1808 Instituut tot onderwijs van blinden
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste


De oprichting van het Instituut tot Onderwijs van Blinden (IOB) in Amsterdam in 1808 kwam niet uit de lucht vallen. Tussen 1805 en 1810 werden in heel Europa liefst twaalf blindeninstituten opgericht. Vanaf het initiële instituut in Parijs in 1784 tot de eerste blindenscholen in de Nieuwe Wereld in 1832 waren het er drieëntwintig. Deze opmerkelijke belangstelling voor blinden en mensen met een andere zintuiglijke beperking [voor de doven zie venster 1790 - Het ontstaan van dovenscholen in Nederland] moet geplaatst worden tegen de achtergrond van de achttiende-eeuwse verlichtingspedagogiek.

De Verlichting werd gekenmerkt door een wending van de goddelijke openbaring naar het menselijk verstand als leidraad voor een goed functionerende samenleving. Kennisverwerving op basis van zintuiglijke waarneming zou als vanzelf leiden tot verantwoord maatschappelijk handelen. Maar wat als die zintuiglijke waarneming verstoord was, bijvoorbeeld door blindheid? De wijze van waarneming achtte men evenwel ondergeschikt aan de betekenis van het menselijk denkvermogen voor de ordening en de interpretatie van het waargenomene. Daarom waren ook blinden in staat tot kennis, en dus tot een zinvolle participatie in de verlichte samenleving. Een voorwaarde was echter dat hun visuele beperking voldoende werd gecompenseerd door de ontwikkeling van andere zintuigen, met name de tastzin. Deze redenering vormde de theoretische onderbouwing voor de oprichting van speciale blindenscholen.

Geestelijke blindheid groter beletsel
Het Amsterdamse initiatief kwam voort uit de kring van vrijmetselaren. Dezen beschouwden de samenleving als een te voltooien bouwwerk, waarbij het individu zichzelf diende te bewerken tot een passende steen. Het ritueel van het afwerpen van de blinddoek en het ontvangen van het licht symboliseerde het zelfbeeld van de vrijmetselaren als maatschappelijke voorhoede met als doel ‘de inwendige blindheid der medemensen weg te nemen’. Door het onderwijs aan blinden en de ontwikkeling van hun verstandelijke en zedelijke vermogens wilde men demonstreren dat geestelijke blindheid een veel groter beletsel vormde voor het vinden van een eigen plaats in de samenleving dan fysieke blindheid.

Van de oprichters van het IOB moeten drie namen worden genoemd. De arts, scheikundige en filosoof Johan Rudolf Deiman (1743-1808) was de geestelijke vader. Hij vond zijn inspiratie rechtstreeks bij Valentin Haüy, de oprichter van het eerste blindeninstituut in Parijs. De dichter en filosoof Johannes Kinker (1764-1845) was een belangrijk publicist over de relatie tussen waarneming, denkvermogen en kennis. De boekhandelaar en politiecommissaris Willem Holtrop (1751-1835) was de stuwende kracht achter de feitelijke oprichting. Holtrop verbond de theoretische motivatie van het blindenonderwijs met de verlichte filantropie. Anders dan de traditionele passieve bedeling was deze gericht op het scheppen van stimulerende voorwaarden voor actieve deelname van armen en behoeftigen aan de samenleving. Met het beroep op deze moderne, particuliere filantropie legde Holtrop een gezonde financiële basis voor het IOB. De kern van het onderwijs aan blinden bestond uit de ontwikkeling van hun tastzin waardoor het lezen van letters, cijfers en afbeeldingen in reliëf mogelijk werd. Schrijven bleef een groot probleem tot de inburgering van het brailleschrift. Daarnaast was er veel aandacht voor opleiding in beroepen, die voor blinden betrekkelijk eenvoudig uit te oefenen waren, zoals stoelen matten en manden vlechten. Door zijn brede opzet kon het onderwijs aan blinden zich inhoudelijk uitstekend meten met het reguliere lagere onderwijs.

Eigen ‘blindenwereld’
Er waren echter twee structurele problemen. Ten eerste was er de paradoxale situatie, dat maatschappelijke integratie werd nagestreefd in een exclusief internaatsverband. Ten tweede was er de matige effectiviteit van het onderwijs. Tegen de verwachting in bleven veel blinden ondanks hun opleiding afhankelijk van materiële bijstand. Dit leidde enerzijds tot differentiatie in het onderwijs aan blinden, slechtzienden en andere subgroepen [zie venster 1951 - Piet Oost en het slechtziendenonderwijs] en anderzijds tot oprichting van liefdadige werkplaatsen en gestichten voor volwassen blinden.

Zo ontstond in de loop van de tijd en versterkt door de oprichting van het katholieke St. Henricus (1859) en het protestants-christelijke Bartiméus (1919) een eigen ‘blindenwereld’, gekenmerkt door een liefdadig patronaat over de doelgroep en, ondanks de goede bedoelingen, gekarakteriseerd door afzondering in plaats van participatie. Pas vanaf de jaren zeventig leidde het groeiende inzicht in de diversiteit en capaciteiten van de doelgroep tot een fundamentele heroriëntatie op inhoud en organisatie van het onderwijs (en de zorg) voor mensen met een visuele beperking.

In 1988 kwamen de vanuit het IOB in de loop van zijn bestaan opgerichte, gespecialiseerde en geregionaliseerde instellingen onder een centraal directorium met Visio als overkoepelende naam. In 2009 fuseerden Visio en het van oorsprong katholieke (St. Henricus) Sensis, dat een vergelijkbare ontwikkeling had doorgemaakt, in Koninklijke Visio, Expertisecentrum voor slechtziende en blinde mensen. Het protestants-christelijke Bartiméus bleef een zelfstandig opererende organisatie.

Publicatiedatum: 10-03-2020
Datum laatste wijziging :25-05-2020
Auteur(s): Jozef Vos,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Jozef Vos (2008), Tastend door de tijd. Twee eeuwen onderwijs en zorg voor slechtziende en blinde mensen. Amsterdam: Boom. [Met name H1 t/m H3.]
Aanvullend materiaal
  • PDF document H.J. Lenderink (1904), HET BLINDENWEZEN IN EN BUITEN NEDERLAND Amsterdam: Gosler & Co. [PFD van monumentale studie uit het begin van de 20e eeuw over het ontstaan van het onderwijs aan blinden.]
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste