Verwante vensters
1950 Professionalisering in de reclassering
De introductie van het social casework
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
"Het als model fungeren van de maatschappelijk werker voor zijn cliënt heeft in de theorie niet volledig de aandacht gekregen. Hij functioneert nu eenmaal als model, onverschillig of dit erkend wordt, en het beste gebruik en de beste waarborg zijn daarin gelegen, dat hij dit aspect van de relatie, geheel bewust en doelgericht ten uitvoer brengt."
Elizabeth Broom, 'Socialisatie en social casework', in: R.W. Roberts & R.H. Nee, Theorieën over social casework. VLS 1975.

Het Nederlandse reclasseringswezen dateert uit 1823. Van oudsher is reclasseringsarbeid vrijwilligerswerk, vaak uitgevoerd door christelijk of humanitair geïnspireerde, sociaal bewogen, gegoede burgers, vooral mannen. In 1904 werd de eerste reclasseringsambtenaar aangesteld. Tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw zijn tal van vrijwilligers actief. Vervolgens verdwijnen de meeste volontairs van het reclasseringstoneel. Van staatswege gesubsidieerde beroepskrachten, vooral maatschappelijk werkers, vervangen of verdringen hen; een ontwikkeling die geheel overeenkomt met ideeën van de verzorgingsstaat.

Omstreeks 1945 waren er in héél Nederland ongeveer 35 reclasseringsambtenaren actief, in 1968 méér dan 400. Ambtenaren brengen vooral voorlichtingsrapporten in strafzaken (adviesrapporten) uit. Vrijwilligers opereren bovenal als toezichthouders. Veel ambtenaren beschikten over levens- en praktijkervaring, maar misten gerichte scholing. De Reclasseringsregeling 1947 bepaalde dat zij gediplomeerd maatschappelijk werker moesten zijn. Om hierin te voorzien werden Urgentieopleidingen sociaal werk georganiseerd en (aanvullende) cursussen ‘reclasseringskunde’ aangeboden.

In 1950 introduceerde Marie Kamphuis het social casework in ons land. Deze hulpverleningsmethodiek werd ook door maatschappelijk werkers van reclasseringsorganisaties toegepast. Tot eind jaren zeventig werden ‘persoonlijke groei’, ‘individueel welzijn’ en ‘sociale actie’ sterk benadrukt. Evenals andere werkers in de welzijnssector stonden veel reclasseringswerkers ‘achter hun cliënten’. ‘Maatschappelijke structuren’ werden vaak als oorzaak van crimineel gedrag beschouwd. ‘Bevoogding’, ‘dwang’ en ‘drang’ waren volstrekt uit den boze. Binnen de reclassering heerste een grote mate van ‘professionele autonomie’: dikwijls werd het werk geheel naar eigen inzicht ingericht. Tussen reclasserings- en justitiedoelstellingen bestonden tegenstellingen en spanningen. De relatie helpen - straffen vond men in deze jaren problematisch.

Begin jaren tachtig veranderde het reclasseringsklimaat. Als gevolg van de economische recessie werden bezuinigingsmaatregelen doorgevoerd. Justitie bemoeide zich vaker en meer met het reclasseringsbeleid: ‘wie betaalt, bepaalt!’ Andere concepten, methodieken en richtlijnen raakten in zwang. ‘Verzakelijking’ en ‘verharding’ van het strafklimaat traden op. Verandering van positionering vond plaats: reclasseringsmedewerkers gaan vaker ‘achter Justitie’ en ‘tegenover daders’ staan.

In de jaren negentig verschijnt nieuw criminologisch onderzoek aangaande het terugdringen van recidive. Ook werden methodieken ontwikkeld inzake het werken met on(vrij)willige cliënten. Deze – dikwijls uit Angelsaksische landen afkomstige – onderzoeken en methodieken vonden gaandeweg hun weg naar de Nederlandse reclassering. Vanaf 2000 richten Nederlandse reclasseringsorganisaties hun werkzaamheden steeds vaker in op basis van ‘What Works’-principes: wetenschappelijk onderbouwde risicotaxaties deden hun intrede (Risico Inschattings Schalen, RISc, 2004), een eerste reclasseringsmethodiek (Delict als Maatstaf, 2004) en gedragsinterventies ter bestrijding van recidivegevaar. Ook de jeugdreclassering kreeg een eigen methodiek (2005) en meerdere specifieke interventies, zoals ITB Harde Kern en ITB Criem. Sinds enkele jaren zien wij een integratie van moderne criminologische, psychologische en sociaal-agogische kennis. Door gebruik te maken van wetenschappelijke bevindingen trachten reclasseringswerkers verantwoorde syntheses te maken tussen de belangen van cliënten en samenleving.

De nieuwe wetenschappelijke inzichten leidden vanaf de eeuwwisseling ook tot nieuwe opleidingen voor het werken in gedwongen kader, waaronder de reclassering. Vanaf de eeuwwisseling werden alle reclasseringswerkers getraind in de RISc en in de nieuwe methodiek. Vanaf 2007 bieden bijna alle hogescholen een minor Werken in Gedwongen Kader aan. De reclassering zelf ontwikkelde een 3RO Opleidingshuis voor beginnende – en vakvolwassen reclasseringswerkers. En sinds 2014 is er, bij Hogeschool Utrecht, de masteropleiding Forensisch Sociale Professional, waaraan jaarlijks een flink aantal reclasseringswerkers deelnemen.

Thans staat ‘de professional centraal’ binnen het reclasseringswezen. Kennis en kunde inzake het reclasseringswerk liggen in handen van reclasseringswerkers, zo wordt gesteld. Hiertoe wordt nauw samengewerkt met andere kenniscentra: Hogeschool Utrecht (lectoraat ‘Werken in Justitieel Kader’) en met Avans Hogeschool Den Bosch (lectoraat ‘Reclassering en Veiligheidsbeleid’).

Behalve voor de effectiviteit van reclasseringsmethoden en -processen (What works?) groeit er steeds meer aandacht voor persoonlijke effectiviteit van de professional (Who works?). Onderzoek wijst namelijk uit dat bepaalde kenmerken van een professional kwaliteit en effectiviteit van zijn werk beïnvloeden. Ja, het tegenwoordige reclasseringswerk is sterk in ontwikkeling. Aan reclasseringswerkers worden de nodige eisen gesteld. Zo worden zij onder meer geacht: hun eigen professionaliteit te (blijven) onderhouden; te werken met wetenschappelijk onderbouwde kennis, methoden en instrumenten; pro-sociale rolmodellen te zijn voor cliënten; eigen feedback te organiseren en eigen doen en laten naar hun collega’s toe te verantwoorden.

Publicatiedatum: 25-08-2015
Datum laatste wijziging :03-11-2015
Auteur(s): Marcel Krutzen,
Verwante vensters
Extra Nico Muller en de introductie van het casework
Begin jaren vijftig schrijft Nico Muller, algemeen secretaris van het Genootschap voor Reclassering, met enthousiasme aan zijn moeder, de pionierster Marie Muller-Lulofs, over de introductie van het casework: 'Ik heb een nieuw boekje over casework van de jonge directrice van School voor Maatschappelijk Werk in Groningen (mej. Kamphuis). En telkens wordt jij daarin goedkeurend aangehaald. Ik zal je aanhalingen daaruit sturen zodra ik daaraan toe ben. Het is toch wel leuk dat wat je zo lang geleden geschreven hebt nu nog van deze tijd blijkt te zijn.' (21-4-1950).
'Ik heb bezoek gehad van een aardige Amerikaanse vrouw die hier een jaar is om het casework te doceren en die aldus ook een ambtenares van ons onder haar leiding heeft. Ik geloof dat ze o.a. wou onderzoeken of ik, als baas van die ambtenares, voldoende voor het casework voelde om aan die ambtenares de practijk van het casework mogelijk te maken. Mijn reactie was: dat ik het casework - met uitzondering van de naam daarvan - met de moedermelk had ingezogen. "O", zei ze, maar ze begreep het blijkbaar niet aanstonds ten volle. Maar even daarna zei ze: "ik ken wel een mevrouw Muller- Lulofs die in 1916 een boek geschreven heeft Van Mens tot Mens en die al eigenlijk casework gedaan heeft. Dat was erg mooi." "Ja", zei ik, "dat is mijn moeder." Toen keek ze me ineens heel anders aan en ze begon te spreken over de heerlijkheid van de periode der voorlopers en van de principiële grote veranderingen die zich aankondigen en nog niet dadelijk helemaal doordringen kunnen. "Die naam Van Mens tot Mens is erg mooi", zei ze, "en die is eigenlijk veel beter dan casework. Van Mens tot Mens zegt precies waar het op aankomt bij het casework en ik gebruik die naam dikwijls bij mijn onderwijs." En zo zie je dat je faam over de zee is heengesprongen en dat de Amerikanen nu weten dat er in Nederland al casework gedaan werd voordat het casework werd uitgevonden. Maar hoe je dat ook wilt uitdrukken: prettig is het zeker dat die oude gedachten van jou nu algemeen worden als grondslag voor het hele maatschappelijk werk: het jouwe en het mijne en al het andere.'(10-12-1952)
(Brieven in particulier bezit)
Verder studeren
Literatuur
  • PDF document Anneke Menger (2011), Achter en tegenover de cliënt: actuele risico’s en perspectieven bij het werken in justitieel kader In; Maatwerk, Vakblad voor maatschappelijk werk, nummer 6, december 2011, blz. 2-6.
  • Anneke Menger en Lous Krechtig (2004), Het delict als maatstaf: methodiek voor werken in gedwongen kader. Vijfde druk 2012. Amsterdam: SWP.
  • PDF document Peter Nelissen & Bas Vogelvang (2011), Reclasseren. Over het waarom, wat en hoe van de professie.  Uitgave Open Access van het Lectoraat Veiligheidsbeleid en Reclassering van Avans Hogeschool.
  • Anneke Menger, Lous Krechtig en Jacqueline Bosker (red.) (2013), Werken in gedwongen kader: methodiek voor het forensisch sociaal werk. Amsterdam: SWP.
  • M.J.A. Moltzer (1954), Opleiding van reclasseringsambtenaren, in: Staffen en helpen. Opstellen over berechting en reclassering aangeboden aan Mr Dr N. Muller. Amsterdam/Antwerpen, 1954, blz. 310- 321.
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste