1896 De bijklasse van Meester Köhler
Het begin van het buitengewoon onderwijs
  homepage
Aan het einde van de negentiende eeuw gingen in Nederland bijna alle kinderen naar school. Hierdoor werd duidelijk dat een deel van die kinderen het onderwijs, dat steeds meer gestandaardiseerd werd, niet of niet goed kon volgen. Zij werden vaak als last beschouwd.
De oplossing was aanvankelijk eenvoudig: omdat er nog geen leerplicht was (ingevoerd per 1 januari 1901), werden deze leerlingen vaak van school verwijderd. Daarbij was de vraag, in hoeverre zij het onderwijs aan de andere kinderen belemmerden of vertraagden leidend.
Voor een aantal onderwijzers was dit onbevredigend. Zij gingen er van uit dat ook deze kinderen leerbaar waren en recht hadden op onderwijs. De Groninger onderwijzer Teunis Hofkamp (1805-1887) was in 1855 één van de eersten die bedacht dat aan deze groep aangepast onderwijs kon worden gegeven toen hij zijn Aanvankelijke oefeningen voor doofstommen en kinderen met zwakke zielsvermogens publiceerde.
Dominee Cornelis Elisa Van Koetsveld (1807-1893) bood dat aangepaste onderwijs ook daadwerkelijk aan: in 1855 startte hij in Den Haag met zijn ‘Idiotenschool’. Dat werd in 1858 omgezet in een internaat en vormde daarmee het startpunt voor de gespecialiseerde zorg aan kinderen met een verstandelijke beperking in Nederland.

Een van de eersten die probeerden deze groep leerlingen passend onderwijs aan te bieden was de Rotterdamse hoofdonderwijzer Daniël Köhler (1863-1918). Ondanks zijn zwakke gezondheid was hij naast het gewone schoolwerk actief om het onderwijs aan achterlijke kinderen te verbeteren. In 1894 discussieerde de Rotterdamse gemeenteraad over het probleem van de talrijke achterlijke kinderen die de lagere scholen bevolkten. Ze werden als verwaarloosd beschouwd en ze belemmerden een goede voortgang van het onderwijs. Over de oplossing verschilden de meningen: moesten ze bij elkaar gebracht worden in speciale klasjes of moest er een aparte school gesticht worden voor deze groep? Maar wat zouden de ouders ervan vinden als hun kind naar een school met zo’n etiket verwezen zou worden? En zouden de kosten niet de pan uit rijzen, temeer omdat ‘achterlijk’ nogal een vaag en ruim begrip was en zulke scholen veel leerlingen zouden kunnen aantrekken?
De gemeenteraad besloot een proef te nemen met een aparte klas (‘bijklasse’), verbonden aan een lagere school waar nogal veel van deze kinderen te vinden waren. Daarbij koesterde men de hoop dat zij na enkele jaren teruggeplaatst zouden kunnen worden in het gewone onderwijs.

Daniël Köhler stelde zijn school beschikbaar voor de proef en startte in 1896 met een ‘bijklasse’, waarin aan deze groep kinderen aangepast onderwijs werd geboden. Die aanpassing bestond er in de eerste plaats uit dat de leerstof zo aanschouwelijk mogelijk aangeboden werd. Ten tweede werd het onderwijs persoonsgericht, zodat de leerkrachten konden inspelen op de stemmingen en capaciteiten van de afzonderlijke leerlingen. ‘Zo min mogelijk generaliseren, zoveel mogelijk individualiseren’ was het parool. Niet elke leerkracht had dat in huis en daarom koos Köhler ervaren leerkrachten uit, die het onderwijs levendig en concreet konden maken, die geduld hadden, toegewijd waren en de kunst verstonden hun goede humeur te behouden. Zij moesten ook op het bord kunnen tekenen, les in handenarbeid kunnen geven en met de leerlingen gymnastiekoefeningen kunnen doen. Köhler pleitte voor een toelage op hun salaris, omdat zij door hun keuze voor deze groep kinderen kansen op promotie binnen het lager onderwijs opgaven.

Het was voor het eerst in Nederland dat kinderen met een leerachterstand of verstandelijke beperking niet uit het onderwijs werden verwijderd. Er kwam een eigen vorm van onderwijs voor hen, zonder dat zij daarvoor in een internaat ondergebracht moesten worden. In de volgende jaren bleef het een onderwerp van discussie of een bijklasse, verbonden aan een school voor gewoon lager onderwijs, wel de juiste plek was voor dit ‘buitengewoon lager onderwijs’ (BLO). In Amsterdam vond men van niet, daar werd in 1899 de eerste zelfstandige ‘dagschool voor achterlijke kinderen’ geopend, met Jan Klootsema als hoofdonderwijzer. Uiteindelijk zou ook de bijklasse van meester Köhler, in 1907, worden omgezet in een zelfstandige school. Voortaan gingen kinderen met een verstandelijke beperking naar een aparte school. Ondertussen roerde K"hler zich ook actief in de landelijke discussie over de ontwikkelinge van het buitengewoon onderwijs. In 1903 nam hij het initiatief tot het oprichten van de Vereeniging van Onderwijzers en Artsen werkzaam aan inrichtingen voor onderwijs aan achterlijke en zenuwzwakke kinderen.

Vanaf 1923 werd ook het onderwijs aan kinderen met visuele en auditieve beperkingen bij het buitengewoon onderwijs ondergebracht. Hiermee begon een trend waarbij al het onderwijs aan ‘afwijkende’ kinderen steeds nauwgezetter van elkaar werd onderscheiden en er steeds meer onderwijsvormen ontstonden. Deze ontwikkeling zou tot in de jaren negentig van de twintigste eeuw voortduren, toen met het idee van Weer samen naar school werd geprobeerd de trend van steeds verdere segregatie in het onderwijs te keren. ‘Buitengewoon onderwijs’ heet inmiddels ‘speciaal onderwijs’, sinds 2014 verrijkt of aangevuld met het zogenaamde ‘passend onderwijs’, wat betekent dat voor elk kind onderwijs op maat geleverd moet kunnen worden, bij voorkeur binnen het reguliere onderwijs. Eigenlijk zoiets als de bijklasse van Meester Köhler.

In het Biografisch Portaal Sociaal Werk zijn van de hand van Jan Brandsma vier biografische schetsen opgenomen van pioniers van het buitengewoon onderwijs: Hermen J. Jacobs (1887 - 1976), Dirk Herderschêe (1877 - 1969), P.H. Schreuders (1876 - 1947 en Adriaan van Voorthuijsen (1871 - 1952)
.
Publicatiedatum: 01-09-2012
Datum laatste wijziging :02-02-2024
Auteur(s): Luc Brants,
Verwante vensters
Extra Jan Klootsema en de orthopedagogiek
Een van de eersten die een systematisch overzicht publiceerde van ‘kindergebreken’ was de adjunct-directeur van het Alkmaarder Rijksopvoedingsgesticht, Jan Klootsema. In Misdeelde kinderen, een inleiding tot de paedagogische pathologie en therapie (1904), beschrijft hij vier groepen ‘misdeelde’ kinderen: 1. idiote en achterlijke kinderen, 2. misdadige kinderen, 3. verwaarloosde kinderen en 4. doofstomme, blinde en epileptische kinderen. Hij legt omstandig uit wanneer kinderen tot een van deze groepen gerekend moeten worden en wat voor zorg en behandeling dan nodig is. Vooral dat laatste sprak aan. Klootsema maakte duidelijk dat opvoeders ook gericht leiding dienden te geven aan de ontwikkeling van kinderen met een probleem. Hiermee legde hij de grondslag voor de ontwikkeling van een orthopedagogiek – het deel van de pedagogiek dat zich bezighoudt met de opvoeding van het afwijkende of gehandicapte kind – waarin rekening wordt gehouden met aard en ernst van het gebrek.
Verder studeren
Literatuur
  homepage