Eigenzinnige pionier Mariet Paes
Eigenzinnige pionier
De biografie van Piet Willems

Stichting Dokumento, Amsterdam, 2019
ISBN 9789090315898
€ 19.95
Bestellen
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste
Speciale CANON-aanbieding!!
Je kunt deze zeer lezenswaardige biografie met korting bestellen door gebruik te maken van onderstaande aanbieding voor Canon-bezoekers. Klik op de afbeelding en stuur een mail met je contactgegevens en als onderwerp ’Canon-aanbieding’.




RECENSIE MENNO HURENKAMP
in: Tijdschrift voor sociale vraagstukken

Piet Willems is zo’n man van wie je hoopt dat hij niet jouw pad kruist maar wel dat van alle anderen. De misschien wel meest beroemde opbouwwerker van Nederland leefde van 1928 tot 2004. Hij begon als landarbeider, vertrok als dienstplichtig soldaat naar Indonesië, en in de decennia daarna ontwikkelde hij zich tot een aanjager van sociale vernieuwing die in Den Bosch ministers en televisieploegen over de vloer kreeg omdat men geïntrigeerd was door zijn werkwijze en opvattingen. Weg met de technocraten, alles voor en vooral ook mét de bewoners, was zijn leidraad. De buurt aan zet, geen plannen van bovenaf! Behalve als de plannen van Piet Willems zelf aan bod kwamen natuurlijk, dan moest er wel even geluisterd worden.

Ten minste drie belangrijke maatschappelijke breuklijnen lopen glashelder door het boek. Allereerst het klassieke emancipatieverhaal: hoe een kind van arme Brabantse boeren zich opwerkt in de maatschappij. Met geloof in eigen kunnen, met diepe overtuiging dat het belangrijk is wat hij doet, met avondcursussen en uiteindelijk zelfs een academisch diploma − en allicht ook behoorlijk geholpen door een alsmaar uitdijende economie waarin redelijk betaalde banen in het algemeen en zeker ook banen in het sociaal werk steeds vanzelfsprekender werden.
Dan is er het minstens even klassieke verhaal over secularisatie en de teloorgang van de (katholieke) kerk. Eerst is er de vanzelfsprekende macht van de pastoor. Om bij de moeder en grootmoeder van Piet Willems onbekommerd aan te dringen op meer kroost. Om lange tochten naar de mis, door weer en wind, voor te schrijven. Om te zeuren over te blote schouders of dansavondjes. Die macht brokkelt snel af na de Tweede Wereldoorlog. En Piet Willems is een van de mensen die in het gat stapt dat hij zelf heeft helpen graven, als een nieuw soort geestelijk leidsman.
Ten slotte is er het verhaal over de opkomst en ondergang van sociaal beleid als techniek. Hoe het vanzelfsprekende paternalisme van de kerk en de traditionele maatschappelijk werkers in de loop van de jaren vijftig en zestig verdrongen wordt door radicale opvattingen. De Latijns-Amerikaanse pedagoog Paolo Freire en de Amerikaanse community worker Saul Alinsky worden een kompas. Maar een belangrijker richtsnoer zijn de stemmen van kwetsbare mensen zelf − wat willen ze dat er gedaan wordt aan tochtige huisjes, ongeletterdheid of criminaliteit? Laat bewoners en niet de leraren of dokters zeggen wat verstandig is om te doen. Piet Willems is daar de ijsbreker van. Alleen krijgt hij nogal wat ambtenaren − op zoek naar een missie − in zijn kielzog, waardoor we nu met oneindig bezoedeld jargon over ‘eigen kracht’ zitten.

Piet is een rare
Mariet Paes (1951) werkte lang samen met of in de buurt van Piet Willems. Dat maakt iemand in principe eerder hagiograaf dan biograaf. Maar Paes spaart hem nergens. Ze benoemt de meest uiteenlopende eigenaardigheden in de levensloop van Willems. Deze gaat zijn hele leven tekeer tegen formele structuren, maar heeft zelf ook nogal wat moeite met rust en regelmaat. Hij is altijd op pad, aan het werk of aan het klaarstaan voor iemand anders. Zijn huwelijksleven is een rommeltje en pas tegen de tijd dat de kinderen volwassen zijn, onderhoudt hij wat duurzamer contact met ze. Zelf op een vaste plek wonen, lukt eigenlijk amper; hij verhuist om de haverklap en overnacht ook wel in zijn auto. Hoe dat gedrag te verklaren is, wordt een beetje aan de lezer overgelaten. Piet is een rare, laat Paes zijn ouders al constateren, anders dan de andere zeven kinderen. In de eerste hoofdstukken schetst Paes het leven aan het begin van de twintigste eeuw op het Brabantse platteland. De familie Willems maakte deel uit van een kleine plattelandsgemeenschap rond ‘de Oerse hut’, op de Oirschotse heide. Het was een zelfvoorzienend leven, met amper contant geld. Ploegen met een enkele koe, afwateringen graven met de hand, jagen op haas en konijn, vissen op paling en baars, hout sprokkelen. De Oerse hut was ook een overnachtingsplek voor marskramers en leurders, die een borrel voor 5 cent konden krijgen. Dat zorgde voor een minimale cashflow. En ’s avonds maar rozenhoedjes bidden.

Je zit er als lezer snel middenin, wanneer Paes beschrijft dat de ‘hutkinderen’ toch een gelukkig leven hebben − altijd buiten, altijd in het bos. En dat Piet Willems liever spijbelde. Tegen de tijd dat de oorlog uitbreekt, is hij twaalf en dan is zijn schoolcarrière wel voorbij. Het is logischer dat hij op de boerderij helpt, en kort na de oorlog krijgt hij een oproep om zich in Indonesië bij het leger te melden. Aan de hand van ontroerend naïeve minnebrieven schetst Paes hoe Willems per post de ene bijna-verloving verbreekt en de andere bijna-verloving aangaat – met meisjes die hij vlak voor de afvaart ontmoette op de kermis. En in Indonesië moet hij opeens achter een bureau zitten, in plaats van de hei omwoelen.
Het organisatietalent dat je nodig hebt om in de schrale Kempen te overleven, functioneert ook als klerk in Indonesië. Misschien wel beter. Terug in Nederland zet hij datzelfde talent eerst voort bij het vrijwilligerswerk rond de katholieke kerk. Hij gaat zelfs nog namens de KVP (de voorloper van het CDA) in de gemeenteraad. Maar hij krijgt daar eigenlijk doorlopend ruzie met iedereen en wijdt zich dan halverwege de jaren zestig aan het maatschappelijk werk. Zijn doel is ‘het onrecht in de samenleving te bestrijden’, de zwijgzame en onmondige mensen zich te laten verzetten. Dan heb je bij de KVP natuurlijk niet veel te zoeken. Maar hij heeft al wel flink status verworven. ‘Oerlenaar P. Willems nu maatschappelijk werker’, kopt een flink stuk uit het Brabants Dagblad in die tijd.

Een doener
Terugkerend element in het verhaal is hoe Willems er slechts met moeite in slaagt de voor het sociaal werk vereiste opleidingen af te ronden, maar het wel telkens voor elkaar krijgt. Hij is een doener, geen denker. Maar veel mensen willen hem graag helpen, en dat geloof je als lezer; zo’n selfmade man met zo’n passie voor zijn eigen omgeving − wie wil nou niet dat hij even dat verrekte papiertje krijgt? Van zijn op latere leeftijd afgeronde studie andragologie heeft nooit iemand een scriptie of een ander splintertje bewijs gezien, bericht Paes. Alleen het diploma, uitgereikt door prof. Wolfgang Beck.
Willems is een charismatische man, overtuigd van de noodzaak tot verandering van onderop en dermate energiek in het verzinnen van plannen én het bewerken van mensen die daar groen licht voor moeten geven dat er veel uit zijn handen komt. Hij trekt in de jaren zeventig het Experimenteel Welzijnsproject (Den Bosch) Oost uit de grond: geen welzijnswerk dat namens de gemeente aan bewoners uitlegt hoe ze een beetje fatsoenlijk moesten leven, maar een activistische club, die openheid voor bijdragen uit de buurt centraal stelt. Een zeker trendgevoel heeft hij wel: hij verruilt niet alleen de KVP voor de PPR (de voorloper van GroenLinks) maar ook jasje-dasje voor baard-kreukels.

Het vallen en opstaan waarmee Willems’ kinderactiviteiten, vrouwenactiviteiten of werklozenactiviteiten tot stand komen, kun je natuurlijk lezen als een voortzetting van diens pionieren tijdens zijn jeugd in het dagelijks leven in de Kempen. Sprokkelen, stropen, spitten. En met hemzelf misschien wel als pastoor. Maar het leest ook als een klassieke gevalsstudie bestuurskunde. De visionaire organisator die het opneemt tegen de gemeente, en die via ruggensteun van gelijkgestemde denkers met intellectuele bagage (Paul Kuypers, directeur van het Brabantse PON) het departement meekrijgt, waarna de lokale overheid morrend overstag moet. En de nieuwe organisatie, die van een afstandje bezien soms het soort kaders lijkt te bieden dat de katholieke kerk ooit bood.
Het project dijt uit, vrijwilligers en studenten uit het hele land melden zich om mee te werken. Willems organiseert alfabetiseringsbijeenkomsten voor de grote groepen mensen die geen letter kunnen lezen, gezondheidsbijeenkomsten voor de mensen die geen idee hebben waarom ze tranquillizers moeten slikken, een advocatencollectief voor de buurt. Als de buurt niet wil dat een school verdwijnt, zorgt Willems voor een bezetting van die school en onderhandelt hij met de wethouder totdat deze kan blijven. Hij heeft de tijdgeest mee – of is misschien wel de tijdgeest. Er worden documentaires over zijn werk gemaakt, minister Elco Brinkman komt begin jaren tachtig zelfs nog even langs.

Grilligheden
Maar in de loop van de tijd blijkt het ‘van onderop’-jargon ook kwetsbaar. Het klinkt allemaal romantisch, maar vrijwilligers hebben nogal eens last van de grilligheden van Willems, die telkens weer nieuwe plannen verzint terwijl de bestaande nog niet gerealiseerd zijn, die ook nogal moeite heeft met agenda’s of het schrijven van beleidsplannen, en al met al zijn plan liever laat bepalen door waar die dag − volgens hem − solidariteit nodig is. De werkwijze is misschien te fragiel om de kerk te vervangen en de staat overbodig te maken.
Bovendien wordt in de jaren tachtig het idee van werken van onderop overgenomen door mensen met andere motieven. De overheid zakelijk laten opereren, het opbouwwerk als informatieorgaan voor de gemeenteraad laten werken, dat kon (en kan) ook wanneer je de taal spreekt van zelforganisatie en zelfredzaamheid. Emancipatie of onrecht bestrijden komt dan weliswaar wat op het tweede plan, maar zolang de mensen maar duidelijk weten te maken aan de overheid wat er speelt, komt het goed. Niks radicaal engagement: de opbouwwerker als communicatiemedewerker. Willems krijgt er letterlijk een infarct van.

Het aantrekkelijke van Eigenzinnige pionier is dat zo’n beetje alle dilemma’s die professionals kunnen ervaren via het wat springerige leven van Piet Willems langskomen. Zoek je de confrontatie met de gevestigde machten of ga je het gesprek aan; zoek je oplossingen via abstractie en theorie of door de hele dag op straat rond te hangen; verklaar je je per definitie solidair met de rafelranden of stel je grenzen aan misbruik of agressie. Maar de lezer krijgt het niet tot zich via het zoveelste doodsaaie ‘handboek sociale professionals’, maar via het godfather-achtige gedrag van Willems, die altijd wel weer geld, een huis of een baantje voor iemand regelt of een ambtenaar weet te intimideren. Als ik een lesboek moest voorschrijven, dan wist ik het wel.
Soms zitten er wat herhalingen in de tekst en soms lopen de zinnen wat houterig. Dan zou je willen dat de eindredacteur nog even flink tekeer was gegaan. Maar dat doet niets af aan de levendigheid en oorspronkelijkheid van het boek: als u rond de feestdagen één boek leest, dan kan het maar beter de biografie van Piet Willems zijn.

Auteur: Menno Hurenkamp

Zie ook het venster over Piet Willems in de Canon samenlevingsopbouw.

Deze bespreking verscheen eerder in het Tijdschrift voor sociale vraagstukken, nr. 4/2019.





Beoordeling redactie:
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste