1984 Charles Murray
Kritiek op de verzorgingsstaat
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Als je de Nederlandse vakliteratuur van sociaal werk er op na slaat, ga je nauwelijks verwijzingen vinden naar het werk van Charles Murray. Toch is het nuttig kennis te maken met zijn werk omdat het erg invloedrijk is bij opiniemakers aan de rechterzijde van het politiek continuüm. Zijn denkbeelden komen herkenbaar terug in vele discussies over de sociale sector.

Murray werd in 1943 geboren in de Amerikaanse staat Iowa. Dankzij goede schoolresultaten kreeg hij een beurs voor Harvard University waar hij een diploma geschiedenis haalde, om daarna aan het nabijgelegen Massachusetts Institute of Technology te promoveren in de politieke wetenschappen. Daarna volgde zes jaar deelname aan een vredesmissie in Thailand. Pas nadien begon zijn nog steeds voortdurende carrière als wetenschapper in dienst van conservatieve ‘denktanks’. Eerst werkte hij voor American Institutes for Research (1974-1981), vervolgens voor Manhattan Institute (1981-1990) en sindsdien voor het neo-conservatieve American Enterprise Institute. Dit laatste instituut heeft enige bekendheid in Nederland omdat in 2006 Ayaan Hirsi Ali er een tijdje werkte toen ze Nederland ontvluchtte.

In 1984 schreef Murray een analyse over het Amerikaanse sociaal beleid in de periode 1950-1980, de decennia waarin wereldwijd de verzorgingsstaat uitgebouwd werd: Losing ground. Hoe kan het toch zijn, vraagt Murray zich af, dat we steeds meer geld aan armoedebestrijding uitgeven en dat er steeds meer armoede is? Hoe kunnen we deze paradox verklaren? Daarvoor gebruikt Murray in zijn boek het fictieve voorbeeld van Harold en Phyllis uit Pennsylvania. De vrouw van het jonge koppel wordt zwanger en beide overleggen wat te doen. Murray laat het duo overwegen hoe te handelen vanuit dezelfde situatie maar op twee tijdstippen en bij verschillend sociaal beleid. In 1960 zouden ze getrouwd zijn en zou de man een voltijdse baan zoeken. Phyllis zou immers geen bijstand krijgen omdat er een man in het huishouden aanwezig is, en een werkloosheidsuitkering voor Harold zou te laag zijn om drie mensen te onderhouden. Tien jaar later zouden Harold en Phyllis echter niet huwen maar beiden een sociale uitkering vragen. Hogere uitkeringen en minder voorwaarden vanuit sociaal beleid zorgen er dan voor dat het voor het duo aantrekkelijker is om beroep te doen op de verzorgingsstaat in plaats van te gaan werken en een eigen inkomen te verwerven. Door gedrag dat leidt tot armoede niet te sanctioneren maar te compenseren met uitkeringen, was de verzorgingsstaat een veroorzaker van armoede geworden, zo argumenteerde Murray. Het vangnet was een hangmat geworden. Dit argument is nog steeds met grote frequentie te horen, ook in Nederlandse en Vlaamse discussies over de verzorgingsstaat.

Het boek Losing ground gaf vele criticasters van de sociale sector munitie en Murray enige bekendheid. Tien jaar later publiceerde hij samen met Richard Herrnstein The bell curve en werden beiden wereldbekend. Kernboodschap van hun boek was dat sociale ongelijkheid genetisch bepaald werd, en dus via erfelijkheid liep. Meteen zaten ze, aldus hun critici, dicht bij de rassentheorie van de nazi’s en de eugentica. Het nature nurture debat werd plots weer heel levendig.

Publicatiedatum: 16-03-2009
Datum laatste wijziging :11-11-2013
Auteur(s): Jan Steyaert,
Literatuur
  • Murray, Charles (1995), Losing ground: American social policy, 1950-1980 (10th anniversary edition) , New York: BasicBooks
  • Herrnstein, R., & Murray, C. (1994), The bell curve , New York: Siman & Schuster.
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
Video


Charles Murray wordt geinterviewd over zijn boek Coming Apart. The State of White America, 1960-2010 uit 2012.

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste