1949 Disulfiram, eindelijk een werkzaam geneesmiddel
Medische hulpmiddelen
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Al vele duizenden jaren geleden hebben mensen ontdekt dat planten een krachtige werking kunnen hebben op het centrale zenuwstelsel en dat ze daarmee een psychoactief effect kunnen bereiken. Ook geneeskundigen zijn al heel lang geleden op zoek gegaan naar plantenextracten om aandoeningen te verhelpen of de gevolgen ervan te verlichten. Later kwamen daar ook stoffen bij met een niet-plantaardige herkomst, zoals mineralen.

Ook voor de behandeling van verslaving, in het bijzonder rondom alcohol, is er al heel lang gezocht naar preparaten waarmee de verslaving kon worden beperkt. Veel van deze middelen waren erop gericht bij drinkers een afkeer of walging ten opzichte van de drank in te leiden. Zo zijn er in het verleden talloze methoden ontwikkeld, waar vaak grof aan werd verdiend. De werkzaamheid ervan viel altijd weer tegen. In 1900 kwam ‘anti-ethyline’, een ‘serum tegen alcoholmanie’, op de markt. Chemisch onderzoek toonde aan dat het bestond uit dubbelkoolzure soda (zuiveringszout of maagzout), gemalen kalmoeswortel en gemalen gentiaanwortel. Het werkte niet. Heel populair was ook het Coza-poeder, een anti-alcoholmiddel met bijna dezelfde samenstelling.

Pas na de Tweede Wereldoorlog, in 1949, kwam er een middel beschikbaar dat echt werkzaam was, door medici werd geaccepteerd en nu nog steeds wordt toegepast: disulfiram. Het is een middel ten behoeve van ontwenning met een afschrikwekkend effect dat het metabolisme van alcohol verstoort, maar het heeft niet direct invloed op het verlangen om te drinken. Het werd verkocht onder de naam Antabus of Refusal. De werkzaamheid van disulfiram bewees indirect dat alcoholisme inderdaad een ziekte was, aldus de geneeskundigen van die tijd. Voor de consultatiebureaus was disulfiram daarmee een uitkomst. Ze konden het voorvoegsel ‘medisch’ in hun naamgeving nu waarmaken. Het zou verder, dacht men, de behoefte aan een klinische opname sterk doen verminderen, en ze hadden nu iets in handen waarmee ze zich konden onderscheiden van de andere reclasseringsinstellingen: medische assistentie.

De geneeskundige A.P. Ketel (1894-1971), al voor de oorlog verbonden aan het psychiatrisch ziekenhuis Maasoord en tevens actief voor de Artsen-Geheelonthouders Vereniging, was de eerste die er eind jaren veertig klinische ervaring mee opdeed. Men dacht in die tijd nog dat je alcoholisten met deze stof van een drankzucht kon ‘genezen’. Dat bleek niet het geval te zijn. Maar het hielp wel als onderdeel van een meer omvattende behandeling. In de eerste jaren na de oorlog waren er overigens al meer methoden die door artsen werden toegepast ten behoeve van medicamenteuze therapie. Denk hierbij aan braken-opwekkende middelen als emetine en apomorfine. Ook werd er gepoogd de alcoholist te immuniseren tegen alcohol. Of er werd suiker toegediend, omdat men dacht dat alcoholisten een laag bloedsuikergehalte zouden hebben en de toediening van suiker een drankzucht zou beperken. Verder waren er bijnierschorspreparaten in gebruik. Er werd ook geëxperimenteerd met specifieke diëten, zoals met weinig koolhydraten, matig vet, veel eiwit. En uiteraard werd er, zodra dat kon, ook gebruikgemaakt van tranquillizers, zoals een inmiddels vergeten preparaat dat werd gebaseerd op de tropische plant Rauwolfia serpentina.

Het repertoire van farmaceutische interventies kreeg pas weer een opleving in de jaren negentig van de vorige eeuw bij de introductie van naltrexon, dat wordt toegepast bij afhankelijkheid van alcohol en opiaten, en acamprosaat, voor de afhankelijkheid van alcohol. Bijzonder aan deze stoffen is dat ze invloed uitoefenen op het verslavingsproces in engere zin: ze beïnvloeden de systemen voor motivatie en hoe de hersenen impulsief gedrag reguleren. Hierdoor kan de hunkering naar het gebruik van stoffen als alcohol of drugs worden beperkt. Net als met disulfiram het geval is, geldt echter ook voor deze middelen dat ze een breder behandelaanbod ondersteunen, maar dat ze zelden los daarvan voldoende effectief zijn.

Al eerder, in de jaren zestig van de vorige eeuw, werd er in de VS een nieuwe methode ontwikkeld en getest: de substitutiebehandeling van drugs. Er werd geëxperimenteerd met methadononderhoudsprogramma’s, en tot op de dag van vandaag worden die op veel plaatsen in de wereld, in het bijzonder ook in Nederland, toegepast. Methadon is een synthetisch opiaat.

In de loop der jaren is de medicamenteuze behandeling van de ontwenning van alcohol en drugs steeds meer verfijnd en in richtlijnen vastgelegd. Voor alcoholverslaving zijn er stoffen die helpen bij de behandeling van onthoudingsverschijnselen, waardoor ze bijvoorbeeld insulten of delirium tremens kunnen voorkomen, en stoffen die terugval voorkomen of de kans daarop verminderen.

De meeste methoden zijn inmiddels goed getest bij talloze doelgroepen. Het onderzoek staat niet stil en het is te verwachten dat er de komende jaren meer middelen beschikbaar zullen komen die mogelijk effectiever zijn, met minder bijwerkingen. Een veelbelovende stof is bijvoorbeeld topiramaat (dat migraineaanvallen en epileptische aanvallen voorkomt), dat is getest bij alcohol, cocaïne en cannabis. Maar ook deze stof heeft ongewenste bijwerkingen.

Verslavingsartsen worden tegenwoordig goed opgeleid en geregeld voorzien van nieuwe kennis en behandelprotocollen voor farmacotherapie. Maar het verlangen naar ‘die ene pil’ die alle problemen rondom verslaving oplost, is hoogstwaarschijnlijk een ijdele hoop.

Publicatiedatum: 25-05-2016
Datum laatste wijziging :06-10-2016
Auteur(s): Jaap van der Stel,
Literatuur
  • Esser, P.H. (1960), Alcoholisme. Kampen: J.H. Kok.
  • Gezondheidsraad (2012), Medicamenteuze interventies bij drugverslaving.  Den Haag: Gezondheidsraad.
  • Externe link Stel, J. van der (2010), De verslavingszorg voorbij. Houten: BSL.
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste