Johanna ter Meulen



Johanna ter Meulen (1867 - 1937)


maatschappelijk werk, volkshuisvesting


richtte in 1903 de Vereniging van Woningopzichteressen op, begeleidde arme arbeidersgezinnen en werkte ’outreachend’ avant-la-letrre.


* * *

Johanna ter Meulen is 26 jaar als zij in 1894 begint met haar pionierswerk in de volkshuisvesting. Vanaf het begin combineert zij dat met een outreachende werkwijze in het woningmaatschappelijk werk. Een nieuwe werksoort. Zij vindt dat vrouwen dit werk als een volwaardig beroep – betaald – moeten uitvoeren. In haar werk wint zij het vertrouwen van haar huurders en daardoor kan zij mensen hulp bieden.


Jeugd
Johanna is het nakomertje in het grote gezin van de zakenman Jan ter Meulen en Anthonia Elisabeth Tra Kranen. Zij wordt geboren op 11 augustus 1867. Johanna groeit op in Amsterdam, Herengracht 252. In de zomer verblijft de familie in het buitenhuis in Doorn. Johanna is een sprankelend en levenslustig meisje. Tot haar twaalfde jaar krijgt zij onderwijs aan huis. Daarna gaat zij naar een particuliere meisjesschool waar het onderwijs in de moderne talen goed is, maar de rest weinig voorstelt. Johanna is leergierig en leert ook vlug en makkelijk.

Iets betekenen voor anderen
Na de school volgen een paar moeilijke en ongelukkige jaren. Haar vader verbiedt een verloving met een jonge boekhandelaar. Zij blijft thuis wonen, maar daar is voor haar geen werk te doen. Ze wil graag iets betekenen voor anderen, maar wat kan ze doen? Het zijn roerige jaren in Amsterdam. Juist als Johanna van school komt, is er een economische depressie met massale werkloosheid als gevolg. Het socialisme komt op. Radicale journalisten, advocaten en zakenlieden bestoken de regentenklasse met hervormingsvoorstellen.
Johanna’s zussen zijn actief in filantropische damesverenigingen, maar dat is een wereld die Johanna niet aanspreekt. De maatschappij voldoet niet aan haar idealen van vriendschap, liefde en trouw. Zij hoopt op hervormingen die de kloof tussen arm en rijk kunnen dichten. Haar autoritaire vader moet daar niets van hebben en verwijst haar sociale idealen naar het rijk der dromen.

Inspirerende contacten
In deze jaren logeert Johanna vaak bij de familie Kerdijk in Den Haag. Arnold Kerdijk is familie en een voorman van de sociaal-liberalen. Sinds 1887 is hij hoofdredacteur van het Sociaal Weekblad en hij vraagt Johanna artikelen uit verschillende internationale tijdschriften te vertalen. In huize Kerdijk leert zij ook Emilie Knappert kennen die in Leiden clubwerk doet met fabrieksmeisjes. In Amsterdam is Johanna bevriend met de dochters van Willem Spakler, directeur van een grote suikerraffinaderij. Hij is ook een sociaal-liberaal. Met hem voert Johanna gesprekken over verbetering van de mensonterende huisvesting in de Jordaan. In ‘Ons Huis‘ aan de Rozenstraat dat in 1892 open gaat, maakt Johanna kennis met Helene Mercier. Haar artikelen in het Sociaal Weekblad over arbeiderswoningen zijn haar uit het hart gegrepen. Mercier zet Johanna op het spoor van het woningwerk dat Octavia Hill sinds 1865 in Londen heeft opgezet.

Eerste woningwerk
Dit is het soort werk dat Johanna zoekt: geen liefdadigheid, maar werken aan betere huisvesting in combinatie met sociale hulp aan gezinnen. Zij vertelt Spakler dat zij dolgraag dat soort werk wil doen. Hij vertrouwt haar begin jaren ‘90 het beheer toe van zijn woningen in de Laurierstraat. Zij haalt wekelijks de huur op, ziet toe op de naleving van het huurreglement en laat reparaties uitvoeren. Ze bemiddelt bij burenruzies en biedt hulp bij voorkomende problemen.
Het wordt een mislukking omdat zij onervaren is en huurders dat al gauw in de gaten hebben. Johanna is erg teleurgesteld (in zichzelf), maar trekt er conclusie uit dat voor dit werk meer nodig is dan een warm hart en goede wil. Het is een vak en daar heb je vakkennis voor nodig. En een flinke dosis mensenkennis. Waar kan ze dat vak beter leren dan bij Octavia Hill in Londen?

Octavia Hill
Van september tot december 1893 werkt Johanna ter Meulen in Londen onder supervisie van Octavia Hill. Octavia Hill heeft een diepe afkeer van liefdadigheid omdat die mensen afhankelijk maakt en niet uitdaagt tot activiteit. Zij is ervan overtuigd dat goede volkshuisvesting een voorwaarde is voor volksontwikkeling. Verhuren, beheren en verbeteren van woningen ziet Octavia Hill als een zakelijke activiteit, maar niet op de manier van huisbazen voor wie alleen de winst telt. Zij wil het doen met respect voor de huurders en laten merken dat zij haar huurders wil ondersteunen. Om de bewoners te leren kennen, haalt zij zelf de huur op, elke week op een vast tijdstip, zodat bekend is wanneer ze komt. In het eerste blok huizen dat zij in 1865 aankoopt met geld van de befaamde kunsthistoricus John Ruskin repareert zij direct 184 ruiten. Ook laat zij trappenhuizen schilderen, muren behangen en tuintjes aanleggen. Ze organiseert clubs voor mannen, vrouwen en kinderen. Ze laat speelplaatsen aanleggen en organiseert dagjes uit naar buiten.

Maximaal 100 woningen
Als Johanna in december 1893 terug is in Amsterdam verschaft Spakler het kapitaal om een aantal woningen in de Tuinstraat in de Jordaan aan te kopen. De woningen worden opgeknapt. Krotten worden afgebroken en nieuwe woningen komen er voor in de plaats. De woningen worden ondergebracht in de Woningmaatschappij Oud- Amsterdam. Johanna is directrice en woningopzichteres. Het aantal woningen wordt niet verder uitgebreid dan 94. Johanna is van mening dat 100 woningen het maximum is voor een verantwoord woningbeheer en persoonlijk contact met de gezinnen.

Outreachend werken avant la lettre
Vanaf 1894 tot haar overlijden 43 jaar later is Johanna ter Meulen woningopzichteres gebleven van de 94 woningen en hun huurders. Vanaf het allereerste begin is zij ‘outreachend’ bezig. Vanuit haar kantoortje op de Anjelierstaat 149 gaat zij eropaf. Als ‘haar’ gezinnen problemen hebben, is zij niet te stuiten. Voorbeelden te over in haar met de hand geschreven ‘Dagboek mijner woningbemoeiing’ uit de jaren 1894-1896. Ook uit latere jaren zijn haar activiteiten overgeleverd. Zij zoekt werk voor een ontslagen man. Ze vraagt advies als een gezin in haar ogen een veel te hoge premie moet betalen voor een verzekeringspolis. Ze maakt samen met een huisvrouw een plan voor afbetaling van schulden. Voor de oudste dochter in een gezin waar de moeder is overleden vraagt ze om plaatsing op de Amsterdamse Huishoudschool. Ze adviseert bij schoolkeuze en vervolgopleidingen. Zij vraagt beurzen aan voor studiekosten van de kinderen van haar huurders.

Respect voor privacy
Johanna ter Meulen respecteert de privacy van haar huurders. Geen ongevraagde inmenging in hun privéaangelegenheden en al helemaal niet onuitgenodigd hun woning binnentreden.
In 1918 schrijft zij in het blad van de Nationale Woningraad: ‘... Zij die geloven haasten niet. Dat is de spreuk die de woningopzichteres in ere heeft te houden. Zij heeft af te wachten tot men haar vertrouwen schenkt, nooit dringe zij zich op. Eerbiedig en bescheiden zij haar optreden in alle persoonlijke aangelegenheden. (...) Zo wordt de woningopzichteres in de loop der jaren van vele van haar gezinnen de vertrouwde en de raadsvrouw. Zo kan een grote invloed van haar uitgaan.’

Cornelia de Lange
In haar kantoor richt zij een bibliotheek in voor de kinderen van haar huurders. Een keer per week mogen ze nieuwe boeken lenen en daar wordt druk gebruik van gemaakt.
Moeders hebben vaak vragen over babyvoeding, ziektes en lichamelijke klachten van kinderen. Om daar kennis over op te doen en te kunnen doorverwijzen gaat Johanna in 1897 een middag per week stage lopen op een drukbezochte polikliniek voor kinderziekten. Van haar aantekeningen maakt ze een boekje Eenige Wenken aan jonge Moeders. Op de polikliniek voor kinderen ontmoet zij Cornelia de Lange, die daar assistent is. Cornelia de Lange wordt in 1897 – twintig jaar na Aletta Jacobs – de vijfde vrouwelijke arts in Nederland. Ze sluiten vriendschap voor het leven. Na het overlijden van Johanna’s moeder gaan ze samenwonen.

Werk voor beschaafde vrouwen
Op het symposium ‘Vakscholing’ tijdens de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den Haag (1898) zet Johanna haar visie op haar nieuwe beroep uiteen. Woningwerk is bij uitstek een taak voor de beschaafde vrouw. Het salaris kan opgebracht worden uit de huuropbrengst. Van vrouwen mag verwacht worden dat zij beter persoonlijk contact kunnen leggen dan mannelijke opzichters. En ook dat zij beter in staat zijn verwaarlozing te zien en een manier te bedenken om dat aan te pakken.

Landelijke vereniging
In 1903 richt Johanna ter Meulen samen met 17 andere woningopzichteressen de landelijke Vereniging van Woningopzichteressen op. Het is in Nederland de eerste beroepsorganisatie op het gebied van sociaal werk. Samen met de school voor maatschappelijk werk – die vier jaar eerder is opgericht – wordt een opleidingsprogramma ontworpen voor de woningopzichteres. De vereniging neemt het praktijkgedeelte voor haar rekening. Johanna is voorzitter tot 1915. Tot haar spijt ziet zij zich genoodzaakt in 1928 haar lidmaatschap op te zeggen. Zij vindt dat de vereniging tekortschiet in het verdedigen van het belang van sociaal woningbeheer, vooral tegenover de Amsterdamse Woningdienst.

Actief in de volkshuisvesting
Johanna ter Meulen is vaak de eerste vrouw die toetreedt tot een bestuur of commissie. Dat is het geval als zij landelijk bestuurslid wordt van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Zij is in 1907 de eerste vrouwelijke voorzitter. Als lid van de Amsterdamse Woningraad zit ze bovenop de uitvoering van de beroemde Woningwet van 1901. In 1903 schrijft zij het boek Huisvesting van armen te Amsterdam, een gedegen verslag van nog altijd bestaande wantoestanden, wetenschappelijk onderbouwd met citaten en uitvoerig statistisch materiaal. Zij toont aan dat de grootste gezinnen in de kleinste huizen wonen. Daarbij haalt zij een gesprek aan met een bewoner: ‘Ik moet naar een kleinere woning uitzien, want mijn gezin wordt te groot’.
Naast haar werk in de Jordaan wordt ze in 1912 benoemd tot directeur van de NV ‘Maatschappij van Huizenbouw benoorden het IJ’. Ook op andere gebieden is zij actief, bijvoorbeeld in de kinderbescherming als lid van de Voogdijraad.

Einde en herinnering
Johanna ter Meulen overlijdt onverwacht in de nacht van 11 februari 1937; zij is dan 69 jaar. Oud-leerlingen die haar collega’s werden, herdenken haar. Vooral haar strijd voor het recht van ieder mens op een menswaardige woning, met licht, lucht en vrijheid. Maar hoe leeft zij voort in de herinnering van haar vroegere huurders? Er zijn nog Amsterdammers die Johanna ter Meulen zelf hebben gekend. Wim Bongers, in 1920 geboren in de Tuinstraat 170 en later verhuisd naar nummer 99, herinnert zich haar (interview met auteur 10 januari 2009) nog levendig: ‘Ik leende elke donderdag boeken in haar bibliotheekje op de Anjelierstraat. Ze adviseerde dat mijn broer zou doorleren en bemiddelde voor een studiebeurs voor de machinistenschool. Toen hij slaagde, gaf zij hem een mooie passerdoos cadeau.’ Hoe ze omging met haar huurders? ‘Ze was de baas. Maar heel sympathiek. Ze leefde mee en heeft veel goed gedaan. Iedereen die haar gekend heeft, zal haar herinneren als een deftige dame die met de arbeidersbevolking slechts het beste voorhad.’

Deze biografie verscheen eerder in Sozio, februari 2009.

Publicatiedatum: 21-08-2019
Auteur(s): Maarten van der Linde
(1948-2020)
,
Links



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015