NIEUW
Verwante vensters
1971 Categoraal opbouwwerk en doelgroepenemancipatie
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Wie op delpher.nl, de website waarop nagenoeg alle kranten van Nederland vanaf de zestiende eeuw tot 1995 zijn gedigitaliseerd, zoekt op het woord doelgroep, krijgt pas treffers vanaf 1969. Eerder bestond het woord eigenlijk niet. Vaak gaat het in de kranten om personeelsadvertenties waarin marketeers worden gevraagd, maar steeds nadrukkelijker duikt het woord ook op in advertenties en krantenberichten waarin het welzijnswerk aan de orde is.
Dat heeft alles te maken met de culturele en maatschappelijke veranderingen die Nederland eind jaren zestig in hun greep hebben genomen. De verzuiling brokkelt af, de welvaart neemt vanaf de loonexplosies in de eerste helft van de jaren zestig met sprongen toe, er treedt een nieuwe ‘moderne’ generatie jonge professionals op de voorgrond, de vrouwenbeweging is uit de startblokken gekomen, krakers roeren zich, op tal van maatschappelijke terreinen vragen mensen om democratisering. Oude verzuilde en territoriale verbanden en sociale indelingen verliezen aan betekenis, nieuwe groeperingen dienen zich aan, voelen zich tekortgedaan en vragen om aandacht. Het traditionele Nederland wordt losgeschud, overal klinkt de roep om emancipatie.

Bijdragen aan emancipatie
De omvattende beweging gaat niet voorbij aan de tamelijk jonge werksoort opbouwwerk. Lag de focus in de jaren zestig op het opbouwen van voorzieningen in volksbuurten en wijken (het zogeheten territoriale opbouwwerk), in de jaren zeventig komen ook de problemen van gastarbeiders, van jongeren, van werkloze arbeiders, van bijstandsmoeders, van psychiatrische patiënten, van WAO’ers in het vizier van het welzijnswerk en dus van opbouwwerkers. En daarmee de vraag om deze groepen te begeleiden, te organiseren en bij te dragen aan hun emancipatie. Dat sloot ook aan bij een ontwikkeling die vanaf de jaren vijftig vanuit het maatschappelijk werk op gang gekomen was: een differentiatie in social case work (individueel), social groupwork (groepsgericht, en dus categoraal) en community organization (territoriale gemeenschapsvorming). Maar het creëert ook een behoefte aan vormingswerk, bijvoorbeeld voor werkende jongeren, die zich steeds nadrukkelijker manifesteert in de jaren zeventig.

Een nieuwe generatie geëngageerde professionals afkomstig van de snel groeiende sociale academies, meldt zich bovendien om zich over het lot van deze nieuwe ‘doelgroepen’ te ontfermen. In die dynamiek ontwikkelt zich het categoraal opbouwwerk in de steden. In zekere zin in navolging van het werk op het platteland, waar van oudsher opbouwwerkers met de problematiek van agrariërs in de weer waren.
De wending richting doelgroepen maakt het opbouwwerk ook uitgesprokener, zo niet politieker. Opbouwwerkers probeerden jongeren, uitkeringsgerechtigden, woonwagenbewoners of WAO’ers bewust te maken van hun situatie en zichzelf te organiseren. Dat was een emancipatieperspectief dat nogal eens kon botsen met het bestaande beleid of op gespannen voet stond met wat machthebbers voor ogen hadden. Het richten op doelgroepen zorgde ook voor een vorm van specialisatie en differentiatie in het opbouwwerk en vermenging met andere vormen van welzijnswerk, zoals jongerenwerk, straathoekwerk en vormingswerk, die zich in de loop van de jaren zeventig tot aparte welzijnsdisciplines ontwikkelen.

Kabinet-Den Uyl
Dat alles voltrekt zich in een maatschappelijk-politieke context waarin het welzijnswerk enorm in de lift zit. Het kabinet Den Uyl (1973-1977) had welzijn (in plaats van welvaart) tot een kernbegrip van het beleid gemaakt. Dat leidde tot steeds meer specifieke rijksbijdrageregelingen die het welzijn voor achtergestelde groepen moesten stimuleren. Het parool van het kabinet - ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’- werd op het welzijnsterrein vertaald als ‘bewustmaking, emancipatie en democratisering’. Dat betekende een forse vergroting van de financiële armslag van de afdeling ‘categoraal opbouwwerk’ van het ministerie van CRM die sinds 1971 een gelijknamige Rijksregeling beheert. Gemeenten konden op dit overheidsgeld een beroep doen, mits zij zelf deel van de financiering voor hun rekening namen. Dat deel is overigens zeer beperkt, namelijk 5 procent. Met de komst van het kabinet- Den Uyl trad er een forse groei op. Het aantal ‘categorale’ beroepskrachten verdubbelt (van 249 in 1971 naar 543 in 1976) en de uitgaven stijgen van 5 miljoen in 1971 naar ruim 86 miljoen in 1980. (Marta Dozy, p. 187).

Surinamers en Molukkers
Dat geld gaat overigens vooral naar de post ‘allochtone groepen’. Zeker in die eerste jaren betreft dat vooral categoraal opbouwwerk voor Surinamers, die rondom de onafhankelijkheid van Suriname (die in 1975 een feit is) in steeds groteren getale naar Nederland zijn gekomen. Hun integratie in Nederlandse samenleving gaat verre van vlekkeloos, om niet te zeggen uiterst problematisch. Zij concentreren zich bijvoorbeeld in de Amsterdamse nieuwbouwwijk de Bijlmer (sinds 1968) en het groeiende aanbod van heroïne vindt gretig aftrek onder Surinaamse (en Antilliaanse) jongeren. Surinamers voelen zich tweederangs Nederlanders en gediscrimineerd en er zijn regelmatig gewelddadige incidenten. De onvrede daarover leidt tot actie vanuit de Surinaamse gemeenschap waardoor in Amsterdam het Centrum Anton de Kom (1972) en in Den Haag de Stichting voor Surinamers wordt opgericht die na de nodige acties gefinancierd worden van uit de Rijksregeling categoraal opbouwwerk. Ook het werk met de Molukse gemeenschappen in Nederland wordt uit deze regeling gefinancierd. Na de gewelddadige treinkaping van Molukse jongeren in 1977 worden de uitgaven zelfs behoorlijk opgeschroefd.

Afkomst en ervaring
Dit werk, daarover is iedereen het eens, kan het beste gedaan worden door iemand die ‘affiniteit’ met de doelgroep heeft. Die de taal spreekt, het milieu kent, de weg weet en het vertrouwen van de betrokkenen heeft. Zo voegt het categoraal opbouwwerk een nieuwe dimensie aan de professionaliteit toe: afkomst en ervaring. In bepaald opzicht wordt het welzijnswerk een werkgelegenheidsproject voor mensen uit de doelgroep. Daar is op zichzelf niks tegen, maar dat het ook problematische kanten heeft, laat de verdere geschiedenis van het Surinaamse welzijnswerk zien waarin zich nogal wat incidenten hebben voorgedaan die wijzen op cliëntelisme, vriendjespolitiek en ondoorzichtige financiële constructies.

De Welzijnswet van 1987 maakte definitief een einde aan de Rijksregeling categoraal opbouwwerk en daarmee aan lokale instellingen die daardoor nagenoeg volledig gefinancierd werden. Zij werden veelal overgenomen door bredere welzijnsorganisaties. Daarmee verdween het opbouwwerk gericht op specifieke groepen niet van de welzijnsagenda. Integendeel, gerichtheid op speciale (probleem)groepen blijft een kenmerk van lokaal sociaal beleid, net zoals het emancipatieperspectief niet verdwenen is. We noemen het alleen nog maar zelden categoraal opbouwwerk. En het wordt ook niet meer alleen door opbouwwerkers gedaan. Het blijft belangrijk, maar ondanks de forse bloei in de jaren zeventig en beginjaren tachtig heeft het categorale werk zich niet tot de core business van het professionele opbouwwerk en de samenlevingsopbouw ontwikkeld. Dat was en bleef uiteindelijk de territoriale aanpak in wijken en buurten.

Publicatiedatum: 18-09-2019
Datum laatste wijziging :29-01-2020
Auteur(s): Froukje Drent, Jos van der Lans,
Verwante vensters
Extra Opbouwwerk in Bijzondere Situaties (O.B.S.)
Tot ver in de jaren vijftig keek niemand vreemd op als er over ’onmaatschappelijkheid’ en ’asociale gezinnen’ werd gesproken. Met moreel beladen termen en dwingende overheidshand werden deze gezinnen in bepaalde buurten tot fatsoen gedrag aangezet. In de jaren zestig verandert de toon (zie venster: 1967 - Milikowski) en worden stigmatiserende termen steeds vaker vermeden. Men spreekt over Opbouwwerk in Bijzondere Situaties, kortweg OBS. Volgens de subsidieverordening uit 1971 betreft dat werk in ’maatschappelijk zwakke milieus’, ’waarin gezinnen, groepen van gezinnen, dan wel andere groepen een zodanige maatschappelijke en culturele achterstand vertonen dat zij in belangrijk mindere mate dan het merendeel van de bevolking deel hebben aan algemeen beschikbare welzijnsvoorzieningen en waarin een concentratie van problematiek een veelzijdige benadering nodig maakt.’ Dat lijkt al erg op het huidige taalgebruik over ’multiprobleemgezinnen’ en ’integrale aanpak’. Overigens werkten daar midden jaren zeventig, aldus een CRM-nota over samenlevingsopbouw, 110 instellingen met 682 beroepskrachten aan.

Woonwagenwerk
Woonwagenbewoners en lokale overheden hebben nagenoeg altijd met elkaar op gespannen voet geleefd. De Woonwagenwet van 1968 beoogde daar verandering in te brengen door de woonwagenbewoners in 50 regio’s overzichtelijke locaties toe te wijzen. Dat ging niet vanzelf, dat vereiste behoedzaam manoeuvreren van slimme beroepskrachten: opbouwwerkers dus die als een soort tovenaarsleerlingen alle complicaties moesten bezweren. Soms lukte dat, vaak niet.

Literatuur
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste