1921 Destrée
De overheid zet de subsidietrein op de rails
    homepage   volgende   laatste

Het prille sociaal-cultureel werk (volksverheffing, volksopvoeding) is in de 19e eeuw vooral een zaak van het particulier initiatief. De overheid (liberalen en katholieken) reserveert alleen een deel van de onderwijsmiddelen voor avond- en zondagonderwijs voor volwassenen. De adultenscholen zijn bedoeld voor arbeiders die geen onderwijs hadden genoten of hun verworven kennis wensten uit te breiden.

Voor en na de Eerste Wereldoorlog vindt een drastische verandering plaats. In 1914 wordt de leerplicht ingevoerd, waardoor een stelselmatige vermindering van het analfabetisme bij de volksklasse wordt gerealiseerd. De invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen brengt in 1919 voor het eerst de socialisten aan de macht en in de regering. Dit resulteert snel in de vastlegging van de arbeidsduur tot een werkweek van maximaal 48 uren en een werkdag van maximaal 8 uren. De gewijzigde arbeidsduur heeft tot gevolg dat de overheid zich eveneens wil bekommeren om de vrije tijd van de arbeiders.

In 1920 dient de socialistische minister van Kunsten en Wetenschappen, Jules Destrée, een wetsontwerp in betreffende de openbare bibliotheken. De wet die op 17 oktober 1921 wordt afgekondigd, voorziet in een financiële tegemoetkoming aan “openbare gemeentelijke”, “aangenomen” en “vrije” bibliotheken. Die gesubsidieerde bibliotheken moeten voor iedereen toegankelijk zijn, kosteloze diensten verschaffen, zich aan staatstoezicht onderwerpen en in principe beschikken over een bibliothecaris met getuigschrift. Op die manier wordt de basis gelegd voor een actief bibliotheekbeleid. In 1922 zijn er 1.380 door de staat erkende bibliotheken, in 1929 zijn er al 2.174.

Eveneens, tegen de achtergrond van de arbeidsduurbeperking, vaardigt dezelfde minister Jules Destrée op 5 september 1921 een Koninklijk Besluit uit voor het verlenen van toelagen aan naschoolse werken (liberté subsidiée). Subsidies kunnen worden toegekend aan volksuniversiteiten, hogeschooluitbreidingen, studiekringen, lezingen en alle gelijksoortige werken van wetenschappelijke of artistieke uitbreiding, uitgenomen die welke tot Beheer van Schone Kunsten behoren. Ook de aard van de activiteiten wordt vastgelegd: gewone voordrachten, voordrachten met lichtbeelden en voordrachten met muziekuitvoeringen. In 1925 worden nog twee categorieën activiteiten toegevoegd: voordrachten met cinemafilmen en voordrachten met proefnemingen of bezoeken. De organiserende instanties houden echter wel alle controle over de inhoud. De toelagen aan naschoolse werken blijven tot de invoering van de culturele autonomie de vigerende subsidieregeling voor het volksopvoedingswerk in het unitaire België.

Parallel aan de wetgeving voor bibliotheken en naschoolse werken is een aantal politici van oordeel dat er nood bestaat aan een centraal orgaan dat het volksopvoedingswerk bedenkt, concipieert, aanmoedigt en begeleidt. Dit vindt zijn vertaling in het ambitieuze plan van een aantal socialistische parlementsleden die onder leiding van Louis Piérard in 1922 een wetsvoorstel indienen tot oprichting van een “Nationaal Werk voor den Vrijen Tijd van den Arbeider”. Pas in 1929 wordt een sterk afgezwakt voorstel door het parlement goedgekeurd. Het neemt de vorm aan van de oprichting van een Hoge Raad voor de Volksopleiding. Deze Raad wordt een centrale cel voor het overheidsbeleid, dat op de eerste plaats gericht is op het coördineren en stimuleren van het privé-initiatief in de sector van de volksopvoeding. In 1936 wordt de Nationale Dienst voor den Vrijen Tijd van den Arbeider opgericht. De Dienst wordt drie jaar later al opgeheven. Hij functioneerde louter als prefiguratie van de overheidsadministratie voor de volksontwikkeling.

De Directie voor de Volksopleiding stuurt aan op een ruimer overheidsbeleid en laat zich hierbij inspireren door de UNESCO-conferenties over “adult education”. Het duurt uiteindelijk nog tot 24 maart 1967 vooraleer een Koninklijk Besluit over de subsidiëring van de activiteiten van nationale en regionale organisaties ten bate van de Nederlandstalige volksontwikkeling wordt afgekondigd. Het besluit komt, in de aanloop naar de culturele autonomie, tot stand onder de politieke verantwoordelijkheid van de eerste beleidsman voor Nederlandse Cultuur, de christendemocraat Renaat Van Elslande.

Publicatiedatum: 24-05-2013
Datum laatste wijziging :10-09-2018
Auteur(s): Hugo De Vos,
Extra Jules Destrée is ook de auteur van de ruchtmakende publicatie ’Sire, il n’y a pas de Belges’ (15 augustus 1912) over de scheiding Vlaanderen/Wallonië.

Voor wie daar aparte belangstelling voor heeft: zie Lettre au roi
Verder studeren
Literatuur
  • PDF document Red. (1979), Structuren van het sociaal-cultureel werk in Vlaanderen (op dat moment! WV)
    in Facetten van het sociaal-cultureel vormingswerk in Vlaanderen, speciaal cahier van Pedagogisch Tijdschrift, Vijftig jaar Hoge Raad voor de Volksontwikkeling.
  • Dirk Vermeulen (1985), De sociaal-culturele sector,  Een studie van de verzuiling, de professionalisering en het overheidsbeleid, Helicon Leuven.
  • PDF document Guy Redig & Wim Verzelen (2018), Overzicht van de ministers van cultuur. Een overzicht, dat voor heel wat ’vensters’ bruikbaar is!
  • An Bosmans-Hermans (1979), Vijftig jaar Hoge Raad voor de Volksopleiding, 1929-1979. Ministerie van Nederlandse Cultuur, Bestuur voor Volksontwikkeling en Openbare Lectuurvoorziening.
Links
    homepage   volgende   laatste