Ottho Gerhard   Heldring



Ottho Gerhard Heldring (1804 - 1876)


jeugdzorg, vrouwenhulpverlening


hervormd sociaal gericht predikant, prionier jeugdzorg, stond aan de wieg van de Hoenderloogroep en de jeugdinrichtingen in Zetten (nu Heldringstichting). .


* * *

De hervormde predikant Heldring is in zijn dadendrang een kind van de negentiende eeuw: hij gelooft in maakbaarheid van de samenleving. Door inspanning is het mogelijk verbetering te brengen in sociale omstandigheden van mensen. Altijd in combinatie met de heilsleer van het geloof. Heldring is kritisch op de filantropen, die mensen afhankelijk maken. Hij vergelijkt hen met boeren die driemaal daags in het hok de kippen voeren in plaats ze het open veld in te sturen waar ze zelf hun kostje bij elkaar kunnen scharrelen.

De jonge predikant Heldring is een gevoelsmens. De onvoorstelbare armoede op het platteland van de Betuwe, halverwege de negentiende eeuw, raakt hem. Overstromingen, hongersnood, gevolg van de beruchte aardappelziekte, en cholera leiden tot schrijnende ellende. De jenever doet de rest. Is dit normaal? Wat kan hij doen? Heldring is ook een gelovig mens en hij heeft het gevoel alsof de profeet Ezechiël hem persoonlijk aanspreekt: ‘De zwakken sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet en het weggedrevene brengt gij niet weder en het verlorene zoekt gij niet, maar gij heerscht over hen met strengheid en met hardigheid’. (Ezechiël 24:4).

Geloof, gevoel en geweten
Heldring wordt rond 1840 actief op sociaal gebied. Nederland is nog lang geen democratie, en het zal nog tientallen jaren duren voordat er sociale wetten komen. Toch werken ook hier de idealen van vrijheid en gelijkheid door, ook bij gelovigen die niets van revolutie moeten hebben. Er ontstaat een nieuwe gevoeligheid voor maatschappelijke misstanden. Steeds meer wordt het beschavingspeil van de samenleving afgelezen aan de manier waarop armen, blinden, gevangenen, kinderen, krankzinnigen, zieken en gehandicapten worden behandeld. Geloof, gevoel en geweten gaan een belangrijke rol spelen. Groot-Brittannië loopt voorop. Daar bestaat al een grote beweging voor afschaffing van slavernij. Gevangenishervormers boeken er successen, er zijn massale campagnes tegen drankmisbruik en kinderarbeid. Krankzinnigengestichten worden hervormd. Alles op initiatief van burgercomités en verenigingen waar opvallend veel quakers en evangelische protestanten actief in zijn. Het optreden van Heldring past in dit klimaat van evangelische opwekkingsbewegingen en sociaal gericht protestantisme. Hij denkt niet erg kerkelijk, maar vraagt zich af wat hij zelf kan doen.

Sociale reportages
Sinds 1827 is hij hervormd predikant in het Betuwse dorp Hemmen. Zijn gemeente telt nauwelijks 25 gezinnen, bij elkaar ongeveer 150 personen. Hij heeft tijd over en maakt wandelingen naar de omliggende dorpen en buurtschappen. Op die tochten ontmoet hij allerlei mensen en ziet met eigen ogen hun (soms) ontstellend armoedige levensomstandigheden. Hij heeft een vlotte pen en wordt landelijk bekend door zijn sociale reportages, zijn aanklachten tegen sociale misstanden en zijn christelijk-sociaal ondernemerschap. Als een van de eersten sticht hij vanaf 1848 instellingen voor groepen waar de fatsoenlijke burgerij het liefst in een grote boog omheen loopt: vrouwelijke ex-gedetineerden, prostituees, verwaarloosde, dakloze en ontspoorde jongens, moeilijk opvoedbare meisjes.

Goddelijke genade
Zelf is hij ook opgegroeid op het platteland, als domineeskind in het grensplaatsje Zevenaar. Naar eigen zeggen geniet hij een vrije opvoeding, dat wil zeggen dat hij altijd buiten mocht spelen met de jongens uit het dorp. Hij zwerft met zijn vrienden door weilanden en bossen. Zijn middelbare school is een piepklein gymnasium en met 17 jaar trekt hij naar Utrecht om theologie te studeren. Opgegroeid op het platteland en in een sfeer van een doorleefd vroom protestantisme waar deugden als zelfdiscipline, verantwoordelijkheidsgevoel en gehoorzaamheid vanzelfsprekend zijn, valt Utrecht niet mee. Het intellectualistische klimaat en het losbandige studentenleven bevallen hem slecht en hij is blij als zijn studie er op zit en hij terug is in Gelderland. Hoewel hij nog maar begin twintig is, heeft hij stellig de overtuiging dat verleiding en zonde altijd op de loer liggen. In de praktijk blijkt elke dag dat de mens het op eigen kracht niet redt. Maar voor hem is dat geen reden voor pessimisme of somberheid, want in zijn beleving is er de alomvattende kracht van de Goddelijke genade. Dat geloof is voor Heldring een onuitputtelijke bron van energie en activiteit. Aan de ene kant is hij dus orthodox en heeft hij een afkeer van moderne geloofsideeën. Aan de andere kant is hij activistisch, staat hij kritisch tegenover het kerkelijke instituut en is hij sociaal betrokken.

Geloof in maakbaarheid
In 1845 legt hij contact met geestverwanten van het protestantse Reveil in Amsterdam. Zij vinden het in de kerk ook armoe en gezapigheid troef, en zoeken een vurig geloof. Heldring vindt aansluiting en... geldschieters voor zijn sociale projecten, welgestelde families die ook vinden dat vroom geloof tot sociale daden moet leiden. Wie bevoorrecht is met geld en maatschappelijke status heeft de plicht daarvan uit te delen. Noblesse oblige. Heldring is in zijn dadendrang een kind van de negentiende eeuw: hij gelooft in maakbaarheid van de samenleving. Door inspanning is het mogelijk verbetering te brengen in sociale omstandigheden van mensen. Maar altijd in combinatie met de heilsleer van het geloof, die onwillekeurig doet denken aan een andere heilsleer uit die eeuw: de heilsleer van het socialisme. Maar Heldring is beslist geen socialist, wel een sociaal voelend christen die vindt dat het evangelie opnieuw uitgedragen moet worden, zo mogelijk gelijk op met sociaal werk, om mensen te redden. Niet om te veroordelen, maar om het perspectief van een nieuw leven te bieden.

De roots van Hoenderloo
In die jaren 1840 is hij bezig met publicaties en inzamelingsacties om sociale nood te verzachten. Tijdens een wandeling over de Veluwe ontdekt hij op de hei een nederzetting – het tegenwoordige Hoenderloo – van plaggenhutten en kleine in elkaar getimmerde huisjes. Enkele tientallen mensen houden zich daar in leven met primitieve landbouw, wat ambachten, houtkap en stropen (hoenders). Hun overlevingskunst steelt zijn hart en hij zet zich ervoor in dat er water komt (een put), een school en een kerk. Hij ziet hier ook een oplossing voor een ander probleem. Vaak krijgt hij het verzoek weeskinderen of in de steek gelaten kinderen te plaatsen in gezinnen. Het worden er steeds meer. Welke plek is er mooier om deze jongens aan een nieuw leven te laten beginnen? Een plek waar alles nog uitgevonden en opgebouwd moet worden. Als in Hoenderloo een onderwijzer aan de slag gaat, is deze bereid in zijn woning een aantal jongens op te nemen. Zij gaan bij hem naar school, hebben kost en inwoning en leren een vak in het dorp of bij een boer in de omgeving. Dit is het begin (1851) van de tegenwoordige Hoenderloogroep, de bekende jeugdzorginstelling.

Eerste vrouwenopvang
Heldring heeft intussen de smaak te pakken van het organiseren en stichten van instellingen. In 1848 sticht hij in Zetten (ook in de Betuwe, vlakbij Hemmen) Asyl Steenbeek voor de opvang van ontslagen vrouwelijke gevangenen. Het wordt na verloop van tijd een toevluchtsoord voor prostituees. Hij komt op het idee tijdens een bezoek aan de vrouwengevangenis in Gouda. De huisvesting daar is stuitend slecht en is ook al aan de kaak gesteld door de Britse gevangenishervormster Elizabeth Fry die zich in Gouda persoonlijk op de hoogte had gesteld. Tijdens zijn bezoek in Gouda hoort Heldring dat vrouwen – veroordeeld voor tamelijk onschuldige vergrijpen zoals het stelen van een portemonnee, een fles wijn of wat kleding – geronseld worden voor de prostitutie. Ze hebben niet of nauwelijks een alternatief. Geen inkomen, geen huisvesting, vaak een matige gezondheid of ze zijn aan de drank, veelal analfabeet, meestal uitgestoten door familie, weer een zwervend bestaan voor de boeg. Heldrings plan voor een vrouwenopvang is daarom een uitkomst. Het is een van de allereerste, zo niet de eerste vrouwenopvang in Nederland. In 1856 sticht hij ook een tehuis voor verwaarloosde meisjes beneden de 16 jaar (Talitha Kumi), in 1863 een tehuis voor meisjes boven de 16 jaar (Bethel). Later volgen nog het Magdalenahuis voor aanstaande ongehuwde moeders en een Kinderhuis voor hun kinderen.

Werkterrein voor vrouwen
Heldring is het gezicht naar buiten, maar de dagelijkse leiding van zijn internaten is in handen van vrouwen die optreden als directrice, onderwijzeres, groepsleidster en in vele andere functies. Alleenstaande vrouwen die niet voor het huwelijk kiezen, vinden hier een respectabel arbeidsterrein. Heldring mocht hun werk dan vooral als ‘moederlijke zorg’ opvatten, maar in feite ontstaat hier een nieuw werkterrein voor vrouwen waar later in de eeuw ook de professionalisering begint. Voor het werk buitenshuis dienen zich hier nieuwe rolmodellen aan, zoals de legendarische diacones Pietje Voûte, afkomstig uit een gegoede Amsterdamse familie, die dertig jaar directrice is van Steenbeek.
In 1860 is Heldring in Nederland de eerste die openlijk protesteert tegen de uitbuiting van prostituees in bordelen. Vanuit de verhalen van de vrouwen in Steenbeek kent hij het systeem uit de eerste hand en tot in details. In het artikel ‘Is er nog slavernij in Nederland?’schrijft hij over de handel in prostituees die verkocht worden door de ene bazin aan de andere. Hij vergelijkt het met de zwarte slavernij in Suriname en het zuiden van de Verenigde Staten.

Kritiek op filantropie
Heldring heeft een broertje dood aan de filantropie, ook de christelijke filantropie. Hij erkent dat de bedoelingen wel goed kunnen zijn, maar ze verlenen zoveel hulp in geld en in natura dat de ontvangers volslagen afhankelijk worden van de hulp en tot geen enkel eigen initiatief meer in staat zijn. Hij vergelijkt de filantropen met boeren die driemaal daags op hun erf de kippen voeren in plaats ze het open veld in te sturen waar ze zelf hun kostje bij elkaar kunnen scharrelen. Natuurlijk, zo betoogt hij, er zijn armen die te jong of te oud, te ziek of te gebrekkig zijn en die zijn op onze zorg aangewezen. Maar voor alle anderen, zo meende Heldring, net als zijn Schotse collega Thomas Chalmers, geldt het parool: ‘to help the poor to help themselves’. Daarbij draait in zijn visie op armenzorg alles om arbeid, een vak leren, vakscholing, in de leer bij een baas, werkverschaffing, ontginning van nieuwe landbouwgrond, een eigen bedrijfje starten. In Heldrings denken over armenzorg, vrouwenhulpverlening en jeugdzorg staan arbeid en ‘handen uit de mouwen’ centraal. Ten eerste als middel om een gevoel van eigenwaarde te ontwikkelen, ten tweede om zo in eigen onderhoud te kunnen voorzien, ten derde om een bijdrage te leveren aan de samenleving. Hij neemt het de filantropie geweldig kwalijk dat die zich er zo makkelijk van afmaakt. Met deze kritiek in zijn brochure Christendom en armoede uit 1849 is Heldring zijn tijd ver vooruit. Het zijn uitgangspunten die vijftig jaar later gemeengoed zijn als in 1899 in Amsterdam de Opleidingsinrichting voor Sociale Arbeid haar deuren opent. En nu, 170 jaar later, zijn zij nog steeds actueel. En dat is bijzonder.

Literatuur
O.G. Heldring, Leven en arbeid. Autobiografie Leiden, 1881.
Maarten van der linde, Basisboek geschiedenis sociaal werk in Nederland, 3e druk, Amsterdam, 2009.
Petra de Vries, Kuisheid voor mannen, vrijheid voor vrouwen. Hilversum, 1997.



Publicatiedatum: 22-08-2019
Auteur(s): Maarten van der Linde
(1948-2020)
,
Links



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015