NIEUW
2011 De waardendriehoek
Zorg, veiligheid en autonomie
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Ieder mens heeft recht op een goed leven. Maar daar zitten twee kanten aan: mensen in de maatschappij hebben recht op veiligheid, want dat is een goed leven, maar de persoon die op dat moment de onveiligheid veroorzaakt, die is het ook waard om als persoon bekeken te worden en te kijken: waar zitten jouw pijnpunten.”
Een reclasseringswerker


Al bij de oprichting van het Nederlandsch Genootschap ter Zedelijke Verbetering van Gevangenen in 1823 werd reclassering gezien als gericht op het welzijn van de (ex)gevangene maar ook gericht op de bevordering van de maatschappelijke veiligheid. In de concept-verklaring tot de oprichting van het Genootschap werd dit zo gesteld: “...eene zaak waardoor niet alleen het geluk van vele afzonderlijke personen – maar ook de maatschappelijke veiligheid bevorderd en bevestigd wordt”.

Vooral in de laatste decennia van de twintigste eeuw werd het reclasseringswerk door velen binnen de reclassering opgevat als vrijwillige hulpverlening. Reclasseringswerk werd in de jaren tachtig en negentig sterk bepaald door een afkeer van het justitiële systeem en een aan het welzijnswerk verwante, op maatschappelijke ondersteuning en verandering gerichte aanpak van delinquenten. In dit vraaggerichte werken stond de hulpvraag van een delinquent en diens welzijn centraal in het handelen van de reclasseringswerker, en niet de vraag welke effectieve interventies nodig waren om zijn gedrag te veranderen en daardoor de kans op recidive te verminderen of recidive te voorkomen.

In de afgelopen jaren is daar verandering in gekomen. Door onderzoek ontstond het inzicht dat bij bepaalde, specifieke doelgroepen wel degelijk recidive kon worden teruggedrongen als er sprake was van een goede match tussen delictgedrag, delictbevorderende omstandigheden, de leer(on)mogelijkheden van de dader en het type interventie. Zo verschoof aan het eind van de twintigste eeuw de blik van de reclassering naar ‘het delict centraal’ en zelfs, in 2004, naar ‘het delict als maatstaf’. En de afgelopen jaren is er een beleidsmatige verschuiving geweest van (vrijwillige) hulpverlening naar risicobeheersing en professionalisering van het vak met als trefwoord: ‘werken in gedwongen kader’.

In de reclassering werkten tot voor kort voornamelijk maatschappelijk werkers die waren opgeleid voor het werk op basis van vrijwilligheid: hulp verlenen aan de hulpvrager die uit eigen beweging of op verwijzing naar de hulpverlener komt met een hulpvraag. Deze werkers moesten gaan functioneren in een omgeving die in toenemende mate een punitief karakter kreeg. Zij waren opgeleid voor een beroep met als centrale waarde ‘het tot zijn recht komen van de cliënt in wisselwerking met zijn omgeving’, zoals de beroepscode voor de maatschappelijk werker stelt, terwijl ‘veiligheid’ een politiek dominante waarde is geworden. Niet de veiligheid van de cliënt, maar de veiligheid van anderen. In de Angelsaksische literatuur wordt dit aangeduid met protection of the public. Vaak wordt verondersteld dat door het functioneren op het snijvlak van straf en zorg, er spanning is gaan zitten tussen verschillende waarden. Ervaren de reclasseringswerkers deze spanning en hoe lossen zij die spanning op?

Uit recent onderzoek wordt duidelijk hoe de reclasseringsprofessionals deze spanning tussen waarden zelf duiden en oplossen. Als kernwaarden van hun professie noemen zij er drie: zij realiseren zorg, autonomie en veiligheid:
- Zorg: iemand hulp bieden die er zelf niet uitkomt;
- Autonomie: helpen bij het (her)vinden van de regie over het eigen leven;
- Veiligheid: bijsturen en begrenzen van de cliënt in het belang van anderen.

Een professional handelt daarmee in een complexe situatie, waarbij keuzes moeten worden gemaakt en dilemma’s opgelost. Reclasseringswerk is niet alleen sociaaltechnologisch handelen, het is ook moreel handelen. Het morele aspect van het handelen wordt op veel plekken in de literatuur onderkend. Zo constateert de Australische onderzoeker Chris Trotter dat het vooral in het werk met onvrijwillige cliënten belangrijk is dat de werker een prosociaal rolmodel is, die conventionele waarden uitdraagt. Rob Canton, hoogleraar Community and Criminal Justice in Leicester, UK, noemde in 2007 reclasseringswerk morally significant behavior. De Raad van Europa stelt in haar Probation Rules dat de legitimiteit van het reclasseringswerk niet alleen stoelt op effectiviteit maar ook op mensenrechten.

Dat moraal en waarden belangrijk zijn in het reclasseringswerk wordt dus niet betwist. Welke waarden dat zijn en welke rol die spelen in het werk, dat is aan meer discussie en verandering onderhevig. De vraag die hier aan de orde is, is de vraag naar de kernwaarde van het reclasseringswerk. Een belangrijk kenmerk van een professie is dat zij waardegestuurd is. “Professies bezitten een morele kern, een professional realiseert een humanitaire waarde in een complexe situatie”, aldus filosoof en onderzoeker Ed de Jonge.

Hoe de waarden zorg, autonomie en veiligheid zich tot elkaar verhouden laat zich het best karakteriseren als een driehoek (zie in de linkerkolom). Het gaat om waarden die mogelijk schuren, er kan spanning zijn tussen zorg en autonomie (hoe vindt de werker de goede balans tussen betuttelen en verwaarlozen), tussen zorg en veiligheid en tussen veiligheid en autonomie. Reclasseringswerkers beschrijven zichzelf als balanceerkunstenaars: zij zoeken per geval en per situatie naar het goede evenwicht tussen de drie waarden. Een goede balans tussen de kernwaarden wordt door de werkers benoemd als rechtvaardigheid. In de meeste gevallen zijn de waarden goed met elkaar te combineren, in een enkel geval klemt het en wordt in breder verband (casuïstiekbesprekingen of overleg met het OM) gezocht naar de beste afweging.
Handelen in situaties waar waarden met elkaar schuren en omgaan met morele dilemma’s werd in 2011 geagendeerd op het eerste congres 'Vakmanschap van de reclasseringswerker' en hoort op dit moment bij de basiscompetenties van de reclasseringswerker.

Publicatiedatum: 17-11-2014
Datum laatste wijziging :22-10-2015
Auteur(s): Lous Krechtig,
Verwante vensters
Verder studeren
Literatuur
  • Ed de Jonge (2011), Professionaliteit. Een model van kern en context. Deventer: professionaliteit.nu.
  • Y Voskes, E. Landerweer, G. Widdershoven (2013), Moreel beraad als vorm van reflectie.  In: P. van der Helm, U. Kröger, P. Schaftenaar, J.A. van Vliet (red.) Leefklimaat in de klinische forensische zorg. SWP, 2013, blz. 267- 276.
  • PDF document Mariël Kanne & Ellen Grootoonk (2014), Moresprudentie in de praktijk. Delft: Eburon.
  • Rob Canton (2007), Probation and the Tragedy of Punishment. The Howard Journal of Criminal Justice, Volume 46 Issue 3 Page 236-254, July 2007.
  • PDF document Peter Raynor & Gwen Robinson (2009), Why help offenders? Arguments for rehabilitation as a penal strategy. In: European Journal of Probation. Vol. 1., no. 1, pp. 3-20.
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste