1908 Emancipatie en belangenbehartiging
Met oprichting Bond van Slechthorenden start strijd om erkenning
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In de dovenwereld ontstond al in een vroeg stadium een sprankelend verenigingsleven. Door de beperking hadden ze vooral elkaar nodig om staande te blijven in een op horenden ingestelde samenleving. In 1884 richtten oud-leerlingen van het Guyot-instituut de vereniging “Guyot” op. Al snel volgden oud-leerlingen van andere dovenscholen met hun eigen verenigingen. Die ontstonden vooral op lokaal niveau om zo te voldoen aan het verlangen naar sociaal contact en elkaar helpen. Zij boden een vluchthaven in een maatschappij waarin doven zich aan de zijkant voelden staan. In 1931 verenigden de verenigingen van oud-leerlingen van de neutrale dovenscholen zich in de Nederlandse Bond van Doofstommenverenigingen (NBDV).

Doorbreken isolement
Slechthorenden gingen zich begin twintigste eeuw apart organiseren. Hun streven was juist het doorbreken van isolement en integratie in de samenleving te bevorderen. De Bond van Slechthorenden (opgericht: 27 maart 1908) zette zich in om dovenonderwijs en de opvang van kinderen met een auditieve beperking in het regulier onderwijs te verbeteren. Verder ijverden ze voor apart onderwijs voor slechthorenden. Daarnaast richtte de bond zich ondermeer op het realiseren van een opleiding voor spraakleraar en integratie van doven en slechthorenden in de samenleving. Wat dit laatste betreft was er ook genoeg pionierswerk in het reguliere onderwijs te verrichten, zo toonde een onderzoek onder de leden aan. Dat verscheen In 1931 in druk van de hand van Bertha Muller: Naar het volle leven. Een onderzoek naar de innerlijke en uiterlijke ervaringen van slechthoorenden en dooven. Na 1945 ging de bond verder als Nederlandse Vereniging voor Slechthorenden (NVVS). Tegenwoordig is de naam Stichting Hoormij/NVVS.

Stimulerend voor de verdere emancipatie was de Amerikaanse film Johnny Belinda met een jonge dove vrouw als hoofdpersoon, die in 1949 in Nederlandse bioscopen draaide. Organisaties van en voor doven bundelden de krachten. Daaruit kwam in 1951 Dovenzorg uit voort als een samenwerking van bestaande dovenverenigingen en dovenscholen. Deze stichting pakte volwasseneneducatie op door middel van volkshogescholen en richtte zich op sociaal-cultureel werk.

Emancipatiestreven
Ouders werden actief in de in 1957 opgerichte Federatie Ouders van Dove Kinderen (FODOK). In 1953 ontstond de Dovenraad, die zich vooral richtte op voorlichting, en bestond uit afgevaardigden van verschillende organisaties. Die ging in 1974 op in de Stichting Nederlandse Dovenraad als een meer van dovenscholen onafhankelijke belangenorganisatie met doven in de leiding. Deze stichting organiseerde congressen over onder meer emancipatie van doven en zette zich in om de samenleving toegankelijker te maken voor deze doelgroep door te ijveren voor tolken, teksttelefoon en ondertiteling met behulp van teletekst. En omgekeerd zetten zich maatschappelijk werksters verbonden aan dovenscholen onder meer in voor de nazorg. Zij hielpen jongeren met een auditieve beperking te integreren in de samenleving. In 1977 gingen ze op in Maatschappelijke Dienstverlening Doven (Madido), die los stond van dovenscholen.

De NVVS legde eigen accenten in het emancipatiestreven, zoals het bevorderen van ringleiding in bijvoorbeeld kerken, scholen en schouwburgen. Daarnaast maakte deze organisatie zich sterk voor deelname van kinderen met een auditieve beperking aan het reguliere onderwijs. Dat werd spoedig breder gedragen. Na 1970 verdwenen gaandeweg de grote instituten waar kinderen dag en nacht verbleven. Zij werden vervangen door kleine opvanghuizen. Dagonderwijs nam toe verstrekt door de vijf dovenscholen die al in 1910 bestonden en de velen over Nederland verspreide scholen voor slechthorenden en kinderen met een taalontwikkelingsstoornis. In dit emancipatieproces dienen anno 2020 nog heel wat stappen gezet te worden, zoals meer gebruik maken van gebarentolken en het veel breder propageren van de Nederlandse Gebarentaal.

Erkenning gebarentaal
Een belangrijk speerpunt in het emancipatiestreven van doven was de erkenning van de Nederlandse Gebarentaal (NGT). Er was een toenemend zelfbewustzijn, waarin doven zichzelf zagen als een aparte groep met een eigen taal en cultuur. Dovenscholen maakten in de jaren 1970-1996 de overgang naar tweetalig onderwijs: gesproken Nederlands en de NGT. Gebarentaal werd ook buiten het onderwijs steeds ruimer erkend als de moedertaal van de Nederlandse dovengemeenschap. In de communicatie van overheden en publieke instellingen werd er steeds vaker gebruik van gemaakt. Een volgende stap is de initiatiefwet van ChristenUnie, PvdA en D66 ingediend in het najaar van 2019, waardoor het gebruik maken van gebarentaal binnen de overheidscommunicatie en in de publieke sector een verplicht karakter zou moeten krijgen. Het wetsvoorstel is in september en oktober 2020 met algemene stemmen door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen.

Meer misbruik en geweld
Hoe belangrijk emancipatie is blijkt uit de resultaten van de commissie-De Winter naar geweld in de zorg voor kinderen in de jeugdzorg. Doven en blinden waren daarin een apart deel van het onderzoek. Geweld en misbruik kwam bij hen vaker voor. Dat was vooral vanwege communicatieproblemen, zoals verbod op gebaren en het gebrek aan toegankelijke informatie. Misbruik lag dan voor de hand, mede omdat doven vaak niet voor vol aangezien werden. De aanduiding doofstommen tot 1960 in gebruik, door doven als denigrerend ervaren, getuigt daarvan.

Publicatiedatum: 16-04-2020
Datum laatste wijziging :27-10-2020
Auteur(s): Marjoke Rietveld-
van Wingerden
,
Verwante vensters
Extra
Wet erkenning gebarentaal
Het initiatiefwetsvoorstel Wet erkenning Nederlandse gebarentaal van de Tweede Kamerleden Kuiken (PvdA), Dik-Faber (ChristenUnie) en Van Eijs (D66) is in september 2020 door de Eerste Kamer en in oktober 2020 door de Eerste Kamer met algemene stemmen aanvaard. De wet beoogt de Nederlandse Gebarentaal (NGT) juridisch te erkennen. Hiermee vormt dit wetsvoorstel het sluitstuk van een proces van dertig jaar waarin er wel maatschappelijke en politieke erkenning is gekomen voor de NGT als moedertaal van de Nederlandse dovengemeenschap, maar juridische (wettelijke) erkenning tot nu toe achterwege is gebleven.
Met dit wetsvoorstel wordt deze juridische erkenning geregeld en worden tevens een aantal hieruit voortvloeiende rechten en plichten vastgelegd, zoals het recht om een eed, belofte of bevestiging af te mogen leggen in de NGT en de plicht voor de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om het gebruik van de NGT te bevorderen. Daarnaast wordt een adviesorgaan ingesteld dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierover adviseert.
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste