Geert van der Laan



Geert van der Laan (1946 - 2017)


maatschappelijk werk, wetenschap


publiceerde over legitimering van het maatschappelijk werk en werd in 1994 eerste hoogleraar maatschappelijk werk.


Geert van der Laan was van 1994 tot 2009 de eerste bijzonder hoogleraar Maatschappelijk Werk in Nederland. Hij studeerde arbeidspsychologie en begon zijn loopbaan in de jaren zeventig als docent aan de Academie voor Sociale en Culturele Arbeid (ASCA) te Groningen. Vervolgens werd hij wetenschappelijk medewerker aan het Andragogisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen en daarna onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIIZW) in Utrecht. In de jaren zeventig was hij nauw betrokken bij de Themagroep Noord-Nederland, een groep die kritisch onderzoek deed naar arbeidsvraagstukken.

In de loop van de jaren concentreerde hij zich steeds meer op het maatschappelijk werk. Zijn onderzoek deed hij altijd in nauwe samenwerking met de praktijk. Hij was actief in nationale en internationale projecten op het gebied van bijvoorbeeld eerstelijns-samenwerking, cliënten-registratie, methodiekontwikkeling, jongerenwerk, re-integratie en begeleid wonen. Tegelijk was Van der Laan een belangrijk denker over de rol van sociaal werk in de samenleving. Hij ontwikkelde verschillende, empirisch gefundeerde, theorieën over het sociaal werk. Deze hebben een onuitwisbare invloed gehad op de ontwikkeling van het beroep en de legitimatie van het sociaal werk.

Grondslag professionalisering
Van der Laan was één van de pioniers die zich, in het kielzog van voorgangers als Marie Kamphuis en Bertje Jens, hard maakte voor de wetenschappelijke en ethische onderbouwing van het maatschappelijk werk. In 1990 promoveerde hij op het onderzoek Legitimatieproblemen in het maatschappelijk werk. In dit proefschrift biedt hij op basis van casusanalyses maatschappelijk werkers een veelzijdig handelingsmodel en stevige legitimatiebasis, gefundeerd in de theorie van het communicatief handelen van de Duitse socioloog en filosoof Habermas. Zijn onderzoek vormde een belangrijke grondslag voor de professionalisering van het maatschappelijk werk. Het proefschrift is meerdere malen herdrukt, voor het buitenland vertaald en is dertig jaar later nog steeds een bron voor beroepscodes, competentieprofielen en beroepsregisters in het sociaal werk.

Van 1994 tot 2009 was Van der Laan bijzonder hoogleraar bij de Universiteit van Utrecht, later bij de Universiteit voor Humanistiek, met de leerstoel ‘Grondslagen van het maatschappelijk werk’, opgericht door de Marie Kamphuis Stichting. Tussen 2000 en 2004 was hij tevens lector bij de Fontys hogeschool Eindhoven. Hij was jarenlang redactielid van het Tijdschrift voor Sociale Interventie en een van de oprichters van de masteropleiding Sociale Interventie van LESI, het Landelijk Expertisecentrum Sociale Interventie Utrecht. Naast zijn proefschrift en wetenschappelijke publicaties heeft Van der Laan altijd ook sterk op de praktijk betrokken, vanuit casuïstiek opgebouwde artikelen gepubliceerd. Hij noemde zichzelf wel ‘knecht van twee meesters’, van de praktijk en van de wetenschap.

Leren van gevallen
De manier waarop Van der Laan wetenschap bedreef heeft hij zelf mooi beschreven in zijn eerste oratie van 1995, Leren van gevallen. Deze manier noemt hij: casusreconstructie. Hij laat zich hierbij inspireren door de methode social casework die Marie Kamphuis in 1948 in Nederland introduceerde. Casusreconstructie houdt in dat professionals in samenspraak met wetenschappers en eventueel ook met cliënten of burgers hun handelen heel precies analyseren en ontrafelen. Wetenschapper en professional confronteren op basis van inhoudelijke argumenten in een onderlinge uitwisseling de praktijkervaringen met wetenschappelijke begrippen en modellen en vice versa. Op die manier ontdekken zij patronen in het handelen van professionals die daarvoor onzichtbaar waren. De inzichten worden beschreven en met anderen gedeeld en getoetst. Zo wordt een professionele logica ontwikkeld die een neerslag krijgt in zowel nieuwe ‘boekenkennis’ als in toegenomen professioneel zelfbewustzijn en versterkt methodisch handelen.

‘Leren van gevallen’ betekent voor Van der Laan altijd: leren van en met mensen. De casus als object is per definitie ondergeschikt aan de democratische, subject - subject relatie. Een gelijkwaardige relatie van mens tot mens. Onder die voorwaarde geeft de cliënt de professional ‘toestemming’ om met hem of haar te werken en ten overstaan van de cliënt dient de professional zijn handelwijze te legitimeren. . Zonder deze democratische inbedding valt de legitimatie onder sociale interventies weg.

Maatschappelijk werk als ambacht
In zijn tweede oratie, Maatschappelijk werk als ambacht (2006), werkt Van der Laan deze visie verder uit. Hij grijpt hierbij terug op het boek het boek ‘Helpen als ambacht’ van Marie Kamphuis uit 1951. Van der Laan betoogt in deze oratie dat maatschappelijk werk geen techniek is, maar een kunst. Sociale professionals zijn geen technici maar ambachtslieden die het vak belichamen, ‘in de vingers hebben’. Hun expertise is vooral gebaseerd op langzaam leren aan de praktijk, aan de hand van casuïstiek.
Van der Laan constateert dat processen van rationalisering, die vanaf de jaren tachtig steeds dominanter werden in de samenleving, een bedreiging vormen voor de ambachtelijkheid van het sociaal werk. De logica van de bureaucratie en de markt krijgt de overhand en dringen ook in het sociaal werk door. Met zijn signalering van de onbedoelde negatieve gevolgen van het marktdenken voor het sociaal werk – al een leidend thema in zijn proefschrift – was Van der Laan zijn tijd ver vooruit. Wanneer onder invloed van het marktdenken zakelijkheid verwordt tot verzakelijking, wordt, zo stelt Van der Laan, van sociale professionals verlangd zich niet te veel communicatief op te stellen, maar een zakelijk product af te leveren. Hierdoor dreigen de vakkundige fundamenten van het sociaal werk ondergesneeuwd te raken en blijven mensen op achterstand in de kou staan.. Het grote project van Geert van der Laan was om de ambachtelijkheid van het maatschappelijk werk – en het gesprek als de grondvorm daarvan – te onderzoeken, te funderen en te herontwerpen.

Wat doe jij als sociaal werker?
Van der Laan stelde ook in zijn eigen werk de dialoog centraal. Vertrekpunt van zijn onderzoeksactiviteiten in het sociaal werk was altijd de vraag: Wat doe jij, als professional , in deze situatie, en waarom doe je dat? Met onzekere antwoorden nam hij geen genoegen. Hij daagde professionals uit hun handelen te beargumenteren en wierp vervolgens tegenargumenten op. Als iemand zich sterk vereenzelvigde met zijn cliënten, kreeg hij te horen: Als je altijd achter je cliënt gaat staan, moet je niet verbaasd zijn dat niemand je meer ziet. Ook verweet hij een keer een maatschappelijk werker die het contact met een cliënte had verbroken omdat zij hem had voorgelogen, dat hij zich gedroeg als een bedrogen minnaar. Stond je op het ene been, dan zette Van der Laan je op het andere. Zo leerde hij professionals van perspectief te wisselen en zich te verantwoorden. Hij durfde het aan om lastige, politiek incorrecte, vragen te stellen: Wat is emancipatie en welke emancipatorische interventies leiden juist tot disciplinering? Waar houden engagement en solidariteit op en beginnen professionele overwegingen? Wanneer moet de dialoog overgaan in een monoloog? Hoe voorkom je dat je te vroeg ingrijpt of juist te laat? Het zijn vragen die geen eenduidig en snel antwoord kennen. Integendeel. Het zijn vragen die uitnodigen om van elkaar te leren en met elkaar de beweegruimte en grenzen van het sociaal werk te verkennen. Om die reden meer waardevol dan een eenduidig antwoord.

Communicatieve professionaliteit
Het leerproces dat Van der Laan professionals bood, was geen eenrichtingsverkeer. Op zijn beurt leerde Van der Laan van maatschappelijk werkers zijn theoretische concepten verder te ontwikkelen en te verfijnen. Meermalen meldde hij dat hij veel had geleerd van hoe werkers met hart en ziel over hun cliënten praten. Hij hanteerde – naar Habermas - een ‘breed rationaliteitsbegrip’ dat het mogelijk maakt om op een evenwichtige manier aandacht te besteden aan zowel de objectieve, de normatieve als de subjectieve aspecten van de hulpverleningsrelatie. Samen vormen zij de communicatieve professionaliteit die volgens hem kenmerkend is voor het handelen van sociaal werkers.

Zijn werk is niet alleen via zijn publicaties van invloed geweest.. Geert van der Laan was op conferenties, in workshops en en bij colleges een graag geziene gast en docent die velen inspireerde met zijn erudiete en wijze bijdragen en ook humoristische verhalen. Hij getuigde van een buitengewoon grote betrokkenheid bij het maatschappelijk werk als professie, maar evenzeer bij individuele werkers en hun praktijkervaringen. Hij was zelf het levende bewijs van zijn visie dat wetenschap dienstbaar moet zijn aan de praktijk. Als ‘knecht van twee meesters’ heeft hij zowel de theoretische grondslagen en de legitimatiebasis van het sociaal werk, als het zelfbewustzijn van sociale professionals onnoemelijk versterkt. Juist door deze combinatie is zijn werk van blijvende, onschatbare betekenis voor de professionalisering van het sociaal werk.

Dit biografische portret is samengesteld en deels overgenomen van verschillende In Memoriams die na het overlijden van Geert van der Laan op 4 oktober 2017 zijn verschenen. In de links hieronder wordt daarnaar verwezen. Met dank aan Judith Wolf en Niels Tempel.

Publicatiedatum: 18-09-2019
Datum laatste wijziging :08-06-2020
Auteur(s): Lies Schilder,
Links



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015