Ds. M. W.   Scheltema



Ds. M. W. Scheltema (1826 - 1904)


jeugdzorg,


pionier van de pleegzorg (’gezinsverpleging’), oprichter van ’Maatschappij tot opvoeding van weezen in het huisgezin’ - bekend als ’Opvoedingsmaatschappij Zandbergen’.


* * *

In het midden van de negentiende eeuw telt Nederland zo’n 30.000 weeskinderen. Vaak worden ze in tehuizen geplaatst, soms bij (boeren)gezinnen. Meestal is hun bestaan ellendig. De Dokkumse predikant Scheltema wilde hierin verandering brengen. Hij noemt de tehuizen: ‘doodkisten der levenden’. Volgens hem zijn weeskinderen veel beter af binnen daartoe speciaal geselecteerde gezinnen. Liefst gezinnen in eigen familiekring, met begeleiding en toezicht. Zijn visie op pleegzorg is tot op heden actueel.

Michaël Willem Scheltema wordt op 13 oktober 1826 in Amsterdam geboren uit het huwelijk van Evert Scheltema Janszoon (1782-1870) en Anne Madeleine Lamaison (1790-1878). Het gezin Scheltema telt acht kinderen. Michaël Willem is het op één na jongste kind. Verschillende kinderen sterven op jeugdige leeftijd. Vader Evert Scheltema is koopman. Hij heeft een handelsonderneming aan de Nieuwendijk in Amsterdam.
Na de lagere school bezoekt Michaël Willem de Latijnse school; een school die uitsluitend jongens uit de midden- en hogere klasse(n) voorbereidt op een kerkelijk ambt of een studie aan de universiteit. In 1846 wordt hij student aan de Kweekschool van de Remonstrantse Broederschap in Amsterdam, een academische opleiding voor remonstrantse predikanten. Om toegelaten te worden heeft hij met succes staatsexamen gedaan. Behalve studeren houdt hij zich ook met andere zaken bezig, onder meer met letterkunde en liefdadigheid. In 1852 studeert hij af.

Remonstrant
De Remonstrantse Broederschap is een kleine, vrijzinnige, protestantse geloofsgemeenschap; een Nederlands kerkgenootschap, ontstaan uit de reformatie, afgesplitst van de Nederduits Gereformeerde Kerk, uit het begin van de zeventiende eeuw. Remonstranten staan vooral bekend als ruimdenkende, verdraagzame, maatschappelijk geëngageerde christenen.
In 1851 ontmoet Scheltema tijdens een bezoek aan een bevriende hoogleraar Alida Welmoet Tideman (1831-1904), dochter van de remonstrantse theoloog dr J. Tideman. Ze verloven zich in 1852 en een jaar later volgt hun huwelijk. Uit hun relatie zullen vijf kinderen geboren worden.
In 1852 wordt Scheltema predikant van de remonstrantse gemeente in Nieuwkoop, maar twee jaar later wordt hij pastor in Zwammerdam en Woerden. Zijn kerkdiensten worden druk bezocht omdat hij zijn gehoor in het hart raakt. In 1865 verhuist hij naar Friesland waar hij voorganger wordt van de remonstrantse gemeente in Dokkum.
In 1870 opent hij een kostschool. Een van de leerlingen is Sjoukje Maria Diderika Bokma, domineesdochter uit Nes. Later zal Sjoukje schrijfster worden. Haar schrijfsternaam is Nynke van Hichtum. Ze trouwt met de socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra, maar is bekend geworden door haar klassiek geworden kinderboek Afke’s tiental.

Gezinsverpleging
In de negentiende eeuw zijn wezen vooral aangewezen op kerkelijke en burgerlijke armenzorg. Vaak komen zij in werkhuizen, armenhuizen en weeshuizen terecht. Ook worden ze ‘uitbesteed’ of ondergebracht bij gezinnen, vooral gezinnen op het platteland. Daar moeten ze op de boerderij, op het land of in de huishouding meewerken. Zowel in de tehuizen alsook bij de gezinnen worden ze meestal slecht gevoed, gekleed en behandeld, zelfs uitgebuit en mishandeld. Kortom, heel veel ouderloze kinderen hebben het zwaar te verduren.

Ds. Scheltema heeft niet alleen belangstelling voor theologie, maar ook voor pedagogiek. Het welzijn van kinderen gaat hem ter harte. De vraag hoe ouderloze kinderen het beste verzorgd kunnen worden houdt hem voortdurend bezig. Hij gaat zelfs op onderzoek uit in het buitenland. Zijn kennismaking met de pleegzorg in Schotland en Duitsland inspireert hem tot het oprichten van de Vereeniging in het Belang der Wezenverpleging (1869).
Scheltema is groot voorstander van ‘gezinsverpleging’. Grote tehuizen vindt hij maar niks: het zijn ‘doodskisten der levenden’, ‘kazernes’ waarin 800 á 1000 kinderen worden ‘gedrild’ en ‘gedresseerd’. Van opvoeding op maat, van ‘liefdevolle zorg’, van ‘persoonlijke gerichtheid’, van ‘vorming van hart en karakter’, is in deze ‘gestichten’ absoluut geen sprake, aldus Scheltema. Hij geeft duidelijk de voorkeur aan opvoeding van wezen door daartoe geschikte particulieren, liefst door naaste bloedverwanten, dus eigen gezins- of familieleden. Dan pas worden deze kinderen ‘in eigen kring opgevoed’; door mensen ‘die hen geheel belangeloos, zonder enige vergoeding, uit louter christelijke naastenliefde opnemen’; hebben zij een ‘huiselijk leven’; worden zij bekend met dagelijkse zorgen en problemen; valt hen ‘moederlijke liefde’ en ‘vaderlijke zorg’ ten deel; kunnen zij een loopbaan ontwikkelen die bij hen sociale achtergrond past. Kunnen deze particulieren of naaste verwanten de opvoedingskosten niet betalen, dan krijgen zij een tegemoetkoming. Uiteraard moeten deze gezinnen begeleid worden. Ook toezicht is noodzakelijk om misstanden te voorkomen. Alleen als er te weinig geschikte gezinnen zijn, kunnen wezen in ‘gestichten’ geplaatst worden. Deze internaten met hooguit 60 kinderen moeten in dorpen of kleine steden liggen ‘omdat het buiten veel gezonder is’.

Opvoedingsmaatschappij Zandbergen
Op initiatief van Scheltema wordt op 25 augustus 1874 in Amsterdam de Maatschappij tot opvoeding van weezen in het huisgezin opgericht, later bekend als Opvoedingsmaatschappij Zandbergen, een liefdadigheidsorganisatie waarvan Scheltema de eerste directeur is. Doel van deze organisatie is het bewerkstelligen van ‘duurzame en tijdelijke verzorging van weezen en van andere minderjarigen, wier natuurlijke verzorgers niet in staat zijn hen op te voeden.’ Bij voorkeur worden de toevertrouwde kinderen in gezinnen geplaatst en opgevoed. Is dat voor bepaalde kinderen echter wenselijk of noodzakelijk, dan worden zij in geschikte, kleine inrichtingen opgenomen. Bij het plaatsen van kinderen probeert men rekening te houden met de maatschappelijke afkomst, de beroepstoekomst, en de godsdienstige gezindte van deze kinderen.
Over de Maatschappij spreekt Scheltema met verschillende hooggeplaatste personen, zelfs met de sociaal geïnteresseerde koningin Sophia (1818-1877). Tijdens dit gesprek oppert de koningin het plan om staatswezen – kinderen van in het buitenland overleden Nederlanders – aan de Maatschappij toe te vertrouwen. Het kabinet-Heemskerk (1874-1877) neemt haar voorstel over en dat vergroot het bestaansrecht van de Maatschappij.

In zijn woning in Dokkum begeleidt Scheltema steeds meer wezen, en vanaf 1880 wijdt hij zich fulltime aan pleegzorg. Hij verhuist naar Amersfoort, waar de Maatschappij zich op landgoed Zandbergen vestigt en een eerste ‘doorgangshuis’ sticht. In dit tehuis kunnen groepsleiders kinderen voorbereiden op hun plaatsing in pleeggezinnen, maar het vinden van voldoende geschikte pleegouders is een groot probleem. Ook blijken lang niet alle kinderen geschikt voor gezinsverpleging. Daarom wordt Maatschappij Zandbergen genoodzaakt het aantal tehuizen snel uit te breiden.
Het gezin Scheltema woont van 1880 tot 1902 op Zandbergen. Scheltema leidt het werk, samen met zijn vrouw Alida en dochters Ada en Louise.

Tegenslagen en overlijden
Op Zandbergen wordt het gezin Scheltema getroffen door ziekte en leed. De dochters Ada en Louise overlijden; moeder Alida wiens gezondheid toch al niet zo denderend was, wordt ernstig ziek. Met Scheltema, intussen de zeventig gepasseerd, gaat het ook minder, zijn geheugen verzwakt, en hij kan het werk niet meer aan. Op 1 januari 1898 neemt hij ontslag. Zijn verdiensten worden beloond met erelidmaatschap van Maatschappij Zandbergen en een koninklijke onderscheiding. Hij wordt als directeur opgevolgd door zijn schoonzoon J. Woudstra. Scheltema en zijn vrouw verhuizen naar Scheveningen. Op 11 mei 1904 sterft hij op 77-jarige leeftijd, en ongeveer een half jaar later, op 19 november, overlijdt ook zijn echtgenote.

Scheltema is geen groot voorstander van plaatsing van ouderloze kinderen in internaten, wel voor plaatsing in gastgezinnen, liefst gezinnen binnen eigen familiekring. Het sociale netwerk van kinderen moet zoveel mogelijk gemobiliseerd worden. Binnen dit netwerk aanwezige positieve krachten moeten geactiveerd worden. Dit alles doet denken aan het gedachtegoed van de beweging ‘Eigen Kracht’: het activeren van familie- en vriendennetwerken als basis voor jeugdzorg; een model afkomstig uit Nieuw-Zeeland dat niet alleen in Nederland, maar wereldwijd steeds meer belangstelling geniet.

Bronnen
Maurice van Lieshout, ‘1874 Maatschappij tot Opvoeding van Weezen in het Huisgezin. Het ontstaan van de georganiseerde pleegzorg’. Venster in: Canon Jeugdzorg Nederland.
Maurice van Lieshout, Thuis bij Zandbergen. 140 jaar jeugdzorg 1874-2014. Zandbergen, 2-14.

Eerder verschenen in vakblad SoziO, augustus 2013.


Publicatiedatum: 25-11-2019
Auteur(s): Marcel Krutzen,



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015