1994 Bureau Jeugdzorg
Van provincie naar gemeenten
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Ze waren in de jaren negentig het sluitstuk van een reorganisatie van de jeugdhulpverlening die ruim twintig jaar eerder van start was gegaan. Ze moesten een eind maken aan de versnipperde en weinig effectieve hulpverlening. Dat lukte maar ten dele. Amper vijftien jaar na hun oprichting worden de Bureaus Jeugdzorg alweer opgedoekt of fors afgeslankt.

Begin jaren zeventig zijn jeugdhulpverlening en kinderbescherming in ons land sterk verzuild en verkokerd. Er bestaat grote willekeur waar een hulpbehoevend kind terechtkomt. Een vernieuwingsbeweging in de jeugdbescherming bekritiseert inhoud en effect van hulp en opvang. Tijd voor verandering en mede daarom stelt de regering in 1974 de Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnsbeleid in. Die adviseert twee jaar later om de hulpverlening regionaal en in samenhang te organiseren en het recht op adequate hulp en een klachtrecht vast te leggen. Na vele debatten en adviesrondes neemt de regering de aanbevelingen echter niet over en in 1978-79 volgt de instelling van twee nieuwe interdepartementale werkgroepen: een voor residentiële voorzieningen (IWRV) en een voor ambulante en preventieve voorzieningen (IWAPV).

In 1984 – men neemt er in die dagen de tijd voor – brengen beide hun eindrapport uit. De regering onderschrijft het uitgangspunt dat hulp voortaan ‘zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden. Dit ‘zo-zo-zo’-beleid, althans het streven daartoe, wordt verder bepalend voor de Nederlandse jeugdzorg, vaak nog aangevuld met ‘zo tijdig mogelijk’ en ‘zo goedkoop mogelijk’. De regering kondigt bovendien de komst van een Wet op de Jeugdhulpverlening aan. Die komt er in 1989, decentraliseert de jeugdzorg naar het provinciale of grootstedelijke niveau, maar leidt niet tot werkelijke integratie en samenhang. De jeugdzorg blijft verdeeld over een vrijwillig deel (ministerie van VWS) en een justitieel deel (ministerie van Justitie) en de jeugd-ggz blijft een eigen financiering houden.

‘Dat bedenk je niet’, zo karakteriseert in 1994 een volgende commissie, de Taskforce Jeugdhulpverlening de jeugdzorg in haar advies over doelmatiger werken. Voor het eerst valt het begrip Bureau Jeugdzorg als organisatie die de toegang tot de jeugdzorg moet coördineren en die verantwoordelijk is voor diagnose, plaatsing en casemanagement. Het eerste Paarse Kabinet omarmt dit idee in de nota Regie in de Jeugdzorg en laat de uitwerking over aan een Projectgroep Toegang. Terwijl die nog lang niet klaar is, opent in Zuid-Limburg in 1996 het eerste Bureau Jeugdzorg, dat, anders dan later de bedoeling is, zich vooral richt op advies, opvoedingsondersteuning en ambulante hulp. Hoewel er in de jaren daarna in steeds meer regio’s bureaus bij komen, verloopt de totstandkoming traag en gaan de bureaus er, bij gebrek aan landelijke sturing, nogal verschillend uitzien. Met één grote uitzondering: de jeugd-ggz blijft vrijwel overal een eigen toegang houden via de huisarts.

Door de in 2005 ingevoerde Wet op de Jeugdzorg zijn taken en functies van de bureaus voortaan duidelijk afgebakend: de mogelijkheid zelf hulp te bieden wordt zeer beperkt en de nadruk ligt op diagnostiek en indicatie (uitzoeken wat er aan de hand is en daar de goede hulp bij organiseren). In de media, politiek en bij het grote publiek is Bureau Jeugdzorg, vooral door een aantal breed uitgemeten incidenten, dan al lang symbool geworden voor een falende jeugdzorg, die wordt gekenmerkt door langs elkaar heen werkende instanties, bureaucratie, registratiedwang, wachtlijsten en te vroeg of te laat ingrijpen. Nieuwe evaluatieonderzoeken en toekomstverkenningen bevestigen dat beeld en het kabinet-Rutte besluit in 2011 de jeugdzorg grotendeels over te hevelen naar het gemeentelijk niveau. Deze ‘transitie’ voltrekt zich op 1 januari 2015, en de nieuwe Jeugdwet die dit mogelijk moet maken, werd in februari 2014 door de Eerste Kamer aangenomen. Een sleutelrol zal daarbij weggelegd zijn voor wijkgerichte Jeugd en Gezin-teams of wijkteams met ouder-kind-adviseurs (er zijn sinds de decentralisatie vele lokale constructies en aanduidingen in omloop): herkenbare inlooppunten in de buurt, waar laagdrempelige teams van professionals ouders en kinderen/jongeren ondersteunen bij hun vragen over opvoeden en opgroeien. Eigenlijk zoiets als dat eerste Limburgse Bureau Jeugdzorg. Daarnaast zijn per 1 januari 2015 het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (AMHK) en het Steunpunt Huiselijk Geweld opgegaan in een nieuwe, landelijke organisatie ’Veilig Thuis’, die zich vervolgens weer lokaal heeft vertakt. De Bureaus Jeugdzorg varen sinds de decentralisatie van de jeugdwet vrijwel allemaal onder naam ’Jeugdbescherming’.

Publicatiedatum: 15-03-2012
Datum laatste wijziging :11-02-2019
Auteur(s): Maurice van Lieshout,
Extra Tienduizenden cliënten
Er zijn vijftien Bureaus Jeugdzorg, of zoals ze tegenwoordig heten Jeugdbescherming, in ons land: één in iedere provincie en één in de grootstedelijke regio’s Amsterdam, Rotterdam en Haaglanden. Alle bureaus hebben meerdere vestigingen. Ze vervullen taken in het kader van vrijwillige en justitiële hulpverlening. Tot de vrijwillige behoren de indicatiestelling (voor de provinciaal gefinancierde jeugdzorg en de jeugd-ggz), de taken voortkomend uit meldingen bij Veilig Thuis, de kindertelefoon en crisisinterventie. Het justitiële deel omvat uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen (voogdij en gezinsvoogdij) en van de jeugdreclassering. In 2010 waren er ruim 50.000 jeugdigen tot achttien jaar met een maatregel jeugdbescherming en bijna 17.000 met een maatregel jeugdreclassering. De AMK’s gaven bijna 44.000 adviezen en ruim 18.000 meldingen leidden tot een onderzoek. Ruim 97.000 jeugdigen werden aangemeld voor diagnose en indicatiestelling.
Met de overheveling van de jeugdzorg naar de gemeenten worden de Bureaus niet overbodig. Ze kunnen de uitvoerende instantie blijven voor gezinsvoogdij en jeugdreclassering en mogelijk voor specialistische zorg (jeugd-ggz of zorg voor licht verstandelijk gehandicapten). Omdat gemeenten zelf moeten bepalen hoe ze de uitvoering van de jeugdzorg organiseren, kunnen de bureaus daarnaast – al of niet in nieuwe gedaante – verantwoordelijk worden voor een deel van de vrijwillige hulpverlening.
Verder studeren
Literatuur
Aanvullend materiaal
  • Externe link VPRO, OVT (2006), Geschiedenis Bureau Jeugdzorg Een gesprek over de geschiedenis van Bureau Jeugdzorg en over heden en verleden van het bedreigde kind.
  • Externe link VPRO Andere Tijden (2018), Alleen op de wereld. Andere Tijden laat zien hoe treurig het gesteld was met de jeugdzorg in de periode voorafgaand aan 1945.
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
Bewegende beelden



Het Spoor terug: De Kinderactivisten De Belangenvereniging Minderjarigen (BM) zette zich in de jaren 70 en 80 in voor tehuisbewoners en jongeren die opgesloten zaten in Rijksinrichtingen. Deel 1 van een tweeluik.



Wiel Janssen werkte meer dan 32 jaar in de jeugdzorg, waarvan tien jaar - tot eind 2008 - als directeur-bestuurder van Bureau Jeugdzorg Amsterdam. In het afgelopen jaar verdiepte hij zich in de achtergronden van de problemen in de jeugdzorg. Een hoofdprobleem is dat controlemechanismen tot in het hart van de jeugdzorg zijn geslopen. Het vakmanschap is in de knel gekomen. Medewerkers blijven over een kind dat ze niet kennen te lang met elkaar praten en stellen beslissingen uit. Maar beter is het meteen iets te doen.



Jeugdzorg 2.0 zet de Zorg voor Jeugd in beweging. De huidige structuren en vormen van zorg voldoen niet langer om de toekomst adequaat in te kunnen spelen op de vragen van jeugd en gezin. Steeds meer betrokkenen delen hun ideeën met elkaar in de beweging Jeugdzorg 2.0.

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste