1992 Wim van den Brink benoemd als hoogleraar verslavingszorg
Wetenschappelijk onderzoek
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In 1992 werd de arts-epidemioloog Wim van den Brink (1952) bij de Universiteit van Amsterdam aangesteld als de eerste hoogleraar verslavingszorg in Nederland. Voor die tijd had er wel epidemiologisch en dierexperimenteel onderzoek plaatsgevonden, maar systematisch onderzoek naar verslaving en verslavingsgedrag bij mensen vond nog sporadisch plaats. In 1993 werd het AIAR (Amsterdam Institute for Addiction Research) opgericht. Dit instituut heeft een belangrijke rol gespeeld in het klinisch wetenschappelijk onderzoek. Later volgden er meer hoogleraarsbenoemingen en instituten, onder anderen de psycholoog Gerard Schippers (eveneens bij het AIAR in Amsterdam, gefinancierd door de instellingen Jellinek en Brijder, 1947), de arts en psychotherapeut Cor de Jong (NISPA in Nijmegen, 1950) en de gezondheidswetenschapper Dike van de Mheen (IVO, Rotterdam, 1963).

Historisch gezien zijn er vóór de jaren zeventig van de twintigste eeuw maar weinig Nederlandse publicaties verschenen die een wetenschappelijke pretentie hadden. De bekende zeventiende-eeuwse arts Johan van Beverwijck besteedde in zijn boeken aandacht aan dronkenschap. Hij noemde het een Rasernije zonder Koortsche. Herman Boerhaave, in dezelfde eeuw, noemde het overmatig drinken een ‘ziekte van het zenuwstelsel’. Wellicht het eerste Nederlandse proefschrift over drankzucht werd geschreven door Johannes Henricus Dürcks en in 1776 verdedigd in Leiden. Hij typeerde drankzucht als een ‘vrijwillige verdwazing’. Vermeldenswaard is verder het werk van Matthias van Geuns. Hij beschreef in 1801 de gevolgen van het toenemende gebruik van sterkedrank voor de gezondheid en het maatschappelijk welzijn in Nederland. Ook het proefschrift van J. van Delden is vermeldenswaard. Hij beschreef in 1889 de samenhang tussen dronkenschap en krankzinnigheid (zoals alcoholpsychosen, paralysis generalis en alcoholepilepsie). Tot slot is het niet onbelangrijk te wijzen op de studies van professor K. Herman Bouman. Hij was een van de oprichters van het consultatiebureau in Amsterdam in het begin van de twintigste eeuw. Voor hem was onderzoek doen heel belangrijk. Hij verrichtte in die begintijd onder andere een studie naar het alcoholisme bij vrouwen en naar de relatie tussen alcohol, criminaliteit en psychosen.

Bij elkaar genomen heeft in Nederland het wetenschappelijk onderzoek naar verslaving en daaraan gerelateerde problemen heel lang op een laag pitje gestaan. Weliswaar bestond al sinds 1961 in Amsterdam de SWOAD (Stichting voor Wetenschappelijk Onderzoek naar Alcohol en Drugs; directeur: H.J. van der Wal), dat in 1986 was opgegaan in het NIAD (Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs), dat zelf in 1996 weer onderdeel werd van het Trimbos-instituut. Maar het beantwoordde vooral vragen uitgaande van bestaande kennis. Het eerstgenoemde centrum werd in 1961 opgericht op initiatief van de directeur van het Amsterdamse consultatiebureau (H.J. Krauweel). Het instituut kreeg een indrukwekkend curatorium van zo’n tien hoogleraren, maar het lukte niet om de universiteiten voor het onderzoek naar alcoholisme te interesseren. En de consultatiebureaus werden al snel kopschuw toen een onderzoek werd gestart naar de kenmerken van hun cliënten. Onafhankelijk onderzoek stuitte nog op veel weerstand.

In Nederland was de hoogleraar sociologie Ivan Gadourek (1923-2013) in 1963 de eerste die een gedegen empirisch onderzoek deed naar de drinkgewoontes. Het onderzoek bevestigde het vermoeden dat het thuisdrinken was toegenomen. Een ietwat vergelijkbaar onderzoek werd vanaf 1967 uitgevoerd door H. Cohen. Hij ging na welke middelen werden gebruikt, wie er gebruikten, in welke sociale context er werd gebruikt en of de stepping-stone-hypothese (het gebruik gaat van kwaad tot erger) op waarheid berustte.

Vanaf de jaren tachtig en negentig zien we een stijgend aantal onderzoekingen in Nederland naar het gebruik van drugs. In het algemeen was onderzoek naar drugs in deze tijd veel populairder dan naar alcohol. In de loop van de jaren negentig en in de eenentwintigste eeuw wordt er steeds vaker systematisch onderzoek gedaan naar de effecten van behandelingen en zorgregimes. Tezamen met de uitkomsten van internationale onderzoekingen hebben de uitkomsten daarvan hun weg gevonden in behandelrichtlijnen en het beleid. Sinds het begin van de eenentwintigste eeuw vindt er in Nederland ook bij mensen neurobiologisch en -psychologisch onderzoek plaats naar het verslavingsmechanisme. Een belangrijke impuls voor het verslavingsonderzoek vormden twee meerjarige programma’s van ZonMw naar verslaving, risicogedrag en afhankelijkheid. Er werden tientallen projecten gesubsidieerd. Dit resulteerde in een groot aantal publicaties over mechanismen en effectieve interventies.

Vermeldenswaard is verder het succesvolle experiment naar de medische verstrekking van heroïne. Maar niet elk project verloopt succesvol. Recent startte het AMC een experiment met diepe hersenstimulatie bij chronische verslaafden aan heroïne. De positieve resultaten met ingrijpende behandeling van patiënten met obsessief compulsieve stoornis konden niet worden gerepliceerd. Het lukte niet om voldoende patiënten te includeren.

Het is moeilijk om goed te voorspellen waar het onderzoek in de verslavingszorg de komende tien of twintig jaar toe zal leiden. Als we kijken naar het onderzoek in de geneeskunde en de psychiatrie dan is het aannemelijk dat er nog meer studies zullen worden verricht naar de neuropsychologische en neurobiologische mechanismen van verslaving. Ook is het te verwachten dat het paradigma van de gepersonaliseerde geneeskunde betekenis zal krijgen in het klinisch onderzoek rondom verslaving. We weten dat behandelingen vaak maar bij een deel van de cliënten of patiënten effectief zijn. Dat kan te maken hebben met de fase van het verslavingsproces, de individuele kenmerken (zoals genetische aanleg, leeftijd of geslacht) of persoonlijke voorkeuren. Het is goed mogelijk dat er betere resultaten kunnen worden bereikt met de bestaande interventies, mits we in staat zijn om preciezer vast te stellen bij wie wat, wanneer en hoe werkt.

Publicatiedatum: 25-05-2016
Datum laatste wijziging :13-11-2016
Auteur(s): Jaap van der Stel,
Literatuur
  • Brink, W. van den & Schippers, G.M. (2008), Verslaving en verslavingszorg.  In: Tijdschrift voor Psychiatrie, 50, 91-97.
  • Brink, W. van den & Schippers, G.M. (2012), Stagering en profilering bij verslaving. In: Tijdschrift voor Psychiatrie, 54, 941-948.
  • Cohen, H. (1975), Drugs, druggebruikers en drug-scene.  Alphen aan den Rijn: Samsom.
  • Gadourek, I. (1963), Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn.  Een structureel-sociologische analyse van het roken en het drinken alsmede van enkele maatschappelijke aspecten van het zich psychisch wel-bevinden bij een steekproef uit de Nederlandse bevolking. Groningen: Wolters.
  • Luigjes, J. et al (2015), Is deep brain stimulation a treatment option for addiction? In: Addiction, 110, 547-548.
  • Schippers, G.M. (2000), De dynamiek in verslaving.  Rede in verkorte vorm uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Verslavingsgedrag en Zorgevaluatie aan de Universiteit van Amsterdam op 18 mei 2000.
  • Stel, J. van der (1995), Drinken, drank en dronkenschap. Vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland.  Hilversum: Verloren.
  • PDF document ZonMw (2009), Oog(st) voor de toekomst. Resultaten van onderzoek uit de ZonMw programma’s Verslaving en Risicogedrag en Afhankelijkheid.  Den Haag: ZonMw.
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste