NIEUW
Verwante vensters
2010 Cliënten sluiten overeenkomst met bestuurders: Handvest van Maastricht
Maatschappelijk herstel
eerste   vorige   homepage  
 
In 2010 trad het Handvest Maastricht in werking (zie ook 1977 MDHG). Het werd door de cliëntenbeweging Het Zwarte Gat als een grote overwinning gevierd. De bestuurders van de instellingen van verslavingszorg hadden immers, door hun handtekening te zetten onder een document, met hun cliëntenraden afgesproken zich volop in te zetten voor maatschappelijk herstel (wonen, werk en welzijn) en verbetering van de kwaliteit van leven. De term ‘herstel’ werd nieuw leven ingeblazen, goed beschouwd een oud thema van deze sector, want maatschappelijk werk stond vanaf het begin hoog op de agenda.

Waarom komen mensen met een hulpvraag bij de verslavingszorg? Omdat ze van een verslaving af willen komen, het liefst willen genezen? Of omdat ze in sociaal opzicht beter willen functioneren en omdat die verslaving hun in de weg zit? Waarschijnlijk is het moeilijk om het ene boven het andere te laten prevaleren, zowel voor betrokkenen als voor de verslavingszorg. We zien dan ook dat in alle jaren, en in alle zorgvarianten in deze sector, de medische en psychologische hulpverlening op de een of andere wijze gekoppeld is aan een vorm van maatschappelijk werk. Bij het laatste moeten we dan in het bijzonder denken aan wonen en werken, een andere vorm van dagbesteding of hulp bij de sanering van schulden en het opbouwen van nieuwe sociale contacten.

In de begindagen van de verslavingszorg (toen nog ‘zorg voor alcoholisten’) deed men moeite om het werk een medische identiteit te geven, maar in de praktijk prevaleerde het maatschappelijk werk. Niet alleen omdat er vooral sociaal werkers in deze sector werkten, maar in het bijzonder ook omdat het medisch aanbod aan interventies nog heel beperkt was. En zo die er waren, waren ze niet zo effectief. In de beginjaren van de ambulante zorg besteedde men veel tijd aan het herstellen van het functioneren van het gezinsleven (zoals door te regelen dat het weekloon in natura werd uitbetaald aan de vrouw van de betrokkene, of zoeken naar betere woonruimte) en men begeleidde de mannen van en naar het werk – langs de zo verleidelijke kroegen die op elke straathoek wel te vinden waren. En men deed al aan ‘schuldsanering’ door geld te lenen. Opmerkelijk is dat die uitgeleende bedragen volgens de jaarverslagen op termijn ook werden afgelost. Kwestie van vertrouwen.

In 1949, met de komst van Refusal/Antabus, en vanaf de jaren tachtig met de komst van psychologische behandelmethoden, zijn er steeds meer behandelprogramma’s gekomen alsook een paar werkzame geneesmiddelen. De ‘evidence based medicine’, een methode om effectiviteit van interventies wetenschappelijk op waarde te schatten, heeft er sterk toe bijgedragen dat het karakter van de verslavingszorg als behandelcentrum is gaan prevaleren. De aandacht voor maatschappelijk werk raakte hierdoor achterop en het aandeel sociaal werkers in het personeelsbestand is sinds de jaren tachtig enorm gedaald. Dit werd, behalve door een groter aandeel psychologen, vooral gecompenseerd door de opkomst van (sociaalpsychiatrisch) verpleegkundigen.

Die afname van het aantal maatschappelijk werkers in de verslavingszorg is deels ook hun eigen schuld: sinds de jaren zeventig wilden velen zich steeds meer in een psychotherapeutische richting ontwikkelen. Ze verwaarloosden de materiële hulpverlening en huisbezoeken werden nog maar sporadisch gedaan. De consultatiebureaus hadden weliswaar een reclasseringstaak, een belangrijke bron van inkomsten, maar dat werk werd toch lager gewaardeerd dan het verrichten van therapeutische behandelingen. Toen vanaf het begin van de jaren tachtig psychologen werden aangesteld, werd alras duidelijk dat die therapeutisch meer in huis hadden. En de oorspronkelijke taken van de maatschappelijk werker werden steeds vaker overgenomen door (sociaalpsychiatrisch) verpleegkundigen, die ook net iets ‘praktischer’ te werk gingen.

De belangstelling voor sociale hulp en het richten van de focus op maatschappelijk herstel kreeg in die tijd overigens wel een kans in de ‘alternatieve’ drugshulpverlening. Met steun van de gemeenten werden sinds het einde van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw diverse voorzieningen gefinancierd waarin maatschappelijk-herstelactiviteiten centraal stonden: dagopvang, straathoekwerk en allerlei vormen van sociale steun gericht op wonen, werken en uitkeringen. Voor deze nieuwe stroming van hulpverleners was het aanvaarden van het gebruik en het beperken van de schade het uitgangspunt, in tegenstelling tot de medisch georiënteerde consultatiebureaus, die eenduidig op abstinentie gericht waren. Die werden dan ook als ‘hoogdrempelig’ aangeduid, wat niet onwaar was, omdat ze vaak nog in statige herenhuizen gevestigd waren. Vanaf de jaren negentig zijn al deze instellingen opgegaan in regionale verslavingszorginstellingen en zijn er slechts intern nog van dit soort verschillen.

Behandelprogramma’s kunnen nog zo effectief zijn, ze bereiken daarmee lang niet iedereen en zeker niet op tijd, en het is een feit dat een deel van de populatie een chronisch verslavingspatroon ontwikkelt met allerlei vaak ernstige complicaties in sociaal opzicht. Om aan die problemen het hoofd te bieden richtte het in 1998 gestarte kwaliteitsontwikkelingsproject Resultaten Scoren in 1999 een ‘ontwikkelcentrum sociale verslavingszorg’ op. De aandacht was onder andere gericht op het belang van casemanagement als model van zorgverlening. De casemanager hield in ieder geval het overzicht van de diverse contacten. Maar onderzoek toonde aan dat het effectiever was als binnen het casemanagement (bezien als een teamfunctie) zoveel mogelijk functies bijeen werden gebracht. Dat voorkwam dat niet telkens een verwijzing naar een andere hulpverlener moest plaatsvinden.

Een nog nooit goed opgelost vraagstuk betreft de timing van de aandacht voor maatschappelijk werk in het geheel van zorgactiviteiten. Nu wordt de aandacht voor wonen en werken, dagbesteding en schuldhulpverlening nog vaak beschreven in termen van nazorgactiviteiten. Als we ervan uit mogen gaan dat de persoonlijke vraag naar hulp bij de verslaving even belangrijk is als die naar hulp bij het verbeteren van het sociaal functioneren, pleit dat ervoor om al meteen bij de intake deze sociale problemen te benoemen én afspraken te maken over de wijze waarop ook op die gebieden hulp kan worden geboden. Dit past overigens prima bij de biopsychosociale benadering die ook door de verslavingsartsen wordt omarmd. Vanuit de cliëntenbeweging is er gezien het Handvest Maastricht een oproep gedaan om meer aandacht te geven aan maatschappelijk en persoonlijk herstel.

De laatste jaren wordt de aandacht door cliëntenorganisaties (en familieleden) ook steeds meer gelegd op het belang van de zelfregie in het zorgproces. Het streven is erop gericht dat cliënten ‘eigenaar’ worden van het zorgproces en een belangrijke stem hebben in de beslissingen over de behandelstrategie en het herstelproces. Dit is een nieuwe fase in een al decennialang gaand emancipatieproces van cliënten.

Publicatiedatum: 25-05-2016
Datum laatste wijziging :31-10-2016
Auteur(s): Jaap van der Stel,
Verwante vensters
Literatuur
Links
eerste   vorige   homepage