaar later werden op zijn verjaardag herinneringsdagen georganiseerd met als titel ‘het vuur brandend houden’. Er kwamen vele mensen uit Den Bosch, het hele land, uit België, Frankrijk en Italië. In deze gesprekken vroegen mensen zich af, wat Piet van de huidige maatschappelijke ontwikkelingen zou vinden. Hoe zou hij denken over het huidige sociale beleid en de plek daarin van het welzijnswerk, van het opbouwwerk, van het werken met kwetsbare mensen? We konden wel gissen naar Piets standpunt hierover. Hij had immers een paar ijzersterke uitgangspunten voor zijn werk, die nog steeds opgeld doen:
- Werken van onderaf: het zijn de mensen die bepalen wat er gebeurt, niet de systemen.
- Consequent kiezen voor de kwetsbare mensen in de samenleving.
- Uitgaan van de kwaliteiten van mensen.



Publicatiedatum: 28-09-2020
Datum laatste wijziging :28-09-2020
Auteur(s): Mariet Paes,
Links



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015