Elisabeth   Boddaert



Elisabeth Boddaert (1866 - 1948)


jeugdzorg, pedagogisch werk


wegbereider van de buitenschoolse opvang voor verwaarloosde jeugd, grondlegger van de Boddaertcentra die meer dan honderd jaar hebben bestaan.


* * *

De Amsterdamse aanpak van jeugdcriminaliteit en jeugdoverlast heeft als belangrijk kenmerk dat het beleid sterker wordt gericht op de jonge leeftijdscategorie (10-16 jaar) van kinderen die op jonge leeftijd al antisociaal gedrag vertonen. Wie daarvan hoort, moet onmiddellijk denken aan Elisabeth Boddaert die in 1903 in Amsterdam het eerste Tehuis voor Dagbehandeling van Schoolgaande Jeugd opende. Zij richtte zich op kinderen die werden verwaarloosd en dreigden te ontsporen. Om te voorkomen dat de kinderen zouden afglijden in de criminaliteit wilde zij iets doen, maar dan wel in samenwerking met de ouders. Ouders horen bij hun kinderen en kinderen hebben hun ouders nodig, vond zij. Boddaert wilde een alternatief bieden voor tuchtscholen en opvoedingsinternaten. In het actuele debat over de Amsterdamse aanpak is haar methode ook na honderdtien jaar nog verbazend to the point.

Afkomst en jeugd
Elisabeth Boddaert (1866-1948) groeide op in een adellijk en welgesteld protestants milieu in Zeeland. Haar vader was rechter in Middelburg en klein van stuk; hij kreeg de bijnaam ‘driekwart flesje’. Elisabeth was ook een kleintje met haar 1 meter 55. Elisabeth had op Walcheren een beschermde en fijne jeugd. Met haar 22 jaar oudere halfzuster Marie, die romans en gedichten publiceerde, deelde Elisabeth een gevoel van betrokkenheid bij mensen die arm zijn en een grote interesse in alles wat sociale misstanden kon verbeteren. In Lausanne volgde zij een opleiding voor verpleegster en toen ze 24 jaar was, verhuisde ze naar Edinburgh. Daar werkte zij in het beroemde modelziekenhuis Royal Infirmary, waar Florence Nightingale de verpleging krachtdadig had gereorganiseerd. Elisabeth verpleegde daar diverse misdadigers en hun trieste levensverhalen maakten diepe indruk. Zij ontdekte hoe jongeren door armoede en verwaarlozing vaak in het criminele circuit terechtkwamen. Het viel haar ook op dat deze jongeren niet geleerd was weerstand te bieden aan de verleidingen van alcohol en misdaad. ‘Ik besefte dat men den vijand in hem had kunnen overwinnen, zoo bijtijds een zachte doch sterke hand hem had geleid temidden van de verleiding. Ik besefte dat men hem pal moest leren staan, dat weerstand de kracht doet wasschen, den wil sterkt.’
De verpleging werd haar te zwaar en zij verhuisde naar Berlijn waar ze vrijwilligerswerk deed in de opvang en begeleiding van ex-gedetineerden. Zij deed het zo effectief dat haar de leiding van het werk in een achterstandswijk in Berlijn-Noord werd toevertrouwd. Hier werd ze bevestigd in haar idee dat je niet vroeg genoeg kunt beginnen met de opvang en opvoeding van verwaarloosde kinderen. Daar wilde ze mee aan de slag, ze was 36 en verhuisde met dat doel in 1902 naar Amsterdam. Twee oudere dames die de stad goed kenden, maakten haar wegwijs: Jeltje de Bosch Kemper (oprichter van Tesselschade en pionier van de verpleegstersopleiding) en de bijna 70-jarige Hendrina Scholten-Crommelin, die feministe was en medeoprichtster van de Amsterdamsche Huishoudschool. Beide dames moedigden haar aan, en wezen haar op de vele klachten over ontsporende jeugd. Maar het plan was haar eigen idee. Ze legde haar plannen ook voor aan de hoogleraar psychiatrie Cornelis Winkler. Hij steunde haar, maar waarschuwde haar dat zij veel weerstand zou oproepen omdat er over ‘misdadige jeugd’ nog erg traditioneel werd gedacht.

Kinderbescherming
Toch was er in de vijftien jaar (1886-1901) dat Elisabeth in het buitenland had gewerkt in Nederland veel veranderd. Socialisme, sociaal-liberalisme en feminisme hadden een behoorlijke invloed gekregen. Nieuwe pedagogische denkbeelden begonnen aan hun opmars, zoals van de onderwijzer Jan Ligthart die het kind vrij wilde laten, maar wel binnen door de opvoeder gestelde kaders, maar toch vrij om ontdekkingen te doen, te spelen, vragen te stellen, iets te ontdekken, een taak uit te voeren op zijn manier. Pro Juventute (1896) trok zich het lot aan van in de steek gelaten kinderen en een spraakmakend Nutsrapport (1898) vestigde de aandacht op het probleem van de verwaarloosde jeugd. Een jaar later werd de Nederlandse Bond tot Kinderbescherming opgericht. Het ‘kabinet van de sociale rechtvaardigheid’ Pierson-Goeman Borgesius bracht rond 1900 sociale wetten tot stand, waaronder ook de leerplichtwet en de kinderwetten. Deze Kinderwetten van 1901 (die in 1905 in werking zouden treden) maakten het mogelijk ouders uit de ouderlijke macht te ontzetten. Kinderen zouden een voogd krijgen en in een tehuis geplaatste kunnen worden.
Tegen deze achtergrond wordt duidelijk hoe eigenzinnig en kritisch de visie was van Elisabeth Boddaert. Zij was bezield van het nieuwe pedagogische elan, maar ook beducht voor de gevolgen van de nieuwe regels, vooral voor het plaatsen van kinderen in opvoedingsgestichten. Want dat is wat er gebeurde: nieuwe jeugdinternaten, liefst zo ver mogelijk van de stad, keurig verdeeld naar godsdienstige richting, schoten als paddenstoelen uit de grond.
Zij was van mening dat kinderen niet van hun ouders gescheiden moesten worden en niet ver van huis in gestichten terecht moesten komen. Zij wilde hen juist begeleiden in de vier milieus waar hun leven zich afspeelde: straat, huis, school en tehuis. Dat zij deze kinderen in hun eigen omgeving wilde opvangen en de nadruk legde op hun vrije wil en hun eigen verantwoordelijkheidsgevoel betekende een breuk met de toen gebruikelijke aanpak van probleemkinderen. Elisabeth Boddaert was haar tijd ver vooruit.

Positieve benadering
Elisabeth koos Amsterdam als werkterrein. Zelf ging ze in de Van Eeghenstraat wonen, pal tegenover het Vondelpark. Op 11 maart 1903 opende zij het eerste opvanghuis in de Nicolaas Beetsstraat 124, in Amsterdam-West. Zij richtte het heel eenvoudig in; het moest er vooral niet mooier zijn dan de kinderen thuis gewend waren. Om steun te verwerven en uit te kunnen breiden koos Boddaert voor de verenigingsvorm. In 1904 begon de ’Vereeniging Tehuizen voor schoolgaande kinderen’, met haarzelf als voorzitter. De vereniging wilde criminaliteit onder kinderen bestrijden en voorko¬men door ze buiten de schooluren op te vangen: ‘niet in een gevoel van liefdadigheid, maar in een gevoel van rechtvaardigheid’. Haar pedagogische devies ontleende zij aan een tekst van Paulus: ‘Overwin het kwade door het goede’. ‘De freule’, zoals zij zich door haar pupillen liet noemen, meende dat je kinderen niet moest afzonderen van de gevaren en verlokkingen van het leven, maar ze er juist tegen wapenen. Zij geloofde in de werking van positieve, persoonlijke, geduldige en langdurige begeleiding van kinderen. Ook van kinderen, die erfelijk belast waren met een psychopathische aanleg. Van repressieve tucht verwachtte zij geen heil. Zij vond dat kinderen al genoeg gestraft waren door de moeilijke omstandigheden thuis. Nu hadden zij recht op warmte, liefde en huiselijkheid. Bovendien versterkte het eenzijdig benadrukken van tucht en discipline bij deze kinderen de minderwaardigheidsge¬voelens, waar zij toch al zoveel last van hadden. Om haar eigen aanpak te markeren noemt zij haar tehuizen de Boddaert Tehuizen. Haar aanpak sloeg aan en zij opende in latere jaren nog drie huizen: Amaliastraat 3 (1906, in West), Tweede Jan Steenstraat (1915, De Pijp) en Zacharias Jansestraat 49 (1929, in Oost).

Zo gewoon mogelijk
Gewapend met haar visie ging Boddaert op bezoek bij de schoolhoofden in de buurt en die gaven haar adressen van kinderen die naar hun mening gebaat zouden zijn met een tehuis voor overdag. In haar gesprekken met ouders vroeg ze hun toestemming dat de kinderen zouden komen, maar ze moesten ook meewerken. In het eerste huis was Boddaert opvoedster, huishoudster en begeleidster van haar assistenten. Ze deed zelf de administratie en was voor de ouders maatschappelijk werkster (schulden, werk, gezinsproblemen). De eerste jaren was er weinig of geen steun van buitenaf: men vond haar op zijn zachtst gezegd excentriek en van haar opvoedingsmethoden zou niets terechtkomen. Ze stelde eisen aan begeleidsters en directrices van de tehuizen. Haar medewerkers volgden bijscholingscursussen en zij nodigde psychiaters, pedagogen en psychologen uit om besprekingen over de kinderen bij te wonen.
In het huis (een gewoon huis ‘in de rij’) moest het zo gewoon mogelijk toegaan. Zij ontving kinderen van de leerplichtige leeftijd (jongens en meisjes, 6 tot 12 jaar) tussen de middag, na schooltijd en ook op vrije middagen. De kinderen kregen allemaal een mouwschort aan waardoor ze er hetzelfde uitzagen; de kleur was roze, de kleur van de opgaande zon. Tussen de middag en na school was er een maaltijd, ze speelden in de tuin, maar ze werden ook ingeschakeld voor huishoudelijke werkjes zoals piepers jassen, hulp bij het koken, tafeldekken, afwassen en strijken. Verder deden ze denkspelletjes, timmeren (ook de meisjes), breien (ook de jongens) of handenarbeid. Om half acht ’s avonds ging iedereen naar zijn eigen huis en de kinderen waren ook op zondag bij hun ouders. De groepen mochten niet te groot zijn (maximaal 24) om ieder kind individueel te kunnen benaderen.
De sfeer moest huiselijk en gezellig zijn, de tafels netjes gedekt met keurig breekbaar serviesgoed, zo mogelijk een bos bloemen op tafel. De deur was nooit op slot. Een opvallend dagelijks ritueel waren de drie vragen die iedere dag aan de kinderen werden gresteld. Steeds dezelfde vragen: Heb je je tanden gepoetst voordat je naar bed ging? Ben je gisteravond regelrecht naar huis gegaan? Heb je je dag overdacht? Het waren een vraag op het gebied van de lichamelijke verzorging (zelfzorg), een vraag op het gebied van het goede gedrag (eerlijkheid) en een op het gebied van nadenken over wat je van je dag hebt gemaakt (gewetensvolle reflectie). De kinderen kenden de vragen uit het hoofd en beantwoordden ze om de beurt met een kort; ja, ja, nee, of: nee, ja, nee. Dat was alles, er werd niet op ingegaan. Geen gezeur, maar de norm was duidelijk.

Vervolg
Vanaf 1911 betrok Boddaert medische en psychiatrische specialisten bij het werk en in 1917 stelde zij haar Tehuizen beschikbaar voor de opvang van jeugdige delinquenten. De Boddaert-Tehuizen werden vervolgens ook formeel als reclasseringsinstelling erkend. Er was altijd geldgebrek, hoewel Boddaert er haar inkomen in stak en ondanks de subsidiëring door gemeente en Rijk. Ook de ouders betaalden een (bescheiden) financiële bijdrage. Boddaert was daarom actief in het werven van sponsors. Voor het derde huis stelde zij in 1912 een indrukwekkend comité van aanbeveling samen met circa veertig personen uit adellijke en bestuurlijke kringen. Ook nodigde ze regelmatig journalisten uit om haar Tehuizen te komen bekijken (vooral als ze smalend over haar werk hadden geschreven).Ze hield lezingen en causerieën met lichtbeelden in binnen- en buitenland. Ook de opbrengsten van soirees, benefietconcerten, feestavonden en uitvoeringen van studentenmuziekgezelschappen tot gymnastiekclubs spekten de kas van haar vereniging. De koninklijke familie toonde haar waardering door werkbezoeken en donaties.

Onny
In het werk leerde Elisabeth de vijfentwintig jaar jongere Constance van Sprenger (1891-1965) kennen. Constance was net als Elisabeth opgegroeid in een adellijke familie en kreeg de waarden van je inzetten voor je medemens en de publieke zaak met de paplepel ingegeven. Constance (Onny in de dagelijkse omgang) was een bevlogen pedagoge en kwam in 1914 in dienst bij de Vereniging Boddaerthuizen. De twee sloten vriendschap voor het leven en Constance trok in bij Elisabeth. Tot haar pensionering in 1958 bleef zij voor de Boddaerthuizen aan het werk. Elisabeth Boddaert overleed op 22 februari 1948 op de leeftijd van 81 jaar. De laatste jaren kon zij zich niet meer dagelijks met het werk bemoeien, zoals zij tot ver in de zeventig bleef doen. Haar niet geringe vermogen liet zij na aan de stichting.

Navolging
Boddaerthuizen bleven lang een puur Amsterdams fenomeen, maar einde jaren zestig van de vorige eeuw werd de waarde van deze buitenschoolse opvang alsnog in bredere kring ontdekt. Daarvoor was opnieuw iemand met visie nodig en dat was Johan Albert Cassee (1913-2005) die actief was in jeugdzorgprojecten van de Kinderpostzegelactie. Met steun van de pedagogen Jaap Koekebakker en Daan Mulock Houwer propageerde Cassee de dagtehuizen als de missing link tussen ambulante zorg en internaatszorg. Terwijl de traditionele kindertehuizen en de pleegzorg steeds luider in opspraak kwamen, prezen zij de Boddaerthuizen aan als een aantrekkelijk alternatief om kinderen zo lang mogelijk bij hun ouders te laten en toch in hun ontwikkeling te kunnen ondersteunen. Vanaf dat moment breidden de kleinschalige Boddaerthuizen zich in Amsterdam en over heel Nederland als een olievlek uit. Een ontwikkeling die de overheid aanmoedigde, omdat dagopvang een relatief goedkope vorm van begeleiding is.
In 2003 wist het Boddaertwerk nog haar honderdjarig bestaan te vieren, maar de grote fusiegolven in de jeugdzorg verzwolgen de Boddaertcentra als zelfstandige instituten. Ook de werkwijze gold inmiddels als relatief duur en weinig specifiek. Kortdurende trainingsmodules kwamen in de plaats van de vroegere ‘huiselijke’ groepsopvang. Er kwamen pleidooien om in plaats van centre-based ambulant community-based te gaan werken: minder het kind ‘behandelen’, maar vooral de omgeving beïnvloeden waarin het kind opgroeit, opdat de natuurlijke opvoedingsrelaties weer gaan functioneren. De Boddaertformule evolueerde in de richting van de methode van Family’s First. Dat het werk ook een plek probeert te krijgen in de schoolomgeving staat ook niet zo ver van de oorspronkelijke uitgangspunten van de freule. Ook de moderne jeugdzorg kan bovendien niet geheel zonder het middel groepswerk. Het werk van Elisabeth Boddaert blijft een inspiratiebron.

Deze biopgrafie is in juni 2013 geschreven door Maarten van der Linde voor het septembernummer 2013 van Ons Amsterdam, waarvan burgemeester Eberhard van der Laan gasthoofdredacteur was en waarin bij de thema’s van zijn beleid gespeurd werd naar voorbeelden en inspiratiebronnen in de Amsterdamse geschiedenis.

Publicatiedatum: 28-08-2019
Auteur(s): Maarten van der Linde
(1948-2020)
,



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015