De halfbroer van Dolle Mina of: de biografie van ‘een edel mensch’ G.J. Veerman
De halfbroer van Dolle Mina of: de biografie van ‘een edel mensch’
Mr. Hendrik Lodewijk Drucker, 1857-1917

Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2023
ISBN 9789464550481
€ 30.00
Bestellen
    overzicht   volgende   laatste
Hendrik Lodewijk Drucker was een van de belangrijkste sociale hervormers en volksverheffers van rond 1900, maar, ten onrechte wel erg ondergewaardeerd in de algemene literatuur betreffende het sociale werk. Zo besteedt Christianne Smit in haar overigens voortreffelijke studie De volksverheffers maar een paar regels aan Drucker, als hij Leidse studenten die meedoen aan het Toynbeewerk verwijt, dat ze met hun ‘dronken plezier’ ergernis veroorzaken bij de ‘werkmanszonen’, ‘waardoor hun bestgemeend sociaal verzoeningswerk als onoprecht wordt gehaat’. In mijn eigen geschiedenissen van het welzijnswerk komt hij alleen maar terloops voor als (mede)auteur van Nuts-rapporten. Hij verrichtte juist heel veel ‘werk in de schaduw’. Daarom kunnen we nu wel heel blij zijn met de biografie ‘van een edel mensch’, die door de jurist prof. G.J. Veerman aan hem is gewijd. Drucker was betrokken bij volksontwikkelingswerk en droeg als jurist, als hoogleraar, als lid van de gemeenteraad in Groningen en Leiden en als lid van de Tweede en Eerste Kamer voortreffelijk bij aan sociale wetgeving en sociaal werk. Al zijn activiteiten werden samengebonden door zijn streven naar verbetering van ‘het lot van de minderbedeelde medemens’.

Volksverheffing
Hoewel Drucker als filantroop pas in een kort hoofdstuk achteraan in het boek wordt behandeld, lijkt het mij goed om te beginnen met zijn actieve betrokkenheid bij sociaal werk. Van 1885 tot 1897 was Drucker met korte tussenpauzes lid van het hoofdbestuur van de " target="_blank"> Maatschappij tot Nut van het Algemeen en schreef hij mee aan een drietal belangrijke Nuts-rapporten; in 1894 het Rapport Werkeloosheid, in 1896 Het vraagstuk der Volkshuisvesting en in 1900 het Rapport over het Leerlingwezen in Oostenrijk, Zwitserland en Duitschland ter ondersteuning van zijn politieke streven om ook in Nederland het ambachtsonderwijs te verbeteren. In de tijd dat hij als hoogleraar in Groningen werkte (1882-1889), was hij naast gemeenteraadslid onder meer ook lid en medeoprichter van de Vereniging Werkmanssteun en lid van de Commissie tot oprichting van een industrieschool voor meisjes. Na zijn benoeming in 1889 tot hoogleraar in Leiden was hij, naast weer het lidmaatschap van de gemeenteraad, actief in een reeks sociale organisaties. Zo was hij mede-oprichter van de Vereniging werkmanswoningen, voorzitter van de Leidsche fabrieksschool, lid van de Vereniging ‘De practische Ambachtsschool’, lid van de Leidsche Maatschappij tot Weldadigheid, lid van de Vereniging tot verbetering van het lot van Blinden in Nederland en zijne Koloniën en donateur van de Leidsche Werklieden Zangvereniging ‘Kunst na Arbeid’.

Leids Volkshuis
Zijn belangrijkste activiteit op het gebied van het volksontwikkelingswerk was zijn betrokkenheid bij het Leidse Volkshuis. Samen met twee collega-hoogleraren richtte hij de Stichting Leids Volkshuis op; van 1998-1914 was hij tevens voorzitter van het bestuur. Hij kende Emilie Knappert, de befaamde eerste directeur van het Volkshuis, al langer van het buurtwerk van de vrijzinnigen. Bij de opening van het volkshuis in 1899 werd Drucker door de burgemeester van Leiden zeer geprezen als ‘de ziel van dit alles’ die in zijn openingsrede ‘te bescheiden’ was geweest: ‘hij sluipt als het ware naar de achtergrond’, een persoonlijkheidskenmerk van Drucker dat nog wel vaker zou opduiken. Het bleef trouwens niet bij bestuurswerk voor het Volkshuis alleen. Hij gaf er zelf ook cursussen, zoals die over sociale wetgeving en het Bureau voor rechtskundig advies, dat ook bij het Volkshuis hoorde en waar met name arbeiders met juridische problemen of vragen langs konden komen, werd ook regelmatig door Drucker zelf bemand. Tenslotte steunde hij het Volkshuis nog financieel; hij vulde jaarlijks de tekorten aan en schonk bij zijn afscheid als voorzitter in 1914 een fors aandelenpakket, dat jaarlijks een rente van f 1400,00 opleverde. Terzijde. Om dit portret nog wat aan te vullen, al schrijft Veerman er niet over: Drucker was ook betrokken bij de oprichting van de Opleidingsinrichting voor Socialen Arbeid in Amsterdam, de eerste Sociale Academie. Drucker gaf er les over arbeidswetgeving, een van zijn dierbaarste onderwerpen.

Een sociaal voelende rechtsgeleerde
De centrale delen in de biografie van ‘een edel mensch’ worden, naast die over zijn afkomst en leven, gevormd door de hoofdstukken over Drucker als jurist en wetenschapper, Drucker en de wetgeving en Drucker als volksvertegenwoordiger.
De uitgebreide aandacht, die in het boek aan het juridische aspect wordt gegeven, zal de betrokkenen bij de wereld van het sociale werk wel niet meteen aanspreken, aanvankelijk ook mij zelf niet, maar die aandacht is uiteindelijk wel heel belangrijk om de samenhang van al Druckers werk te begrijpen en het belang ervan voor de samenleving, ‘de eenheid van denken en doen’.
Drucker was, aldus zijn biograaf, ‘primair een sociaal voelende rechtsgeleerde, die vandaaruit sociale kwesties bestudeerde en er oplossingen voor bedacht’. Hij stelde zijn ‘juridische en wetenschappelijke expertise ten dienste van sociale rechtvaardigheid’. Het ging hem erom verbinding te leggen tussen recht en samenleving. Bij de aanvaarding van zijn hoogleraarschap in het Romeinse recht in Leiden noemde hij in zijn oratie - door Veerman levendig en sprankelend genoemd - dat recht een ‘recht van de vermogenden, van de machthebbers’. Hij ging onder meer in op de rol van juristen en de wetgever tegenover ‘de sociale quaestie’. Er was een taak voor de staat weggelegd in de bescherming van de zwakken en juristen moesten dan ‘geen struikelblokken opwerpen in de vorm van overgeleverde rechtsregels’.

Wet op de arbeidsovereenkomst
De Wet op de arbeidsovereenkomst was, aldus Veerman, ‘de wet van Drucker’, met de Woningwet en de Ongevallenwet op een gedeelde tweede plaats. Drucker ontwierp die wet in 1894 op verzoek van de minister. Het was ‘een revolutionair voorstel’, omdat voor het eerst de arbeid werd geregeld en wel als een tweezijdige overeenkomst, waarbij de zwakste partij, de arbeider, beschermd werd. Na lange parlementaire behandeling en veel amendementen werd het wetsvoorstel in de Tweede Kamer uiteindelijk in 1906 aanvaard met 79 tegen 8 stemmen. De SDAP stemde tegen, omdat het ging om een privaatrechtelijke regeling en het strafrecht buiten de deur werd gehouden. Drucker als sociaal liberaal zou de sociaal-democraten trouwens wel vaker tegenover zich vinden; zij vonden zijn hervormingen vaak maar ‘repressieve tolerantie’.
Over de belabberde woonsituatie in Nederland schreef Drucker al ver voor hij in de Tweede Kamer kwam in het Sociaal Weekblad van zijn links-liberale geestverwant Kerdijk, voor de eerste keer in 1887: ‘Behoeft het nog betoog, dat hier een ruim veld van werkzaamheid ligt, voor hem die de volksgezondheid wil bevorderen, den arbeider wil beschaven en veredelen, zijn werkkracht en levenslust wil vermeerderen’. Drucker stelde voor, dat arbeiders coöperatieve verenigingen zouden vormen en dat overheden het hunne zouden bijdragen. In zijn maidenspeech in de kamer kwam hij hier op terug. Het Nuts-rapport over de volkshuisvesting (1896), werd in 1899 opgepakt door een nieuw kabinet, dat al snel een wetsvoorstel indiende. Er kwam een parlementaire voorbereidingscommissie onder voorzitterschap van Drucker en in 1901 werd de wet door de kamer aangenomen. Ook voor een Ongevallenwet, die de werkgevers dwong hun werknemers te verzekeren, pleitte Drucker in publicaties en toen de regering zo’ n wet indiende, zette hij zich als kamerlid hier eveneens heel actief voor in. Tot verdriet van Drucker werd de wet onder druk van de conservatieve Eerste Kamer gewijzigd en eveneens in 1901 aanvaard.

Drucker als volksvertegenwoordiger
Het belangrijkste parlementaire werk van Drucker kwam hiervoor eigenlijk al aan de orde, zijn bijdragen aan sociale wetgeving. Hij behoorde tot de linker vleugel van de Liberale Unie en toen de links-liberalen zich afsplitsen en de Vrijzinnig Democratische Bond oprichtten, koos ook hij voor de nieuwe partij en werd hij voorzitter van de kamer-fractie. Als volksvertegenwoordiger wilde hij zijn sociale opvattingen omzetten in wetgeving en streed hij tegen wetten die hij sociaal onwenselijk achtte. Zo verzette Drucker zich na de grote spoorwegstaking van 1903 krachtig tegen de wetten van Kuijper om de rechten van het spoorpersoneel in te perken.
Veerman noemt Drucker ‘een volksvertegenwoordiger, liever dan een politicus’, maar dan wel ‘meer vertegenwoordiger voor het volk dan van het volk’. Drucker hield niet van de machtsspelletjes die er in Den Haag werden gespeeld. Hij was dan ook meer wetgever dan politicus en ergerde zich vaak aan de enorme traagheid waarmee wetgeving, ook de sociale, tot stand kwam. Hij wordt beschreven als een goed spreker, die scherp maar hoffelijk was in het debat.
Ook als gemeenteraadslid in Groningen en Leiden bepleitte Drucker allerlei sociale initiatieven. In Groningen hekelde hij een plan van B&W ter reorganisatie van het armwezen en beval daarbij het Elberfelder stelsel krachtig aan, een stelsel van armenzorg dat niet alleen maar bestond uit aalmoezen geven, maar gebaseerd was op persoonlijk contact met de armen om hen zoals ik het zelf ooit noemde ‘langs zachte wegen’ te heropvoeden. In Leiden zette hij zich in de gemeenteraad uiteraard ook krachtig in voor sociale maatregelen op lokaal niveau, zoals de strijd tegen krotwoningen, opkomen voor openbare gezondheid, geneeskundige armenzorg, volksontwikkelingswerk.

Dolle Mina
Hopelijk is uit deze korte samenvatting van de hooflijnen in het boek duidelijk geworden, dat Hendrik Lodewijk Drucker toch ten onrechte maar een bescheiden plaatsje heeft gekregen in de literatuur over sociaal werk. Dat bescheiden plaatsje is overigens wel begrijpelijk, omdat zijn werk zich voornamelijk afspeelde op juridisch en politiek-juridisch gebied. Maar door ‘de eenheid van denken en doen’ wordt zo ook Druckers betrokkenheid bij sociaal werk zeer verhelderd.
Het boek is geschreven door de jurist Gerrit Jan Veerman, die als dienstweigeraar korte tijd actief was in het sociaal-cultureel werk in Amsterdam en daarna werkte bij verschillende ministeries, onder meer als raadsadviseur wetgevingsonderzoek bij het WODC en bij de beleidsdirectie Politie en de directe wetgeving en als hoofd van het kenniscentrum Wetgeving. In 2003 werd Veerman hoogleraar Wetgeving in Maastricht, tot 2012. Ook voor niet-juristen is het boek heel toegankelijk geschreven, helemaal in de geest van Drucker die vond, dat wetten verstaanbaar moesten zijn, geschreven in mooi Nederlands.
In het slothoofdstukje ‘De eenheid van denken en doen probeert prof. Veerman Hendrik Drucker ook psychologisch te duiden, waardoor hij zich wel wat op glad ijs begeeft. Drucker wordt, ook door tijdgenoten, omschreven als hoffelijke, geestige, beminnelijke en zachtmoedige man, die ondanks zijn mooie carrière verlegen en onzeker, zelfs bang bleef. Hier wordt ook duidelijk waarom Dolle Mina zo nadrukkelijk in de titel van Veermans boek voorkomt. Eerst dacht ik aan aandachttrekkerij, aan een reclametruc voor het boek, maar zijn halfzuster uit een van de affaires van vader Drucker, die formeel niet eens de naam Drucker mocht dragen, is wel een belangrijke factor in de psychologische verklaring van Druckers karaktertrekken. Veerman vermoedt, dat zijn halfzus indirect veel invloed op hem heeft gehad en hem onzeker maakte door ‘haar bestrijding van hem, de manier waarop zij hem in een kwaad daglicht stelde, haar woede en jaloezie op hem’, een jaloezie mede veroorzaakt door het feit, dat zij als buitenechtelijk kind maar een klein deeltje van vaders rijke erfenis kreeg en de binnenechtelijke kinderen zoals Hendrik Lodewijk een vermogen. Als dit alles klopt, mag de titel van het boek inderdaad wel luiden De halfbroer van Dolle Mina, maar hoofdzaak is toch, dat het gaat om een interessante, uitvoerige, leesbare, toegankelijke, van treffende illustraties voorziene, biografie van een edel mens.

Henk Michielse

Beoordeling
Historische relevantie
● ● ● ● ●
Relevantie sociaal werk
● ● ● ● ○
Leesbaarheid
● ● ● ● ○
Illustraties
● ● ● ● ○




    overzicht   volgende   laatste