1901 Leerplichtwet
Startpunt buitengewoon lager onderwijs
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
De eerste leerplichtwet in Nederland werd op 30 maart 1900 met een meerderheid van één stem in de Tweede Kamer aangenomen. De meerderheid ontstond doordat een tegenstander (graaf Francis David Schimmelpenninck) van zijn paard was gevallen en daardoor niet kon stemmen. ‘Het paard is verstandiger dan zijn meester’, grapten de voorstanders van de wet. De wet trad op 1 januari 1901 in werking. Met name vanuit confessionele hoek was er verzet omdat het confessionele onderwijs weinig tot geen subsidie kreeg.
Door de leerplicht en door de financiële gelijkstelling binnen het gewoon lager onderwijs ontstonden er echter wel mogelijkheden voor de ontwikkeling van het buitengewoon lager onderwijs, het huidige speciaal basisonderwijs. De leerplichtwet wordt dan ook als startpunt gezien voor het buitengewoon lager onderwijs en het huidige gedifferentieerde speciaal onderwijs, ook al bestonden de eerste initiatieven, klassen en scholen al van vóór de eeuwwisseling.

Dat had uiteindelijk ook iets dubbelzinnigs. Het aanbod bleek ook een vraag te scheppen. Ruim een halve eeuw later wees Van Liefland, hoofd van een toen zogeheten imbecielenschool te Groningen en veel gelezen schrijver van verschillende boekjes over het buitengewoon onderwijs, daarop in een veel geciteerde uitspraak: ‘Het klinkt als een paradox, maar het is niettemin een feit, dat de leerplicht de belangrijkste oorzaak is geweest voor de ontstellende toename van de zwakzinnigheid. Die schiep niet alleen de debielenschool, maar ook de tienduizenden debielen zelf.’

Bron van aanhoudende zorg
De leerplichtwet verplichtte kinderen van 6 tot 12 jaar tot het volgen van onderwijs, maar het aantal leerling nam door deze wet niet veel toe. De leerplichtwet vormde een logische voltooiing van het proces naar schoolse vorming voor álle kinderen. Er kwam meer aandacht voor schoolverzuim, schoolhygiëne (zie venster schoolarts Van Voorthuijzen), en er werden tegelijkertijd ook een drietal (kinder)wetten aangenomen, waarin de burgerrechtelijke, strafrechtelijke en uitvoerende aspecten van de overheidszorg voor kinderen waren geregeld. Met de leerplicht werd de eerste stap gezet naar onderwijs dat tot op de dag van vandaag ‘een bron van aanhoudende zorg’ is geworden en waarin de witte jassen en de zwarte toga’s ook intrede in de school maakten.

De invoering van de leerplicht had dus praktisch gezien weinig extra consequenties voor de overgrote meerderheid van de ouders, des te meer evenwel voor de overheid. Elk kind in de schoolgaande leeftijd had hierdoor het recht gekregen onderwijs te ontvangen: zowel het normaal functionerende kind als het kind dat door een lichamelijk of een geestelijk gebrek hulpbehoevend was. Naast de nodige geldmiddelen moest de overheid ook gaan zorgen voor onderwijs van goede kwaliteit aan álle schoolgaande kinderen. Overvolle klassen, ruimtegebrek, tekort aan scholen, aan goed gekwalificeerd onderwijs en aan gedreven onderwijskrachten, onvoldoende school- en leerling hygiëne; er viel nog veel te verbeteren.

Ziels- of lichaamsgebreken
Vanuit onderwijsland wilde men zich nu ook in zijn recht gekend zien om voorzieningen te vragen die volgens onderwijzers voortvloeiden uit een juiste uitvoering van de leerplichtwet. En vooral deze overheidsplicht om geschikte voorzieningen (naast financiële middelen) te treffen, zou voor een groep kinderen onderwijsmogelijkheden moeten scheppen: de kinderen die vanwege ’ziels- of lichaamsgebreken’ of wegens een ’maatschappelijke oorzaak’ niet in staat waren het gewone onderwijs te volgen. Daarmee vormde de leerplichtwet een nieuw onderwijskundig vraagstuk voor een groep kinderen, zij het dan vooral als storende elementen in de toch al overvolle klassen.

Tekenend voor de situatie in de eerste decennia na de leerplichtwet is een brief geschreven door een ‘arrondissementschoolopziener’ [voorloper van de tegenwoordige onderwijsinspecteur, DG] aan toenmalig minister Cort van der Linden: ‘Bij een bezoek, dat ik onlangs aan de openbare lagere school voor minvermogenden te Brielle bracht, werd mij medegedeeld, dat van de 43 leerlingen van het jongste leerjaar, 15 niet konden bevorderd worden. Als reden daarvan werd mij opgegeven de stoornis veroorzaakt door een vijftal idiote [licht verstandelijk gehandicapte, DG] leerlingen. Ook in de openbare lagere school voor meergegoeden beklaagde de onderwijzeres in het jongste leerjaar zich erover, dat een idioot kind het onderwijs onmogelijk maakte’. Gevraagd werd de kinderen ontheffing van de leerplicht te geven om ze aldus van deze scholen te kunnen verwijderen. In dit specifieke geval, maar ook in vele andere beschreven gevallen, wordt de nadruk gelegd op de last die abnormale kinderen bij de ontwikkeling van normale kinderen veroorzaakten – een argument overigens dat tot op de dag van vandaag wordt ingebracht tegen pogingen om inclusief onderwijs te realiseren.

Los van gewoon onderwijs
Beleidsmakers van toen benadrukte daarnaast ook het pedagogische belang voor het verstandelijk beperkte kind. In een lijvig rapport van het ministerie van onderwijs uit 1910 staat: ‘Op gewone scholen komt van de [zwakzinnige] kinderen meestal niets terecht, op de speciale scholen dikwels iets, ofschoon men zich hoeden moet voor te hoge verwachtingen’. Dergelijke omstandigheden hebben de groei van het speciaal basisonderwijs in het begin van de twintigste eeuw in een stroomversnelling gebracht.

De overheid koos in de pioniersfase van het speciaal basisonderwijs aan zwakzinnige kinderen uiteindelijk voor een onderwijsstructuur los van het gewoon basisonderwijs. Zo zou dit onderwijs voortaan niet meer gebonden hoeven te zijn aan de bepalingen ten aanzien van het reguliere onderwijs en zijn eigen ontwikkeling kunnen nemen. Het gold met name de bepalingen over de te geven vakken, het aantal leerlingen per klas en de inspectie. De groep kinderen met een verstandelijke beperking werd zo onttrokken aan het gewone onderwijs en er kon meer ruimte ontstaan voor onderwijsexperimenten en voor financiële steun aan bestaande speciaal onderwijsinstellingen.

Tegenstelling duidelijker
De leerplicht was daarmee de eerste wettelijke regeling, welke de groei van het speciaal basisonderwijs - in dit geval het onderwijs aan kinderen met een verstandelijke beperking - wenselijk en mogelijk heeft gemaakt. Door het verplichte schoolgaan kwam de tegenstelling tussen kinderen met normaal en die met afwijkend gedrag duidelijker tot uitdrukking, waarbij het wel of niet mee kunnen komen met de klas maatstaf was. Juist in de eerste decennia ná de leerplichtwet zijn de grootste stappen gezet in de ontwikkeling van het onderwijs aan zorgenkinderen, zoals de toenemende *differentiëring en segregatie van kinderen die niet mee kunnen komen. De discussie over wat beter zou zijn: inclusief onderwijs, samen naar school of exclusief onderwijs, aparte scholen voor speciaal onderwijs of juist passend onderwijs, kwam tegelijkertijd op gang en zet zich tot op heden zonder eindstandpunt voort.

Publicatiedatum: 06-06-2020
Auteur(s): Dorien Graas,
Verwante vensters
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste