1915 Psychopatenschool
De onstuitbare groei van het aantal kinderen met gedragsproblematiek – cluster 4
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
De Leerplichtwet uit 1901 confronteerde het lager onderwijs niet alleen met ‘achterlijke’ en ‘zwakzinnige’ kinderen, ook wel aangeduid als ‘geestelijk misdeeld’, maar ook met kinderen waarmee in verstandelijke zin eigenlijk weinig mis was. Alleen vertoonden zij wel gedrag waar de onderwijzers geen raad mee wisten. Met hun ‘vuilpraterij, agressiviteit, luiheid, oneerlijkheid in woord en daad, zwerfzucht en (sexueel) wangedrag’ was vaak geen land te bezeilen. Dat probleem speelde vooral in volgepakte volksbuurten en betrof vaak al wat oudere jongens die de leerplichtige leeftijd van twaalf jaar naderden. De kinderbescherming had er de handen vol aan. Het onderwijs brandde er verder zijn handen niet aan. Met één uitzondering: in Rotterdam trok de christelijke onderwijzer Daniël Zwiep zich het lot van deze jongeren aan.

August Hermann Francke-school
Daniël Zwiep begon in 1911 met een vorm van naschoolse opvang in de vorm van een soort hobbyclub, die hij snel uitbouwde tot een avondschool, om vervolgens in 1915 een dagschool op te richten: de August Hermann Francke-school, vernoemd naar een pedagoog uit de 17e eeuw, die zich in Halle in Duitsland had ingespannen voor de opvang van verwaarloosde kinderen. Deze school, grotendeels gefinancierd door christelijke vereniging ’Zoekt het Verlorene’, stond in de volksmond, maar ook in onderwijzerskringen, al snel bekend als Psychopatenschool. Kenmerken die psychiaters in deze tijd aan psychopatische volwassenen toeschreven, zoals onevenwichtigheid, leugenachtigheid, oneerlijkheid, geen moreel besef, meenden de deskundigen ook bij deze kinderen te zien.
Vanaf het begin beoordeelde ook een psychiater de aanmeldingen, zodat alleen jongens met uitgesproken psychopatische neigingen toegelaten zouden worden. Vanwege het beperkte aantal leerlingen op de A. H. Franckeschool werden echter ook kinderen toegelaten, die verstandelijk achter bleven en er eigenlijk niet thuishoorden. Ter rechtvaardiging kregen deze kinderen het stempel ’zwakzinnig psychopaat’ toegekend.

Jongensinternaat
Voor Daniël Zwiep was al snel duidelijk dat dagonderwijs voor de meeste jongens niet voldoende soelaas bood. ’In de huiselijke kring wordt maar al te vaak afgebroken wat op den school is opgebouwd’. Hij besloot de jongens op te vangen in een internaat, niet zoals toen gebruikelijk weggestopt op het platteland, maar midden in de stad om niet van het gezin en het stedelijk leven vervreemd te raken. In 1922 werd het eerste jongensinternaat, aan de Westersingel, geopend, in 1930 volgde een tweede waarin alleen jongens in de leeftijd van 14 tot 21 jaar werden ondergebracht. Een jaar later kwam er nog een internaat bij, ditmaal bestemd voor psychopatische meisjes. Daniel Zwiep maakte dat alles niet meer mee. Hij overleed voor de opening van het eerste internaat en werd opgevolgd door Klaas de Bloois die tot ver in de jaren vijftig verbonden zou blijven aan de A.H. Francke-school. Het duurde overigens tot 1936 voordat er in Nederland een tweede Psychopatenschool werd geopend. De belangrijkste reden daarvoor was dat onderwijs aan deze groep kinderen lange tijd niet erkend werd als een vorm van buitengewoon onderwijs. Voor een gewone school waren de aantallen weer te gering, waardoor de gemeente Rotterdam en de Vereniging Zoekt het verlorene elk jaar moesten bijpassen. De vereniging collecteerde regelmatig om de benodigde gelden bij elkaar te krijgen.

ZMOK
Pas in 1931 werd bij Koninklijk Besluit ook het onderwijs aan kinderen met deze gedragsproblemen erkend, met als gevolg dat ook Amsterdam in 1936 een Psychopatenschool opende, de A.H. Gerbrandschool aan de Valentijnkade. De term Psychopaat begon toen al wat in diskrediet te raken. Het waren immers niet zozeer vermeende karaktereigenschappen van kinderen die het probleem veroorzaakten, maar ook de sociale en opvoedkundige omstandigheden waarin zij opgroeiden. Dat inzicht vertaalt zich in het Konink­lijk Besluit in 1949, waarin nieuwe onderwijstypen worden geïntroduceerd, zoals school voor kinderen met leer- en opvoedings­moeilijkhe­den (LOM) en de school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK), een omschrijving die de term Psychopaten­school definitief naar de geschiedenisboeken verwijst.
Vanaf dat besluit begint het onderwijs aan kinderen met gedragsproblemen aan een gestage groei die tot op de dag vandaag lijkt door te gaan. Tussen 1950 en 1986 neemt het aantal kinderen op LOM-scholen toe van 472 naar 40.092 en het aantal kinderen op een ZMOK-school van 705 naar 5221. Het aantal ZMOK-scholen is dan inmiddels gegroeid van twee in 1940 naar ruim zeventig eind jaren tachtig. Of dat een wenselijke ontwikkeling is een vraag die vanaf het verschijnen van de Contourennota in 1975 steeds meer discussie oproept.

Cluster-4
Sinds 1998 zijn de afkortingen LOM en ZMOK in onbruik geraakt. Het speciaal onderwijs voor deze kinderen met opvoedings- en gedragsproblemen wordt vanaf dat jaar ondergebracht in cluster 4-scholen voor leerlingen tussen de vijf en twintig jaar, waarvoor sinds 2014 regionale samenwerkingsverbanden verantwoordelijk zijn. Zij beoordelen of kinderen aangewezen zijn voor deze vorm van speciaal onderwijs en geven daarvoor een toelaatbaarheidsverklaring (tlv) af. Wat opvalt is dat de terminologie die in 1915 nog werd gebruikt (agressiviteit, seksueel wangedrag, liegen) inmiddels totaal is verdwenen. Niet dat de kinderen niet meer agressief, brutaal, onberekenbaar of opvliegend zijn, dat zijn ze in veel gevallen nog steeds, maar voor hun gedrag zijn in de loop van de vorige eeuw steeds specifiekere verklaringen gekomen. Zo wordt er een onderscheid gemaakt tussen externaliserende gedragsstoornissen, gedrag dat nog het meeste weg heeft van het gedrag van jongens waarmee Daniel Zwiep honderd jaar geleden aan de slag ging, en internaliserende gedragsstoornissen, in zichzelf gekeerd gedrag wat vaker door meisjes dan jongens wordt vertoond. Daar horen weer steeds fijnere diagnoses en beoordelingen bij op het autismespectrum en etiketten als ADHD, ODD, CD , PDD-NOS en syndroom van Asperger.

Combinatie onderwijs jeugdhulp
Voor alle uitingen is een steeds gerichte onderwijsaanpak ontwikkeld, in kleine groepen met veel individuele aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling en nogal eens gecombineerd met professionele jeugdhulp. De combinatie van onderwijs en professionele jeugdhulp krijgt het meest intensief vorm in Pedalogische Instituten, waarvan de eerste drie in de jaren dertig ontstonden en waarvan Nederland er momenteel zeven telt. Hier worden kinderen geholpen met zeer ernstige leerproblemen, gedragsproblemen of emotionele problemen.

Zo kan het dus verkeren. Waar kinderen met gedragsproblemen in het begin van de vorige eeuw nog een buitenbeentje vormen, vormen ze tegenwoordig de grootste groep binnen het speciaal onderwijs. Aan de materiële levensomstandigheden kan het niet liggen, die zijn in vergelijking met honderd jaar geleden enorm verbeterd. Over waar het wel aan ligt worden steeds vaker heftige discussies gevoerd. Zijn we te bezorgd? Stellen ouders te hoge eisen? Delen we te gemakkelijk etiketten uit? Stoot het reguliere onderwijs te gemakkelijk lastige kinderen uit?

Publicatiedatum: 03-11-2020
Datum laatste wijziging :26-11-2020
Auteur(s): Jos van der Lans,
Verwante vensters
Extra Internaatscholen
Het idee van Daniel Zwiep om jongeren weg te halen uit hun thuissituatie en in internaten onderwijs te bieden was niet helemaal nieuw. In feite gebeurde dat al op inrichtingsterreinen als die van ’s Heerenloo, waar kinderen vanaf 1891 op het terrein onderwijs volgden. Dat voorbeeld werd op verschillende andere plaatsen in het land gevolgd – onderwijs was daarbij een onderdeel van het internaatsleven, waarbij de financiering nogal eens door elkaar liep. Nog steeds zijn er op een aantal oude instellingsterreinen aparte sopeciaal onderwijs scholen, zoals bijvoorbeeld het Emauscollege op het terrein van ’s Heerenloo, maar het volgen van het onderwijs en het verblijf in de elders op het terrein gelegen residentiele voorziening wordt uit verschillende financieringsbronnen bekostigd.
Literatuur
  • Nelleke Bakker (2016), Kwetsbare kinderen. De groei van professionele zorg voor de jeugd. Assen: Van Gorcum, p. 215-228.
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste