Doortje  Kal



Doortje Kal (1948 - )


geestelijke gezondheidszorg, samenlevingsopbouw


was actief betrokken bij de vernieuwingsbweging in de psychiatrie en gaf met lezingen en publicaties handen en voeten aan het begrip kwartiermaken.


* * *


Doortje Kal werd geboren op 18 december 1948 in Ruurlo, waar ze tot haar 19e woonde. Ze groeide op in een gezin met zeven kinderen. Haar vader en moeder zijn beide in Nederlands-Indië geboren. Haar vader studeerde medicijnen in Batavia (Jakarta), waar hij haar moeder leerde kennen. Na zijn studie werkte hij als arts in een zendingsziekenhuis in Midden-Java. Toen de oorlog tegen Japan uitbrak, werd hij opgeroepen voor het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger), gevangengenomen en naar Birma gestuurd. Daar werkte hij aan de spoorlijn tussen Thailand en Birma. Doortjes moeder, met 4 kinderen, bleef als Indische Nederlander buiten het kamp. Na de oorlog vonden Doortjes vader en moeder elkaar weer in Singapore. Haar vader ging toen werken in het ziekenhuis in Tandjoeng-Pinang op het eiland Bintang in de Riouw Archipel. Ver van de onafhankelijkheidsstrijd en politionele acties. Hier werd een zus van Doortje geboren.
In 1948 vertrok de familie met de boot de Johan van Oldebarneveld naar Nederland. Doortjes moeder was toen zwanger van Doortje. In Nederland vond Doortjes vader een huisartsenpraktijk met apotheek in Ruurlo. Haar moeder werkte mee in de apotheek. In Ruurlo werd na enige jaren haar jongste broer geboren. Het was een druk huishouden, maar er was regelmatig ook plek voor mensen die tijdelijk opvang nodig hadden.

Maatschappijkritiek
Na de lagere school ging Doortje een jaar naar de MULO en daarna naar het Baudartius Lyceum in Zutphen. Ze wilde - zoals haar vader en broer - medicijnen gaan studeren en deed HBS-B. Zowel door de dominee van de gereformeerde kerk in Barchem als door haar biologieleraar kwam Doortje in deze vroege jaren zestig in aanraking met maatschappijkritiek. Haar eerste demonstratie betrof een protest tegen de oorlog in Vietnam in Amsterdam. Daarnaast bracht de biologieleraar - met wie ze tot zijn dood contact hield - haar via talloze excursies en natuurkampen in intensief contact met de natuur. Ze werd lid van de Christelijke Jeugdbond voor Natuurvrienden (CJN).
Doortjes vader overleed door een noodlottig ongeval in 1966. Doortje zag daarom af van een universitaire studie. Ze wilde meteen haar eigen geld gaan verdienen en dat kon als leerling verpleegkundige. In 1968 begon ze aan de in service-opleiding tot verpleegkundige in het ziekenhuis van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Na anderhalf jaar stopte ze, omdat ze de verhoudingen in het ziekenhuis te hiërarchisch vond en ze in aanraking kwam met de ’Kritische Universiteit Medicijnen’. Intussen had ze al wel - samen met kameraden van de SRVU (Studentenraad VU) een kritisch krantje voor de verpleegsters uitgebracht met aandacht voor o.a. psychosomatiek en met de inzichten van Erich Fromm. Ze studeerde een blauwe maandag sociologie, maar verloor zich in allerlei activistische praktijken. Zo schreef ze met anderen in die periode haar eerste boekje: een NESBIC-bulletin (1) o.a. over de rol van banken bij de uitbuiting van Indonesië.

Democratische psychiatrie
In die periode leerde ze bij een landelijke marxisme-leninisme-scholing haar latere echtgenoot Wim kennen, die natuurkunde studeerde in Delft, maar vooral actief was in de studentenbeweging aldaar. Ze verhuisde naar Delft en ging als groepsleider werken bij de Stichting Katholieke Kinderhuizen in Scheveningen. Ze volgde de parttime opleiding inrichtingswerk aan de Haagse Sociale Academie. In die periode las Doortje voor het eerst iets over de democratische psychiatrie in Italië en raakte direct gefascineerd. Ze las tijdens een vakantie in de hitte van Spanje het noeste werk van een van de grondleggers Agostino Pirella, Socialisatie van de uitgestotenen. In het verhaal van de democratische psychiatrie kwamen voor haar politiek en professie samen. Voor haar scriptie reflecteerde ze met behulp van deze theorie op haar werk. Ze scoorde er een acht voor.
Doortje en Wim woonden zeven jaar met veel plezier in Delft. Ze volgden via Politeia (2) een degelijke scholing in het marxisme-leninisme en voerden talrijke acties. Ze waren – zoals zovelen van hun generatiegenoten – politiek geëngageerd. In Den Haag werkte ze mee aan een kritisch krantje over het welzijnswerk. In 1977 verhuisden Doortje en Wim naar Amsterdam, omdat ze beiden daar werk vonden. Vanuit het buurtcentrum waar Doortje werkte met jongeren werd ze ook actief in het Anti-CRM-Bezuinigingsfront en droeg ze mede zorg voor de ACB-krant. Daarna werkte ze uiteindelijk nog kort als praktijkdocent aan de Haagse Sociale Academie.
Doortje en Wim kregen twee kinderen, een meisje in 1978 en een jongen in 1982. De jongste overleed toen hij net een jaar was na een zeer grote hartoperatie. Na de dood van haar zoontje zocht Doortje troost in de muziek. Ze ging trombone spelen en werd lid van de ‘Fanfare van de eerste liefdesnacht’ in Amsterdam. Ze bleef 32 jaar spelen bij de Fanfare.

Platform GGZ Amsterdam
Intussen volgde Doortje ook de Voortgezette Opleiding Samenlevingsopbouw en kwam ze mensen tegen als Egbert van der Poel en Harrie van Haaster, twee bevlogen onderzoekers die net zoals zij in de ban waren geraakt van de Italiaanse psychiatrie. Harrie werd de supervisor van Doortje. In Nederland werd de psychiatrische tegenbeweging voor een belangrijk deel gedragen door mensen die zelf opgenomen waren of waren geweest, door familieleden die hun naasten hadden zien wegkwijnen op inrichtingsterreinen en door kritische hulpverleners. In 1981 was zij samen met Egbert van der Poel en Harrie Haaster in De Populier (voorloper van de Balie) betrokken bij de organisatie van een drukbezocht congres: Democratische psychiatrie in Nederland? Na afloop droeg zij zorg voor het verslagboekje.
Niet veel later (1983) ontstond het Platform GGZ Amsterdam dat zich verzette tegen de verhuizing van het Provinciaal Ziekenhuis Santpoort in de vorm van o.a. drie (kleinere) inrichtingen in Amsterdam zoals het Provinciebestuur wilde. Het Platform bestond uit buurtbewoners en opbouwwerkers, cliënten, familieleden, vrijwilligers, hulpverleners, architecten en onderzoekers. De eerste contouren van wat ‘het Amsterdamse model’ ging heten tekenden zich af.

Vermaatschappelijking
Na de dood van haar zoontje belandde Doortje in 1984 als onbezoldigd coördinator (maar met wachtgeld) in het Platform GGZ Amsterdam. Vanuit deze positie organiseerde ze de vergaderingen van het Platform, organiseerde ze samen met anderen in De Populier open podia en ontstonden de uiteindelijk twintig Nieuwsbrieven van het Platform. (Het Tijdschrift Deviant werd de landelijke opvolger.) Doortje nam deel aan een van de projectgroepen, waarin GGZ- instanties, huisartsen, vertegenwoordigers van het platform en de gemeente zaten, die de verhuizing van Santpoort naar plekken in de stad op een vernieuwende manier voorbereidden en begeleidden.
Het Platform GGZ was Doortjes eerste grote leerschool in de zorg. Ze zat met haar neus op de vermaatschappelijking van de psychiatrie. Het ging er niet alleen om mensen te ’bevrijden’ van een inrichting, het ging er ook om mensen op een verantwoorde manier in de samenleving te doen landen. Dat is meer dan een verhuizing, het gaat ook om de ontvangst, het onthaal, om mensen een plek te geven waar ze zich thuis voelen, waar ze met hun mogelijkheden een weg vinden. Dat gaat niet vanzelf; burgers zitten niet op psychiatrische patiënten te wachten, er is geen ontvangstcomité, de meeverhuizende professionals doen hun werk niet ineens anders en maatschappelijke organisaties worden niet vanzelf inclusief. Er moet dus veel gebeuren om de beweging van patiënt naar burger betekenisvol te maken. Dat thema heeft Doortje nooit meer losgelaten. Met alle indringende vragen die daarbij horen: hoe gaat een samenleving om met het vreemde, met het buiten het gewone? Hoe voorkom je uitsluiting? Hoe enthousiasmeer je de samenleving iets buiten het gewone te doen voor een buitengewone ander?

Dagactiviteitencentra
Naast het werk voor het Platform werd Doortje in 1990 tijdelijk coördinator van de Dagactiviteitencentra (DAC) Vondelstraat en Amsterdam-Noord. Het DAC was een soort thuishaven voor mensen die vanuit de inrichting beschermd gingen wonen, voor mensen in de ambulante zorg, maar er kwamen ook dak- en thuislozen en (ex)verslaafden. Het DAC wilde niet alleen thuishaven zijn, waar het vertrouwen in eigen kunnen werd gestimuleerd, maar ook uitvalsbasis om ‘op weg in de stad te gaan’.
Vanuit het DAC-Vondelstraat begon (met financiering van onder meer vier stadsdelen) en samen met de Riagg het eerste project kwartiermaken(3), dat de naam IEP kreeg: Integratie (Ex)Psychiatrische cliënten. Twee opbouwwerkers kregen tot taak te werken aan een tolerante infrastructuur in o.a. buurtcentra, maar ook de hele samenleving. Bezoekers van het DAC bleken ook behoefte te hebben aan een maatje: iemand die zich wel thuis voelde in de samenleving om samen leuke dingen te doen. Zo ontstond de eerste Vriendendienst.
Na twee jaar ziektevervanging kon Doortje aan de slag bij Riagg Haagrand als preventiewerker sociale psychiatrie. In 1995 maakte ze samen met Jan Baars, die verbonden was aan de VU en thuis was in de theorie van de Frankfurter Schule (4) de bundel Het uitzicht van Sisyphus. Maatschappelijke contexten van geestelijke (on)gezondheid. Ze wilde steeds waar ze mee bezig was beschrijven: “Want als iets niet opgeschreven is, bestaat het niet.” Na deze vooral theoretische exercitie zette ze in Zoetermeer het tweede project Kwartiermaken op met dezelfde opdracht: binnen de samenleving ruimte creëren voor mensen met een psychiatrische achtergrond.

Proefschrift & kwartiermaken
Via Het uitzicht van Sisyphus leerde ze prof. Harry Kunneman van de Universiteit voor Humanistiek kennen en die nodigde haar uit tot het schrijven van een proefschrift, dat naar Doortjes voorstel in – en uitsluiting als thema zou hebben. Doortje bleef zoeken naar de ontmoeting tussen theorie en praktijk. Copromotor Guy Widdershoven, hoogleraar medische ethiek aan de VU stelde haar voor om het project kwartiermaken in Zoetermeer niet alleen als casus op te voeren, maar als vertrekpunt te nemen voor haar onderzoek.
In de ’promogroep’ van Harry Kunneman kwam ze in aanraking met promovendi die zich bezighielden met Franse filosofen als Irigaray en Lyotard. Deze filosofen hielpen haar kritisch te reflecteren op de kwartiermaakpraktijk. Later bleek ook Derrida’s essay Over gastvrijheid een bron van inspiratie. In de laatste fase van haar promotietraject kreeg Doortje steun van haar jongste broer Victor, gepromoveerd filosoof. Victor had belangstelling voor de inzet van Doortjes studie en begreep haar radicale insteek. Hij werd haar tweede copromotor.
In 2001 promoveerde ze met het proefschrift Kwartiermaken. Werken aan ruimte voor mensen met een psychiatrische achtergrond. Het boek is inmiddels toe aan de vijfde druk (na twee drukken bij Boom is de rest in eigen beheer uitgebracht) en kan gerust als het standaardwerk beschouwd worden voor al die pogingen om de zorg voor mensen die kampen met uitsluiting – of dat nu door een psychiatrische achtergrond of een verstandelijke of lichamelijke beperking is – in de samenleving te doen landen. Kwartiermaken gaat over alles wat daarbij komt kijken. En dat is veel, want het gaat niet alleen om het creëren van een (woon)plek, het gaat ook over de bejegening in de samenleving, over gastvrijheid, de mogelijkheden om naar buiten te treden, om geaccepteerd te worden, om mee te doen, om een warm onthaal te vinden. Vermaatschappelijking is een gecompliceerde operatie die veel creativiteit en inspanningen vergt, niet alleen van de zorg, maar net zo hard van de samenleving in al haar facetten.

Veelheid van stemmen
Doortje Kal stoelt haar verhaal over kwartiermaken op vier uitgangspunten: erkenning (dat er iets aan de hand is), gastvrijheid (de ander welkom heten), opschorting (van de normaliteit; iets buiten het gewone doen voor een buitengewone ander) en strijdigheid (gevoeligheid ontwikkelen voor het onzegbare: “wat is en niet kan zijn, doet pijn” (5). Dat zijn de fundamenten van kwartiermaken.
Maar Doortjes proefschrift gaat eveneens over de acties, over wat je kunt doen om vrijwilligers van buurtcentra mee te krijgen. Het gaat over het oprichten van vriendendiensten, over maatjesprojecten en burgervriendschap. Of over gespreksgroepen/multilogen waarin cliënten, naasten, professionals, buurtgenoten bij elkaar komen om op een niet-psychologiserende en niet-medicaliserende wijze te praten over ervaringen. . Het gaat erom een veelheid van stemmen aan het woord te laten, waardoor eigen perspectieven kunnen verschuiven.
Het gaat ook over scholing van mensen, bijvoorbeeld om de woningcorporaties ertoe te brengen om mensen een tweede kans te bieden. Op die manier heeft Doortje het kwartiermaken op de kaart gezet. Samen met opbouwwerkster (Gerda Scholtens) en een coördinator Vriendendienst (Geesje Thomassen) werkte ze in de praktijk, zocht werkvormen, maakten ze samen de Kwartiermakerskrant en vulde haar onderzoek in als een doorlopend actieonderzoek.

Boodschap aan de samenleving
Haar proefschrift is een boodschap, aan de geestelijke gezondheidszorg en ook aan de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, maar vooral aan de samenleving. Het is een filosofische reflectie op een concrete praktijk. In haar proefschrift gebruikte ze de prachtige aan haar broer ontleende metafoor “Waar het huis geen zorg krijgt, vindt de ontmoeting niet plaats.” Het huis is metafoor voor de maatschappij met haar instellingen, bedrijven, buurten, netwerken, taal, cultuur, burgers en politici.
In de jaren na haar proefschrift liet Doortje Kal niet na haar boodschap te verkondigen. Ze zette het Landelijke Steunpunt Kwartiermaken op en sprak op tientallen conferenties, studiebijeenkomsten en wat dies meer zij. Ze introduceerde met een achttal artikelen (en lezingen) de presentietheorie van Andrie Baart in de GGZ (2002). Tevens werkte ze in 2003 aan een onderzoek over kwartiermaken binnen de moskee en schreef daar een artikel over voor het tijdschrift Cultuur Migratie Gezondheid. In 2005 en 2007 organiseerde ze grote manifestaties en congressen over kwartiermaken in de WMO. Zo probeerde ze haar ideeën ingang te doen vinden in de geestelijke gezondheidszorg en in de aanpalende zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, maar ook bij gemeenten, woningcorporaties, kerken enzovoort die immers in de vermaatschappelijking een prominente rol dienden te spelen.
Velen zijn met haar gedachtegoed aan de slag gegaan. In 2007 opende staatssecretaris Jet Bussemaker het door 600 mensen bezochte congres over kwartiermaken in de Wmo (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) met de stelling dat elke gemeente kwartiermakers aan het werk moet zetten om mensen met elkaar te verbinden, om kwetsbare burgers een ondersteuningsstructuur te bieden. Doortje begeleidde samen met Gerda Scholtens jarenlang een werkgroep van zo’n veertig professionals, die als kwartiermaker aan de slag waren. Er is inmiddels een lesmodule, waarmee je binnen een beroepsopleiding kunt leren hoe je kwartier maakt. Al deze activiteiten leidde in 2008 tot de uitreiking van de ‘Douglas Bennett Award’ door het Kenniscentrum Rehabilitatie.

Lector Hogeschool Utrecht
Tussen 2011 en 2013 was Doortje bijzonder lector Kwartiermaken als onderdeel van het lectoraat Participatie, Zorg en Ondersteuning van Jean-Pierre Wilken aan Hogeschool Utrecht Kwartiermaken werd in 2018 door Movisie opgenomen in het handboek Mens tussen de mensen over GGZ in de wijk en de methodiek van Kwartiermaken kwam al eerder in de Movisie-databank van effectieve interventies terecht.
In België bestaat een bloeiende Vlaamse werkgroep kwartiermaken onder leiding van Peter Dierinck, die Hoop verlenen schreef (2017). Hierin beschrijft hij herstel en kwartiermaken als twee kanten van de inclusiemedaille, gelardeerd met talloze indringende praktijkverhalen. In 2020 verscheen van zijn hand Handboek Kwartiermaken met een bevlogen Voorwoord van minister Wouter Beke. In 2006 verscheen de Duitse vertaling van Kwartiermaken bij Paranus Verlag: Gastfreundschaft. Das niederländische Konzept Kwartiermaken. Doortje gaf vele lezingen en bijscholingen aan sociaalpsychiatrische verpleegkundigen en anderen in Duitsland. In 2022 kwam een derde druk uit bij ’Paranus im Psychiatrisch Verlag’. Het vijfde hoofdstuk uit haar proefschrift ’Normatieve professionaliteit’ werd geplaatst in de bundel Proeven van Waardenwerk. Promovendi over hun onderzoek naar normatieve professionalisering (Waardenwerkcahier no 4, onder redactie van Antoinette Bolscher en Richard Brons, 2021). In 2022 verscheen Buiten het gewone. 10 lezingen over kwartiermaken.

Woorden terugveroveren
De mensen waarmee ze samenwerkt in binnen- en buitenland benoemen expliciet hoe deskundig en gedreven Doortje is, maar ook hoe bijzonder aardig zij is. Naar beleidsmakers en politici blijft ze echter kritisch: ‘Zij hebben de woorden waarmee in de jaren zeventig en tachtig een verandering op gang kwam, gestolen en dienstbaar gemaakt aan bezuinigingen in het kader van de decentralisatie. We moeten die woorden terugveroveren”. Gelukkig ziet zij nog genoeg plekken waar aan dit terug veroveren wordt gewerkt. Belangrijk in haar leven zijn momenteel haar twee kleinkinderen, die ze tot haar grote vreugde minstens een keer per week onder haar hoede heeft. Haar kleinkinderen zijn dol op haar.

Een overzicht van alle publicaties van Doortje Kal en publicaties over Kwartiermaken is te vinden op: www.kwartiermaken.nl.

Noten
(1) NESBIC: Tijdschrift voor de internationale ontwikkelingssamenwerking
(2)Politeia was een politieke debating-club die scholing verzorgde op het gebied van socialisme, marxisme en vakbeweging. Er waren afdelingen in Utrecht, Leiden, Amsterdam, Delft, Rotterdam en Nijmegen.
(3) Het begrip kwartiermaken ontleende Doortje aan Jaap van Weeghel en Jacques Zeelen die het begrip introduceerden in het kader van arbeidsrehabilitatie: niet alleen de cliënt voorbereiden op werk, ook de werkplek gastvrij maken voor ’een vreemde ander’ (Doortjes woorden).
(4) De Frankfurter Schule is een Duitse sociologische en filosofische stroming in de hedendaagse filosofie die ontstond in de eerste helft van de 20ste eeuw en zich bezighoudt met de maatschappijkritische, neomarxistische, kritische theorie. De stroming werd opgericht door Theodor Adorno en Herbert Marcuse van het Institut für Sozialforschung te Frankfurt.
(5) Dennis Akkermans in Jenny Boumans en Ingrid Baart, (2013) Het gewone en het bijzonder. Een onderzoek naar ervaringskennis van succesvolle zorgmijders, VU medisch centrum, Trimbos instituut.
(6) Klinisch psycholoog Heinz Mölders werkte zich op van automonteur tot klinisch psycholoog. Hij koos in zijn vakgebied niet het gebaande pad, maar ontwikkelde een eigen methode. ‘Het gaat om onvoorwaardelijk naar elkaar luisteren, zonder etiketjes plakken.’

Met dank aan Doortje en haar zus Pienke.

Publicatiedatum: 10-05-2022
Datum laatste wijziging :10-05-2022
Auteur(s): Mariet Paes,
Links



design by Anne Van De Genachte / built by Dutchlion 2015 / Onderhoud door Rstyle