Hendrik Lodewijk   Drucker



Hendrik Lodewijk Drucker (1857 - 1917)


sociaal werk, volksontwikkeling


was een van de belangrijkste sociale hervormers en volksverheffers van rond 1900, betrokken bij een groot aantal initiatieven op het terrein van de volksontwikkeling en sociale zekerheid.


* * *


Hendrik Lodewijk Drucker was een van de belangrijkste sociale hervormers en volksverheffers van rond 1900. Bij zijn overlijden in 1917 schreef het Rechtsgeleerd Magazijn in een necrologie: ‘Groote mannen, zoals Drucker, gaan voor het vaderland nimmer geheel verloren.’ Maar in de wereld van het sociale werk is hij toch aardig onbekend geraakt, geheel ten onrechte. Hij was betrokken bij vernieuwend volksontwikkelingswerk en droeg als jurist, als hoogleraar, als lid van de gemeenteraad in Groningen en Leiden en als lid van de Tweede en Eerste Kamer voortreffelijk bij aan sociale wetgeving en sociaal werk. Al zijn activiteiten werden samengebonden door zijn streven naar verbetering van ‘het lot van de minderbedeelde medemens’. Daarom mogen we nu heel blij zijn, dat de jurist prof. Gerrit Jan Veerman in 2023 een mooie boek aan hem gewijd heeft en hem in het volle daglicht heeft geplaatst met een biografie van ’een edel mensch’.

Weinig gelukkige jeugd
Lodewijk Drucker werd in 1857 in Amsterdam geboren als zoon van de uit Duitsland afkomstige, zeer vermogende, Louis Drucker en de eveneens Duitse dienstbode Therese Temme. Bij zijn geboorte waren zijn ouders nog niet getrouwd en werd Hendrik Lodewijk in de burgerlijke stand ingeschreven onder de naam van zijn moeder. Toen zijn ouders in 1869 alsnog trouwden, kregen hij en de vier andere kinderen van het stel pas de achternaam Drucker. Eerder al had de vader een relatie gehad met de Amsterdamse Constantine Lensing met wie hij twee dochters had, waaronder Wilhelmina Lensing (1847-1925), ‘zich noemde Drucker’, beter bekend als Dolle Mina. Later kreeg Drucker senior nog een kind bij ‘n huishoudelijke hulp. Alles bij elkaar niet zulke stabiele gezinsverhoudingen voor een kind om op te groeien. Dit wordt ook bevestigd door zijn klasgenoot en latere links-liberale geestverwant Willem Treub, die in zijn Herinneringen schreef, dat Drucker een weinig gelukkige jeugd had gehad, waarin ‘zijn zelfvertrouwen was gefnuikt’.
De problemen in zijn jeugd belemmerden Hendrik Lodewijk Drucker overigens niet om zijn schoolcarrière voorspoedig af te sluiten; hij was de beste van de klas. In 1875 ging hij rechten studeren in Leiden, waar hij weer tot de betere studenten behoorde. Hij studeerde in vier jaar af en promoveerde cum laude op een voor die tijd ‘kloek’ proefschrift (352 pagina’s). Dat proefschrift was tevens een inzending op de door de universiteit uitgeschreven prijsvraag, waarvoor hij ook nog de gouden medaille kreeg.

Dolle Mina
In zijn werk als jurist en volksvertegenwoordiger werd hij door tijdgenoten als een hoffelijke, geestige, beminnelijke en zachtmoedige man omschreven, die ondanks zijn mooie loopbaan en maatschappelijke waardering tegelijkertijd onzeker was en weinig zelfvertrouwen bezat. Zou dat naast zijn ongelukkige jeugd mede veroorzaakt zijn door z’n relatie met Dolle Mina? Volgens Druckers biograaf – geadviseerd door een psychoanalytica - was halfzus Wilhelmina Lensing een belangrijke factor’ in de psychologische verklaring van zijn karaktertrekken.
Vermoedelijk heeft Dolle Mina indirect veel invloed op hem gehad. Zij maakte hem onzeker door ‘haar bestrijding van hem, de manier waarop zij hem in een kwaad daglicht stelde, haar woede en jaloezie op hem’, een jaloezie mede veroorzaakt door het feit, dat zij als buitenechtelijk kind maar een klein deeltje van vaders rijke erfenis kreeg en de binnenechtelijke kinderen zoals Hendrik Lodewijk een vermogen. Zo is het ook verklaarbaar, dat hij, ook weer volgens Treub, uit gebrek aan zelfvertrouwen tot drie maal toe het ministerschap van justitie weigerde.

Nuts-rapporten
Hendrik Lodewijk Drucker deed veel op het gebied van het sociale werk. Van 1885 tot 1897 was hij met korte tussenpauzes lid van het hoofdbestuur van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen en schreef hij mee aan een drietal belangrijke Nuts-rapporten; in 1894 het Rapport Werkeloosheid, in 1896 Het vraagstuk der Volkshuisvesting en in 1900 het Rapport over het Leerlingwezen in Oostenrijk, Zwitserland en Duitschland ter ondersteuning van zijn politieke streven om ook in Nederland het ambachtsonderwijs te verbeteren. In de tijd, dat hij als hoogleraar in Groningen werkte (1882-1889), was hij naast gemeenteraadslid onder meer ook lid en medeoprichter van de Vereniging Werkmanssteun en lid van de Commissie tot oprichting van een industrieschool voor meisjes.
Na zijn benoeming in 1889 tot hoogleraar in Leiden was hij, naast weer het lidmaatschap van de gemeenteraad, betrokken bij een reeks sociale organisaties. Zo was hij mede-oprichter van de Vereniging werkmanswoningen, voorzitter van de Leidsche fabrieksschool, lid van de Vereniging ‘De practische Ambachtsschool’, lid van de Leidsche Maatschappij tot Weldadigheid, lid van de Vereniging tot verbetering van het lot van Blinden in Nederland en zijne Koloniën en donateur van de Leidsche Werklieden Zangvereniging ‘Kunst na Arbeid’.Drucker was als hoogleraar ook geinteresseerd in de Nederlandse variant van het Toynbeewerk, waarbij docenten en studenten volksontwikkelingswerk bedreven onder arbeiders. Na aanvankelijk enthousiasme, was het in Leiden en elders toch al vrij snel met het Toynbeewerk gedaan. Drucker vermaande de studenten die er zich mee bezig hielden en verweet hen dat ze met hun ‘dronken plezier’ ergernis veroorzaakten bij de ‘werkmanszonen’, ‘waardoor hun bestgemeend sociaal verzoeningswerk als onoprecht gehaat wordt’.

Leids Volkshuis
Zijn belangrijkste activiteit op het gebied van het volksontwikkelingswerk was zijn betrokkenheid bij het Leids Volkshuis. Samen met twee collega-hoogleraren richtte hij de Stichting Leids Volkshuis op; van 1998-1914 was hij tevens voorzitter van het bestuur. Hij kende Emilie Knappert, de befaamde eerste directeur van het Volkshuis, al goed van het buurtwerk van de vrijzinnigen. Bij de opening van het volkshuis in 1899 werd Drucker door de burgemeester van Leiden zeer geprezen als ‘de ziel van dit alles’ die in zijn openingsrede ‘te bescheiden’ was geweest: ‘hij sluipt als het ware naar de achtergrond’, een persoonlijkheidskenmerk van Drucker dat we inmiddels wel kennen. Het bleef trouwens niet bij bestuurswerk voor het Volkshuis alleen. Hij gaf er zelf ook cursussen, zoals die over sociale wetgeving. Het Bureau voor rechtskundig advies, dat ook bij het Volkshuis hoorde en waar met name arbeiders met juridische problemen of vragen langs konden komen, werd ook regelmatig door Drucker zelf bemand. Tenslotte steunde hij het Volkshuis nog financieel; hij vulde jaarlijks de tekorten aan en schonk bij zijn afscheid als voorzitter in 1914 een fors aandelenpakket, dat jaarlijks een rente van f 1400,00 opleverde.
Het bleef trouwens niet bij Groningen en Leiden. Zo was Drucker ook betrokken bij de oprichting van de Opleidingsinrichting voor Socialen Arbeid in Amsterdam, de eerste Sociale Academie. Drucker gaf er les over arbeidswetgeving, een van zijn dierbaarste onderwerpen.

Een sociaal voelende rechtsgeleerde
Drucker was werkzaam als jurist en wetenschapper en als volksvertegenwoordiger. Hij wordt door zijn biograaf beschreven als ‘primair een sociaal voelende rechtsgeleerde, die vandaaruit sociale kwesties bestudeerde en er oplossingen voor bedacht’. Hij stelde zijn ‘juridische en wetenschappelijke expertise ten dienste van sociale rechtvaardigheid’. Het ging hem erom verbinding te leggen tussen recht en samenleving en vond dat wetten in begrijpelijk en mooi Nederlands geschreven moesten zijn. Bij de aanvaarding van zijn hoogleraarschap in het Romeinse recht in Leiden noemde hij in zijn oratie - levendig en sprankelend genoemd - dat recht een ‘recht van de vermogenden, van de machthebbers’. Hij ging onder meer in op de rol van juristen en de wetgever tegenover ‘de sociale quaestie’. Er was een taak voor de staat weggelegd in de bescherming van de zwakken en juristen moesten dan ‘geen struikelblokken opwerpen in de vorm van overgeleverde rechtsregels’.
Drucker bleef maar kort hoogleraar, omdat hij in 1894 gekozen werd tot lid van de Tweede Kamer. Een oud-student noemde hem een ‘geboren docent’ dank zij ‘zijn sobere welsprekendheid en zijn eenvoudige voorstellingswijze’. Zelfs zijn felste politieke tegenstander en oud-student Troelstra, leider van de SDAP, prees hem: ‘Hij was een schitterend docent’, wiens ‘sober logisch betoog’ zeer boeide en van wie studenten ‘helder juridisch denken’ leerden.

De wet van Drucker
Druckers biograaf noemt de Wet op de arbeidsovereenkomst ‘de wet van Drucker’, met de Woningwet en de ongevallenwet op een gedeelde tweede plaats. Drucker ontwierp die wet in 1894 op verzoek van de minister. Het was ‘een revolutionair voorstel’, omdat voor het eerst de arbeid werd geregeld en wel als een tweezijdige overeenkomst, waarbij de zwakste partij, de arbeider, beschermd werd. Na lange parlementaire behandeling en veel amendementen werd het wetsvoorstel in de Tweede Kamer uiteindelijk in 1906 aanvaard met 79 tegen 8 stemmen. De SDAP stemde tegen, omdat het ging om een privaatrechtelijke regeling en het strafrecht buiten de deur werd gehouden. Drucker als sociaal liberaal zou de sociaal-democraten trouwens wel vaker tegenover zich vinden; zij vonden zijn hervormingen vaak maar ‘repressieve tolerantie’.
Over de belabberde woonsituatie in Nederland schreef Drucker al ver voor hij in de Tweede Kamer kwam; hij muntte zelfs het woord volkshuisvesting. Hij schreef er in 1887 voor de eerste keer over in het Sociaal Weekblad van zijn links-liberale geestverwant Kerdijk, onder verwijzing naar Helene Merciers Over Arbeiderswoningen: ‘Behoeft het nog betoog, dat hier een ruim veld van werkzaamheid ligt, voor hem die de volksgezondheid wil bevorderen, den arbeider wil beschaven en veredelen, zijn werkkracht en levenslust wil vermeerderen’. Drucker stelde voor, dat arbeiders coöperatieve verenigingen zouden vormen en dat overheden het hunne zouden bijdragen. In zijn maidenspeech in de kamer kwam hij hier op terug. Het Nuts-rapport over de volkshuisvesting (1896), werd in 1899 opgepakt door een nieuw kabinet, dat al snel een wetsvoorstel indiende. Er kwam een parlementaire voorbereidingscommissie onder voorzitterschap van Drucker en in 1901 werd de wet door de kamer aangenomen. Ook voor een ongevallenwet, die de werkgevers dwong hun werknemers te verzekeren, pleitte Drucker in publicaties en toen de regering zo’ n wet indiende, zette hij zich als kamerlid hier eveneens heel actief voor in. Tot verdriet van Drucker werd de wet onder druk van de conservatieve Eerste Kamer gewijzigd en eveneens in 1901 aanvaard.

Geen strafdreigingen tegen arbeiders
Het belangrijkste parlementaire werk van Drucker kwam hiervoor eigenlijk al aan de orde, zijn bijdragen aan sociale wetgeving. Hij behoorde tot de linker vleugel van de Liberale Unie en toen de links-liberalen zich afsplitsen en de Vrijzinnig Democratische Bond oprichtten, koos ook hij voor de nieuwe partij en werd hij voorzitter van de Kamer-fractie. Als volksvertegenwoordiger wilde hij zijn sociale opvattingen omzetten in wetgeving en streed hij tegen wetten die hij sociaal onwenselijk achtte. Zo verzette Drucker zich na de grote spoorwegstakingen van 1903 krachtig tegen de wetten van Kuijper om de rechten van het spoorpersoneel in te perken en pleitte voor bescherming van de spoorwegarbeiders tegen de directie. Dr. A.J.C. Rüter prijst in zijn befaamde De Spoorwegstakingen van 1903 Druckers ‘indringende rede’ in de Kamer. In de verdere behandeling noemde Drucker de strafbedreigingen van de regering Kuijper tegenover stakende spoorwegarbeiders een ‘kleinburgerlijke poging’ om de eigen vrees voor de arbeidersbeweging door overdreven kras optreden te overwinnen.
Drucker was liever ‘volksvertegenwoordiger’, dan ‘politicus’, maar dan wel ‘meer vertegenwoordiger voor het volk dan van het volk’. Hij hield niet van de machtsspelletjes die er in Den Haag werden gespeeld. Hij was gericht op wetgeving en ergerde zich vaak aan de enorme traagheid waarmee wetgeving, ook de sociale, tot stand kwam. Als gemeenteraadslid in Groningen en Leiden bepleitte Drucker eveneens allerlei sociale initiatieven. In Groningen hekelde hij een plan van B&W ter reorganisatie van het armwezen en beval daarbij het Elberfelder stelsel krachtig aan, een stelsel van armenzorg dat niet alleen maar bestond uit aalmoezen geven, maar gebaseerd was op persoonlijk contact met de armen om hen ‘langs zachte wegen’ te heropvoeden. In Leiden zette hij zich in de gemeenteraad uiteraard ook krachtig in voor sociale maatregelen op lokaal niveau, zoals de strijd tegen krotwoningen, opkomen voor openbare gezondheid, geneeskundige armenzorg, en voor volksontwikkelingswerk.

Een groot man
Tot kort voor zijn dood bleef Drucker werken ondanks ernstige gezondheidsproblemen. In 1916 werd hij voorzitter van het college van curatoren van de in 1913 opgerichte Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam. In het Rechtsgeleerd Magazijn schreef hij nog een drietal artikelen over juridische vraagstukken. Hendrik Lodewijk Drucker stierf begin september 1917 na een slopende ziekte en werd gecremeerd in Driehuis-Westerveld: een groot man, die voor het vaderland niet verloren gaat.

Literatuur
G.J. Veerman, De halfbroer van Dolle Mina of: de biografie van ‘een edel mensch’. Mr. Hendrik Lodewijk Drucker, 1857-1917. Uitgeverij Verloren, Hilversum 2023.


Publicatiedatum: 06-07-2023
Datum laatste wijziging :21-07-2023
Auteur(s): Henk Michielse,
Links



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015 / Onderhoud door Rstyle