1915 Dr A. van Voorthuijsen
De invloed van schoolartsen
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
De selectie van kinderen voor het zwakzinnigenonderwijs was begin twintigste eeuw niet eenvoudig. Zwakzinnigenscholen waren bedoeld voor een selecte groep verstandelijk beperkte kinderen, de ‘debielen’. Debielen – de term ‘debiel’ is afgeleid van de medische term ‘debilitas mentis’ – waren ‘wezenlijk achterlijk’, maar hun verstandelijke beperking was zo gering dat deze vaak pas op de lagere school aan het licht kwam. Omdat het gehanteerde toelatingscriterium aanvankelijk meer medisch van aard was dan pedagogisch, raakten artsen betrokken bij de selectie voor het zwakzinnigenonderwijs. Aanvankelijk namen psychiaters zitting in de toelatingscommissies, maar met het snel groeiende aantal scholen voor buitengewoon onderwijs waren het schoolartsen die deze rol overnamen. Zij werden in samenspraak met het hoofd van de school belast met de selectie van leerlingen. Al snel, omstreeks 1910, gingen zij hierbij gebruikmaken van intelligentietests.

Medisch-psychologische blik
Een schoolarts die met name indruk heeft gemaakt binnen de geschiedenis van het speciaal onderwijs, is Dr. A. van Voorthuijsen (1872-1952). Van Voorthuijsen werd in 1910 aangesteld als schoolarts in Groningen en ijverde daar vanaf het begin voor de oprichting van een school voor Buiten Gewoon Lager Onderwijs, een school die in 1915 daadwerkelijk tot stand kwam. Hij was betrokken bij cursussen voor onderwijzers van dergelijke scholen, schreef veel over deze vorm van onderwijs en werd in 1920 gevraagd de eerste Inspecteur voor het Buitengewoon Onderwijs te worden, een functie die hij van 1921 tot en met 1937 vervulde en waarin zijn medisch-psychologische blik duidelijk zichtbaar was.
Wie de vele artikelen en rapporten van zijn hand bekijkt, komt tot de conclusie dat Van Voorthuijsen de invloed van medici op het buitengewoon onderwijs wilde vergroten en de onderwijzers meer medisch en psychologisch wilde leren denken. Voor Van Voorthuijsen en andere (school)artsen, zoals dr. D. Herderschêe, was het bijvoorbeeld evident dat de arts een belangrijke rol bij de selectie moest blijven spelen. Zij deden de fysieke medische keuring, maar namen vooral ook als deskundigen het voortouw bij het afnemen van de psychologische Binet-Herderschêe-test. Met dit instrument, ontwikkeld door Herderschêe, kon in zeer korte tijd zwakzinnigheid worden gediagnosticeerd, wat gezien het plaatsingscriterium voor het zwakzinnigenonderwijs erg belangrijk was.

Achterhoedegevecht
In buitengewoon onderwijskringen was vanaf de jaren dertig lang niet iedereen meer overtuigd van de noodzaak van psychologisch onderzoek door een arts. Onderwijzers en schoolhoofden vroegen zich af waarom het intelligentieonderzoek niet gewoon aan het schoolhoofd overgelaten kon worden. ‘Onze conclusie luidt: Het intelligentie-onderzoek geschiedt door de paedagoog’, schreven zij in 1937 in een rapport.
De arts Van Voorthuijsen had voor dit standpunt geen goed woord over. In zijn rapport De keuze van de leerlingen der scholen voor zwakzinnigen (1939) – hij was op dat moment adviseur van de minister van onderwijs – schreef hij: ‘Men kan er geen vrede mee hebben, dat de rol van den geneesheer bij het onderzoek zich beperkt tot het geven van enkele inlichtingen over de lichamelijke toestand. De plaatsing van een kind op een school voor buitengewoon onderwijs is voor het verdere leven van het kind zo belangrijk, dat alleen na nauwkeurig afwegen van de argumenten, welke pleiten vóór en tegen de toelating, de beslissing mag worden genomen’.
Het bleek een achterhoedegevecht. Onderwijzers vonden dat de uitslag van de Binet-Herderschêe-test te weinig informatie opleverde om direct na plaatsing adequaat aan de slag te kunnen. De diagnose ‘debiel’ gaf slechts aan dat het kind een verstandelijke beperking had, maar vertelde niets over de leerproblemen en ontwikkelingsmogelijkheden van het kind. Eigenlijk, zo betoogden zij, zou de pedagogische hulpvraag van het kind al tijdens het toelatingsonderzoek centraal moeten staan en zo geschiede.

Kinderpsychiaters
Doordat het medische aspect duidelijker in dienst kwam te staan van de pedagogische diagnose en ‘nieuwe’ professionals zoals psychologen en orthopedagogen het alleenrecht op het psychologisch onderzoek claimden, verloren (school)artsen invloed binnen de toelatingscommissies. In plaats van schoolartsen verwoordden steeds vaker kinderpsychiaters als dr. Th. Hart de Ruyter en Grewel het medische standpunt in het Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs. Het duurde echter tot 1972 voor de psycholoog per Koninklijk Besluit aan de toelatingscommissie voor het zwakzinnigenonderwijs werd toegevoegd. Dit Koninklijk Besluit sprak overigens van een ‘psycholoog of orthopedagoog met testbevoegdheid’ als derde commissielid. De orthopedagogen hadden zich intussen het testen ook eigen gemaakt. Met deze wetswijziging was de eens zo voorname rol van de schoolarts bij de selectie voor het zwakzinnigenonderwijs definitief uitgespeeld.

Toelaatbaarheidsverklaring
Vandaag de dag wordt nog altijd beoordeeld of een kind voldoet aan de instroomeisen voor het speciaal (basis)onderwijs. Hiervoor wordt een toelaatbaarheidsverklaring aangevraagd bij het samenwerkingsverband waar de school deel van uit maakt. Er is dan in ieder geval een ontwikkelingsperspectief opgesteld. Het samenwerkingsverband is in ieder geval verplicht om zich bij de beslissing te laten adviseren door twee deskundigen over passende ondersteuning voor uw kind. De eerste is een orthopedagoog of een psycholoog. De tweede deskundige is een psycholoog, pedagoog, maatschappelijk werker, arts of kinderpsychiater. Wie de tweede deskundige is, hangt af van de hulpvraag van het kind. Geheel verdwenen is de arts dus niet.

Publicatiedatum: 10-03-2020
Datum laatste wijziging :03-06-2020
Auteur(s): Fedor de Beer,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Fedor de Beer (2004), ’Van hoofdrolspeler tot figurant. De Nederlandse schoolarts en de selectie voor het zwakzinnigenonderwijs’ , in: M. Rietveld-van Wingerden e.a. (red.), Zorgenkinderen in beeld. Facetten van de orthopedagogische praktijk in Nederland en België in de negentiende en twintigste eeuw. Assen: Van Gorcum, pp. 86-107.
  • PDF document Fedor de Beer (2008), ’De selectie voor het zwakzinnigenonderwijs’  , in F. de Beer,Witte jassen in de klas. De schoolarts in Nederland ca. 1895-1965. Assen: Van Gorcum.
  • PDF document Jan Brandsma (2011), ’Dr. A. van Voorthuijsen (1872 - 1952)’ , in: Tijdschrift voor Orthopedagogiek jrg. 50, p. 603-620
  • Dorien Graas (1996), ’Zwakzinnigenscholen: toelatingscriteria en intelligentieonderzoek’ , in D. Graas, Zorgenkinderen op school. Geschiedenis van het speciaal onderwijs in Nederland. Dissertatie, Leuven-Apeldoorn: Garant, pp. 197-216.
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste