Jan van der Ploeg



Jan van der Ploeg (1916 - 1986)


openbaar bestuur, opbouwwerk


PvdA-wethouder, die van Rotterdam het grote voorbeeld van geslaagde stadsvernieuwing maakte met een prominente rol voor opbouwwerkers.


* * *


‘O wee de politicus die de geur van gister in de neusgaten heeft!’ Dat zijn de woorden waarmee Jan van der Ploeg zijn laatste column in het weekblad Binnenlands Bestuur besloot. Misschien waren het wel de laatste woorden die hij schreef. De column verscheen in hetzelfde weekend waarin zijn hart – tijdens een kerkdienst in Delfshaven - ophield te kloppen. Typisch Jan van der Ploeg, die boutade over de politicus met versleten neusgaten. Niet dat Van der Ploeg overliep van respect voor types die gemakzuchtig de mode van de dag volgden. Integendeel: hij ironiseerde graag de ’vlotte’ politicus die eerder opvalt door zijn wendbaarheid dan door de authenticiteit van zijn optreden. Maar hij wist ook dat een bestuurder, die de tijdgeest volstrekt negeert, een grote kans heeft te mislukken.
Fragment van een zelfportret, die zin uit zijn laatste column? Zeker is in elk geval dat Van der Ploeg alle veranderingen die zich in de meer dan veertigjarige geschiedenis van de Partij van de Arbeid voltrokken, politiek heeft overleefd. Meer dan dat. Hij groeide en bleef recht overeind. En iemand van het formaat van deze op 22 januari 1916 geboren Rotterdammer kon dan zeker niet over het hoofd worden gezien.

Jonge turken
Voor het eerst heb ik dat ervaren toen ik in het begin van de jaren zeventig als voorzitter van de Partij van de Arbeid moest bemiddelen in een conflict tussen een lid van het toenmalige Rotterdamse college van B. en W. en een aantal ’jonge turken’, dat ontevreden was over zijn aanpak van de stadsvernieuwing. Jan van der Ploeg, toen wethouder van Onderwijs, bleek niet ongevoelig voor nieuwe ideeën, maar keerde zich (en niet alleen omdat hij door het ’collegiaal bestuur’ medeverantwoordelijk was) tegen de neiging om zondebokken aan te wijzen en deze vervolgens af te schieten. De aangevallen collega bleef, vooralsnog, op zijn post.
Vanaf 1974 mocht ik in het vernieuwde Rotterdamse college van B. en W. mede verantwoordelijkheid gaan dragen. Van der Ploeg was toen net, na nieuwe gemeenteraadsverkiezingen, wethouder Stadsvernieuwing geworden. Wethouder van Financiën Riezenkamp, één van de jonge turken van toen, en nu een streng penningmeester, ging voor de door Van der Ploeg gestarte aankoopaktie van oude panden, zij het af en toe niet zonder pompend remmen, tot de bodem van zijn financiële mogelijkheden.
Er werd wat minder gebulldozerd. Er kwam medezeggenschap voor de bevolking via projectgroepen, het opbouwwerk kreeg een prominente rol. Ambtenaren die langdurig het ’ancien regime’ hadden gediend en moeite hadden bij het kiezen van een parallelle richting, ondervonden een niet al te liefdevolle benadering. Gemeentesecretaris en burgemeester moesten wel eens op de aanwezigheid van zachtere handschoenen wijzen. Eerstgenoemde (mr. J.G. Bannink) beschreef in een overigens van grote bewondering getuigend herdenkingsartikel (Trouw 16 december1986) Jan van der Ploeg als iemand ’...die als een stoomwals alle oneffenheden op zijn weg verpulverde. Jan van der Ploeg was hard voor zichzelf en ook voor anderen, wanneer hij onredelijke tegenstand merkte...’.

Vernieuwingselan
Intussen kwam er een nieuwe generatie ambtenaren, geïnspireerd door het vernieuwingselan van Jan van der Ploeg. Zij kregen zijn vertrouwen en ruime bevoegdheden. Naar hen kon hij echt luisteren. Zij konden niet alleen léven met het ongeduld van Jan van der Ploeg, zij deelden het.
Dat ongeduld. Enkelen hebben er schrammen van opgelopen, maar Rotterdam heeft alle aanleiding om er uiterst dankbaar voor te zijn. Zonder die eigenschap zou de verloedering van de stad niet, of in elk geval niet tijdig, tot staan zijn gebracht, zou er niet zo omvangrijk en veelvormig aan de vernieuwing zijn gewerkt. Zou Rotterdam niet het grote voorbeeld van geslaagde stadsvernieuwing zijn geweest, dat zowel nationaal als internationaal aanstekelijk werkte. Met hoeveel plezier en trots leidde Jan van der Ploeg niet zijn talloze binnen- en buitenlandse gasten langs de bouwplaatsen.

Niet de ketting, maar de mens..
Jan van der Ploeg was niet iemand die geloofde dat de echte vernieuwing pas na de ’grote revolutie’, wat die ook mag inhouden, begint. Hij hield niet van schoon klinkende theorieën, met als kenmerk dat ze het blijven. Vaak sprak hij zijn gramschap uit over dit soort ’avondwijdingen’, of ze nu vanuit of van buiten de eigen partij kwamen .Met zwier en stijl nam Jan van der Ploeg, ook in uiterlijk every-inch-a-gentleman, als een zeer loyaal en toegewijd locoburgemeester af en toe de keten van mij over; hij deed dit op een wijze die strookte met zijn latere uitspraak: ’Niet de ketting, maar de mens moet indruk maken’.
Jan van der Ploeg kon zijn scepsis over de drijfveren van veel personen, die onze aarde bewonen, overigens moeilijk verbergen. Ik geloof ook niet dat hij via de strijd voor het socialisme een ’nieuwe mens’ geboren zag worden. Hij was gehecht aan het goede van het leven en kon niet inzien, dat je een betere socialist zou zijn wanneer je je - al of niet op demonstratieve wijze - genoegens ontzegt.
Jan was geen calvinist. Niet als socialist, niet als christen. Hij liep nooit met zijn Heer te koop. Maar de enige spreker tijdens de kerkdienst bij zijn begrafenis - een dominee - kon geloofwaardig verklaren hoe serieus hij de ’boodschap voor de wereld’ had opgenomen. De laatste liedregels die in de Hillegondakerk werden gezongen luidden:’... want de geest zal ons bestoken, nieuw wordt alle creatuur’.

Loopbaan
Werken aan de vernieuwing, zo zag Jan van der Ploeg zijn opdracht. De vernieuwing was nog een droom tijdens de bezetting. Na de bevrijding - tussen droom en daad - volgde de logische keuze voor de Nederlandse Volksbeweging, waarin mensen uit zeer verschillende politieke en geestelijke windstreken samen wilden werken om Nederland ’weder’ op te bouwen. Maar de vooroorlogse verzuiling werd langzamerhand weer hersteld. Sinds 1949 was hij secretaris van het Nederlands Gesprek Centrum, dat van de vernieuwingsgedachte van direct na de Tweede Wereldoorlog in elk geval het element van de ontmoeting tussen andersdenkenden wilde behouden.
Ook de doorbraak via de in 1946 opgerichte Partij van de Arbeid hield een deel van het naoorlogse vernieuwingselan vast. Daar kon de dadendrang van Jan van der Ploeg gedurende een lange reeks van jaren tot ontplooiing komen. Hij zag trends komen en gaan. Zijn ervaring deed hem knipogen naar de tijdgeest, of die nu werd gekenmerkt door harmonie, polarisatie of overleg. Zijn werk aan de vernieuwing ging door. In de gemeenteraad van 1952 tot 1967 als lid. In het college van B. en W. als wethouder, eerst van Onderwijs en Volksontwikkeling (en Sport en Recreatie), daarna van Onderwijs, Jeugdzaken en Vormingswerk en tenslotte, van 1974 tot 1982,van Stadsvernieuwing.

Hudig-penning
Toen hij zijn wethoudersloopbaan beëindigde bleef hij lid van de Eerste Kamer. Twee maanden voor zijn dood zei hij me, dat hij nog graag voor een nieuwe periode in de Senaat zou willen bijtekenen. En ik was blij dat er niemand in de PvdA meer voor straffe leeftijdslimieten pleitte. Jan van der Ploeg was toen zeventig jaar. Maar zijn geestelijke vitaliteit en zijn vernieuwingswil waren ongeschonden.
Hetzelfde gold gelukkig - want ook daar heb ik van genoten – voor zijn gevoel voor humor. Op 13 december kwam in Delfshaven, ook zo’n wijk waar onder leiding van Jan van der Ploeg veel is vernieuwd, het einde. In de afgelopen periode heb ik Jan van der Ploeg zeer gemist op verschillende plekken waar we elkaar nog regelmatig plachten te ontmoeten. Ik behoor tot de velen die dankbaar zijn voor het feit, dat ze Jan van der Ploeg hebben leren kennen, met hem hebben gewerkt, gediscussieerd en gelachen. Het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening heeft hem in juni 1987 postuum onderscheiden door de toekenning van de Hudig-penning wegens zijn werk voor de stadsvernieuwing te Rotterdam en zijn brede maatschappelijke betrokkenheid.

Auteur:
André van der Louw

Bijdrage verscheen in het Rotterdams Jaarboekje 1987 en onder de titel ‘Het ongeduld van jan van der Ploeg’, in Lokaal Bestuur, maandblad van de gemeente- en proviciepolitie van de PvdA, 11e jrg, nr. 2, februari 1987.


Publicatiedatum: 26-10-2020
Datum laatste wijziging :00-00-0000



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015 / Onderhoud door Rstyle