1932 Volkshogeschool Alllardsoog in Bakkeveen
Volksontwikkeling in internaatsverband
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

In 1932 werd in Bakkeveen, Friesland, de Vereniging tot Stichting van Volkshogescholen opgericht. De eerste volkshogeschool - met de naam Allardsoog - werd al snel een begrip in de wereld van onderwijs, volksontwikkeling en werkloosheidsbestrijding.

De volkshogescholen (tussen 1932 en 1980 waren er vijftien) kwamen niet uit de lucht vallen, maar kwamen voort uit de traditie van volksontwikkeling en volksverheffing, zoals die inmiddels was neergeslagen in volkshuizen en dorpshuizen. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen maakte aan het einde van de achttiende eeuw van ‘volksontwikkeling’ al een belangrijk thema. In de loop van de negentiende eeuw werd dit ook langs verzuilde lijnen opgepakt. Vroege voorbeelden zijn de Vereniging Tot Heil des Volks (1855) en het Koning Willems Huis (1862), niet toevallig beide gevestigd in de Jordaan. Voor de arbeidersbeweging werden vanaf de jaren 1870 scholing en ontwikkeling een must. Voor de socialisten was ‘verdieping van het klassenbewustzijn’ het doel; voor de christelijke organisaties stonden ‘verbreiding van het Evangelie’ en ‘verzoening tussen kapitaal en arbeid’ voorop. In latere jaren richtten beiden zich steeds meer op ‘gemeenschapsopvoeding’ en ’volksverheffing’.

Een echte nieuwigheid was het volkshuiswerk dat in 1892 werd begonnen, als eerste ook al weer in de Jordaan, volkshuis Ons Huis. Een tweede vernieuwing was het vormings- en ontwikkelingswerk van de vrijzinnig-protestantse Woodbrookers. Zij ontleenden hun naam aan het vormingscentrum van de Quakers in Woodbrooke in Engeland. In deze kring propageerde Hermien van der Heide (1898-1944) in de jaren twintig als eerste het vormingswerk in internaatsverband dat zij had leren kennen in de Scandinavische landen. Daar bezocht zij de volkshogescholen die in het midden van de negentiende eeuw door Grundtvig en Kold waren gesticht. Dit werk zou bekend worden als het volkshogeschoolwerk, niet te verwarren met de volksuniversiteiten die sinds 1913 lezingen organiseerden. De volksuniversiteiten richtten zich sterk op kennisoverdracht – in navolging van de Britse university extension beweging. Voor de volkshogescholen was dat niet genoeg: zij wilden de hele persoon aanspreken. Op het programma stonden ook zang, dans, voordrachtskunst, handenarbeid en lichamelijke opvoeding – ontdekken van eigen mogelijkheden – en gezamenlijke praktische arbeid in de moestuin en de aanleg van paden, sportvelden en een buitentheater. Het gezamenlijke verblijf van één, twee of meer weken maakte dat ook mogelijk.

De economische crisis van de jaren dertig gaf de stoot tot het Nederlandse volkshogeschoolwerk. De eerste volkshogeschool (Allardsoog in Bakkeveen) organiseerde vanaf 1932 cursussen voor jonge boeren, werklozen en studenten en belegde buurtbijeenkomsten, waaruit het buurtwerk ontstond. In Friesland, Overijssel en na de oorlog in Noord-Holland stonden volkshogescholen aan de wieg van het buurtwerk en buurtopbouwwerk. Het streven van de vereniging was er op gericht om in elke provincie een volkshogeschool te vestigen. In 1968 was het zo ver.

Pioniers van het eerste uur waren Jarig van der Wielen (1880-1950), Henk van der Wielen (1903-1990), Hans de Vries Reilingh (1908-2001), Oscar Guermonprez (1912-1977) en Cees Stapel (1918-2003). Het volkshogeschoolwerk beleefde in de jaren 1950-1980 zijn grootste bloei, mede dankzij de royale subsidieregeling van de landelijke overheid. Vele honderdduizenden (jongeren, scholieren, plattelandsjongeren, huisvrouwen, volwassenen, ouderen) volgden de cursusweken over samenlevingsvraagstukken, opbouwwerk, industrie, medezeggenschap, landbouwontwikkelingen, milieu, emancipatie en muziek, kunst en cultuur.

De overheid achtte de subsidielast in de jaren zeventig te zwaar, ook omdat naast de volkshogescholen de vormingscentra van protestants-christelijke, katholieke en religieus-socialistische huize voor subsidie in aanmerking kwamen. Vanaf 1982 werd fors bezuinigd en de minister van WVC (nu VWS) dwong al deze instellingen in enkele fusierondes (1983-1995) samen te gaan, van ruim veertig tot een stuk of vijf. Overheidssubsidie was voortaan alleen nog beschikbaar voor specifieke groepen, zoals het kader van gehandicapten- en vrijwilligersorganisaties. Tot 2009 functioneerde de VTA Groep (Vorming Training Advies Groep), als koepelorganisatie.

De volkshogeschoolgedachte leeft voort in de Stichting Learn for Life, die sinds 2010 het werk van de Stichting voor Volkshogeschoolwerk voortzet. Learn for Life stimuleert (internationale) educatieve en vormingsprojecten en organiseert het jaarlijkse Festival van het Leren.

Publicatiedatum: 15-04-2009
Datum laatste wijziging :18-03-2021
Auteur(s): Maarten van der Linde
(1948-2020)
,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Maarten van der Linde, Johan Frieswijk (2013), De Volkshogeschool in Nederland, 1925-2010. Hilversum: Verloren, 2013.
  • Maarten van der Linde (2013), Basisboek geschiedenis Sociaal Werk in Nederland. Amsterdam: SWP, vijfde druk. Hoofdstuk 8.10 Volksontwikkeling en vormingswerk, pp. 187-190.
  • Karel Roessingh (red.) (1981), Een halve eeuw volkshogeschoolwerk. Een bundel opstellen over het volkshogeschoolwerk in de jaren 1931-1981. Amersfoort: Vereniging voor Volkshogeschoolwerk.
  • Rozemond, Sam A. (1993), Tussen missie en markt. Educatief werk van volkshogescholen en vormingscentra ten behoeve van bedrijven en overheidsorganisaties. Groningen; Wolters-Noordhoff.
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste