1915 Voorwaardelijke invrijheidsstelling en voorwaardelijke veroordeling
Reclassering van drankzuchtigen
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
De verslavingszorg kent een lange geschiedenis waarin de sector telkens op zoek is naar identiteit (haar ‘eigenheid’) en in samenhang daarmee naar de mogelijkheid tot financiering. Bij gebrek aan een structurele financiering werden in het begin van de vorige eeuw de mogelijkheden van nieuwe regelingen die in die tijd op het vlak van het reclasseringswerk tot stand kwamen, met beide handen aangegrepen om de hulp verder te ontwikkelen én gefinancierd te krijgen. De wijziging van de Reclasseringsregeling in 1915 en de invoering van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en voorwaardelijke veroordeling waren bepalend voor de verdere ontwikkeling van de ambulante voorzieningen.

Het eerste medisch consultatiebureau voor alcoholisme werd in 1909 opgericht in Amsterdam, mede omdat de ‘asiels’ voor drankzuchtigen, zoals Hoog-Hullen in Eelde, opgericht in 1891, geen oplossing waren voor de opvang van de grote groep drankzuchtigen in met name de steden. Die asiels droegen er niet toe bij om de mannen, want verslaving was in die tijd vooral een mannenvraagstuk, te helpen bij hun sociale herintegratie, hun schulden te saneren, te leren langs de talloze kroegen te lopen, en ervoor te zorgen dat hun vrouwen het loon konden besteden aan het huishouden. En er was het ‘seksuele vraagstuk’: konden die mannen wel zo lang zonder hun vrouw? Regelingen voor overheidssteun waren er echter nog niet. Het was daarom niet onverstandig om zich, zodra de mogelijkheid bestond om door justitie erkend te worden als reclasseringsinstelling, voor verrichte werkzaamheden te laten betalen. Door het Amsterdamse bureau, en de schare van vergelijkbare initiatieven elders in het land, werd deze kans met beide handen aangrepen. Allengs konden hier en daar zelfs betaalde krachten worden aangesteld.

De overheid wilde via reclasseringswerk correcties aanbrengen in het gedrag van degenen die met het strafrecht in aanraking waren gekomen. Aan reclassering werd gedacht bij mensen die voorwaardelijk in vrijheid werden gesteld, ‘bedreigd’ werden met ‘opzending’ naar een rijkswerkinrichting (velen werden vanwege openbare dronkenschap naar Veenhuizen of Hoorn gestuurd) of ter beschikking waren gesteld van de regering. Iets later werd ook reclassering bij voorwaardelijke veroordelingen mogelijk. In alle gevallen konden reclasseringswerkers zich bereid verklaren toezicht te houden op het gedrag van de betrokkenen. Ze werden geacht op gezette tijden daarover aan justitie te rapporteren. Vooral de voorwaardelijke veroordeling werd door de consultatiebureaus omarmd, omdat ze de dreigende straf zagen als een belangrijke stok achter de deur om de betrokkenen te verleiden tot geheelonthouding. Bovendien waren de kansen voor herintegratie gunstiger dan wanneer men eerst een straf moest uitzitten.

Belangrijk voor de bureaus was dat men via reclasseringsregelingen in contact kon komen met mannen die waren opgepakt vanwege openbare dronkenschap en met ‘misdadige drankzuchtigen’, die het contact met de hulpverlening anders zeker zouden hebben ontlopen. De bureaus konden hen in opdracht van justitie verplichten tot geheelonthouding, kroegen te mijden én lid te worden van een geheelonthoudersvereniging. De andacht voor openbare dronkenschap en orderverstoringen onder invloed van drank verschoof vanaf de jaren dertig meer naar het ‘rijden onder invloed’; dit laatste werd nog belangrijker na de Tweede Wereldoorlog.
Om een cijfermatige indruk te geven van de werkzaamheden van het Amsterdamse consultatiebureau in 1919, tien jaar na de oprichting: in dat jaar werden er 100 zittingen gehouden, daarin 258 nieuwe inschrijvingen, 6063 bezoeken van patiënten, 322 bezoeken van familieleden, 43 bezoeken van leden van drankbestrijdingsorganisaties (zij verleenden sociale steun), 124 bezoeken van overige personen, en per zitting waren er gemiddeld 68 bezoekers.
Achteraf gezien heeft justitie de consultatiebureaus voor alcoholisme, die pas vanaf 1970 ook ‘drugs’ in hun naam voerden, ruimhartig voorzien van geld. Maar dit had zeker ook nadelen. De vurige wens om ook als een medische voorziening gezien te worden en ook als zodanig gefinancierd te worden, werd niet gerealiseerd. Verslaving werd, en wordt in zekere zin ook nu nog, niet gezien als een typisch medische aandoening. de grote afhankelijkheid van justitie versterkte dat beeld alleen maar. Hulpverleners wilden ook buiten de kaders van justitie en reclassering hun werk doen. Ook toen de bureaus in 1979 door de rijksoverheid werden gefinancierd als volksgezondheidsinstellingen bleef het aandeel van justitie echter fors. Bijvoorbeeld in de vorm van overlastbestrijding of forensische verslavingszorg, een vrij recente benaming. Alcoholmisbruik en verslaving houden nu eenmaal verband met criminaliteit en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag.

Publicatiedatum: 21-07-2015
Datum laatste wijziging :06-10-2016
Auteur(s): Jaap van der Stel,
Literatuur
  • Blaauw, E. & Roozen, H. (red.) (2012), Handboek forensische verslavingszorg. Houten: BSL.
  • Stel, J. van der (1995), Drinken, drank en dronkenschap. Vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland.  Hilversum: Verloren.
Aanvullend materiaal
Links
Video

Documentaire (6 min.) van ontwenningskliniek Hoog Hullen.

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste