Moresprudentie Jaap Buitink, Jan, Ebskamp en Richard Groothoff
Moresprudentie
Ethiek en beroepscode in het sociaal werk

Thieme Meulenhoff, Amersfoort, 2019
ISBN 978 90 06183719
€ 43.10
Bestellen
    overzicht   volgende   laatste
Eerst wat betreft de titel: Moresprudentie is het systematisch verzamelen van morele afwegingen, beslissingen en keuzes die in de beroepspraktijk gemaakt worden. De term is afgeleid van het begrip jurisprudentie. Moresprudentie komt tot stand middels een moreel beraad en biedt houvast in nieuwe vergelijkbare gevallen: veel afwegingsfactoren zijn veelal herkenbaar. Het boek beoogt een handreiking te zijn voor het systematisch leren reflecteren op morele vragen en om morele afwegingen zo zorgvuldig mogelijk te maken (citaat Lia van Doorn, die deel uitmaakte van de denktank).
De indeling van het boek is als volgt. Het begint met een uiteenzetting over de belangrijkste begrippen die in het boek genoemd worden. Vervolgens Deel A, het theoretische kader waarbinnen Moresprudentie ontstaat, voorafgegaan door een Inleiding. Dan Deel B, de beroepspraktijk gezien vanuit de beroepscodes, eveneens voorafgegaan door een Inleiding. Na ieder hoofdstuk worden een aantal opdrachten gegeven en worden websites genoemd voor verdere informatie.

Moreel kader
Het boek wil een bijdrage leveren aan een groter bewustzijn van moreel relevante situaties in het werk en wil ook stimuleren dat sociaal werkers meer gaan discussiëren over die situaties en de uitkomsten daarvan vastleggen. Iedere sociaal werker krijgt te maken met situaties waarin zijn en andermans normen en waarden een rol spelen. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat ethische vragen vaak verpakt worden in methodische vragen, terwijl de auteurs duidelijk aangeven hoe juist vanuit een moreel kader afwegingen gemaakt kunnen worden. Om systematisch te kunnen reflecteren op morele vragen en om morele afwegingen zo zorgvuldig mogelijk te maken, is het belangrijk om de beroepscode op de juiste manier te kunnen gebruiken en in te kunnen schatten. Om deze op een systematische manier te benutten voor morele oordeelsvorming is er een theoretisch kader of begrenzing nodig waarbinnen ethiek mogelijk is.

Driewereldenmodel Habermas
De zorgvuldige morele oordeelsvorming begint met de kunst, volgens de auteurs, om het morele aspect van een gebeurtenis te kunnen onderscheiden van het waarnemen en beleven van diezelfde gebeurtenis, maar wordt slechts dan effectief als dit gedeeld wordt door iedereen die met die bepaalde gebeurtenis te maken heeft.
Voor de herkenning van de morele aspecten in de praktijksituatie wordt het driewereldenmodel van Habermas gebruikt: het cognitieve, het normatieve en het subjectieve perspectief. Het driewereldenmodel wordt geïllustreerd aan een praktijkcasus. Alle beschreven casussen in het boek zijn levendig, to-the-point en eigentijds.
Belangrijk is te weten hoe en op welke wijze tot een verantwoorde morele afweging te komen en daartoe worden vier hoofdstromen uit de ethiek naar voren gehaald: de plichtethiek, de gevolgenethiek, de deugdethiek en de zorgethiek.

Moed, matigheid en verstandigheid
Wanneer en hoe ontstaat een moreel dilemma? Deze vier soorten ethiek worden uitgebreid geanalyseerd en naast het desbetreffende voorbeeld (da Cunha) gelegd: Wat is vanuit de deugdethiek bezien deugdzaam in het geval van Da Cunha? Als zus en zo het geval is, wat dan? De auteurs beroepen zich hierbij op de ethiek van Kant en Aristoteles en op het utilisme, die duidelijk en inzichtelijk wordt weergegeven en naast het desbetreffende voorbeeld gelegd. Zij gaan er van uit dat de sociaal werker in alle soorten morele kwesties moed, matigheid en verstandigheid nodig heeft.
Maar het gaat verder: alleen met moed, matigheid en verstandigheid komt hij er niet. Bij de eerste soort morele kwesties, nl. die tussen zelfbeschikking en welzijn van de cliënt moet het optimum gevonden kunnen worden tussen onverschilligheid en bemoeizucht. Bij morele kwesties waarbij gekozen moet worden tussen het zelfbeschikkingsrecht van de cliënt en de belangen van de samenleving, komen andere deugden en ondeugden in beeld. Belangrijk is dat de sociaal werker zich niet door een van beide partijen laat gijzelen. Een derde soort kwesties die tot een keuze dwingen tussen de erkenning van een minderheid en het opkomen voor een individu binnen diezelfde minderheid, is lastiger te vangen in termen van de deugdethiek. Het optimum hierbij is het oog hebben voor zowel de sociale cohesie als de individuele vrijheid. De zorgethiek wordt het meest uitgebreid besproken en dit houdt in het aandacht hebben voor de zorgbehoeften van de ander, verantwoordelijkheidsgevoel en vooral het competent zijn. En uiteindelijk gaat het hierbij ook om democratische waarden als vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid.

Mensen- en burgerrechten
Als een sociaal werker niet de tijd/gelegenheid/zin heeft om het hele boek te lezen, want het is wel veel, loont het zeer de moeite om alleen dit hoofdstuk te lezen, want de vier soorten ethiek zijn mooi, duidelijk en toegankelijk weergegeven. Het geeft goede handvatten om ook vanuit een ander model en op een andere manier dan waar de sociaal werker meestal vanuit heeft leren redeneren, naar een ingewikkelde casus te kijken. Het verbreedt zijn manier van kijken naar en biedt handvatten voor. Heel in het kort komt het er op neer dat het utilisme vooral bruikbaar is in overzichtelijke situatie waarvan de gevolgen in redelijke mate zijn te overzien. Het universalisme van Kant past vooral in situaties waarin de cliënt in staat is zijn eigen wil te bepalen. De deugdethiek komt vooral tot zijn recht in situaties waarin de ontwikkeling van de beslisser centraal staat. De zorgethiek is geschikt om onoverzichtelijke afhankelijkheidsrelaties in kaart te brengen.
Centraal staat voortdurend de menselijke waardigheid die concreet wordt in de manier waarop de mens tot zijn recht kan komen. Sterker wordt dit nog als de auteurs zich hierbij ook beroepen op mensenrechten en burgerrechten. Een nogal eens vergeten hoofdstuk in lesstof voor de sociaal werker.

Morele oordeelsvorming
Daarna wordt ingegaan op de manier waarop het beroep zich heeft ontwikkeld en zich nog steeds ontwikkelt. Een van de kenmerken van een beroep is dat het voor de samenleving een of meer belangrijke waarden realiseert, waarmee het een publieke rol vervult en de beroepsbeoefenaren zich inzetten voor de gehele samenleving. Een ander kenmerk is dat de beroepsbeoefenaren de normatieve professionaliteit onderling scherp houden. Daarom wordt in dit hoofdstuk zoveel mogelijke onderdelen van het beroepsmatig helpen verduidelijkt en wordt ingegaan op de beroepsnaam, het beroepsprofiel, de beroepsopleiding, de eigen beroepsethiek en code, en een beroepsvereniging en het bij twijfel moreel beraad houden met collega’s. De morele oordeelsvorming, nl. het herkennen, wegen en verantwoorden van de morele aspecten van het werk, zijn er duidelijk nieuw bijgekomen.


Dialoogethiek
Naast een beschrijving, een verduidelijking en het inzetten van de vier eerder genoemde soorten ethiek wordt de dialoogethiek aangehaald, de enige manier om solidair te zijn met anderen en tegelijk verschillen te erkennen, gebaseerd op het pragmatische inzicht inzake het omgaan met menselijke verschillen. Maar ook biedt de dialoogethiek de voorwaarden voor de ideale gesprekssituatie, zo deze al ooit bestaat. Als voorwaarden worden genoemd dat degenen die door de beslissing worden geraakt, moeten kunnen deelnemen aan de dialoog (participatie-eis). Er moet sprake zijn van een machtsvrije discussie, symmetrie-eis, en de eis dat over de volle breedte moet kunnen worden gediscussieerd. De dialoog moet voldoen aan een bepaald minimum aan reflexiviteit. Maar het gaat in dit hoofdstuk ook over de toenemende marktwerking en de bureaucratie in het sociaal werk, waarbij gekeken wordt naar het verleden en naar hoe pioniers in het sociaal werk zich hebben bezig gehouden met de burgerrechten, maar ook naar de opkomst van de verzorgingsstaat en de kritiek daarop.
Om tot een juiste werkwijze in de dagelijkse praktijk te komen wordt uitgegaan van een voorbeeld en het (socratisch) gesprek dat verhelderend werkt. Punt is wel dat een socratisch gesprek zoals voorgesteld, ingebed moet zijn in de structuur van een instelling. Verwezen wordt naar CasusConsult waar op internet begin deze eeuw een initiatief is ontstaan om kennis van sociale werkers te delen en leerzame gevallen op het gebied van en methodiek en ethiek te verzamelen en te delen. Door gebrek aan financiën helaas ter ziel gegaan.

Zorgethisch gespreksmodel
Het zorgethische gespreksmodel waarbij de zorgrelatie als uitgangspunt genomen wordt zou vooral in casusbesprekingen naar voren kunnen komen. De auteurs omschrijven dit als het doordenken van gelijke morele waarden vanuit steeds wisselende omstandigheden. De nadruk ligt hierbij op de veelkleurigheid van principes, waar sterk de contextualiteit van morele beslissingen benadrukt wordt. Jammer is dat de auteurs hierbij niet vermelden wat er op veel plekken al gebeurt in intervisiegroepen die de aanzet zouden kunnen vormen voor casusbesprekingen vanuit een zorgethisch gespreksmodel.

Beroepscode
Deel B handelt over de beroepscode als concretisering van beroepsethiek en wordt vooraf gegaan door een schema over het beroep sociaal werker.
Werkgevers en vakbonden in het werkgebied Welzijn en Maatschappelijke dienstverlening hebben samen met beroepsverenigingen en enkele ander partijen in het sociaal domein in 2018 ‘De Beroepscode voor de sociaal werker‘ ontwikkeld. Jammer is dat de auteurs hier niet Bertje Jens dat krediet gegeven hebben dat zij zeker verdiend zou hebben, omdat zij ooit in 1962 als eerste een beroepscode schreef. Zelfs in de bibliografie wordt haar boek niet genoemd, een misser voor een verder zo grondige beschrijving. Uitvoerig wordt ingegaan op de relatie tussen de code en de theorie over moresprudentie. De beroepscode is de concretisering van de beroepsethiek en handelt over de normatieve professionaliteit van de sociaal werker. De gedragsregels zijn niet neutraal, en hoewel nergens een duidelijke mensvisie wordt uitgesproken, spreekt er duidelijk een liberale, geseculariseerde humanistische visie op mens en maatschappij uit.

Relatie sociaal werker - cliënt
Bezien vanuit de beroepscode wordt uitgebreid ingegaan op de centrale waarde van het beroep, de erkenning van de menselijke waardigheid. Daarbij komen ook de verantwoordelijkheid en de autonomie van de cliënt, zijn zelfbeschikkingsrecht en zijn zelfredzaamheid aan de orde, ook bij jongeren, en in dit verband worden ook de Eigen Kracht conferenties genoemd.
Uitgebreid wordt ingegaan op de relatie tussen sociaal werker en cliënt. Ook hier wordt heel duidelijk en concreet gemaakt welke elementen daarin een rol spelen. Zeker voor oudere sociaal werkers een opluchting omdat vroeger nogal eens werd uitgegaan van het feit dat er per definitie een (goed werkbare) relatie bestond tussen sociaal werker en cliënt, zonder dat ooit handen en voeten geven werd aan het hoe en waarom. Maar hier wordt de relatie tussen werker en cliënt wel degelijk concreet door een aantal benoemde elementen: überhaupt de ongelijke (machts)relatie, het omgaan met agressie, vertrouwelijkheid, privacy en zwijgplicht, beroepsgeheim, het omgaan met dossiers. de dwang en drangmiddelen die de sociaal werker ter beschikking staan. Wat cliënten vaak benoemen, namelijk dat het moet ‘klikken’ wordt hier niet benoemd, maar wel degelijk van belang.

Meedeinen in de tijd
Het boek eindigt met een hoofdstuk over samenwerking in hulp- en dienstverlening, over de verhouding tot de organisatie en de opdrachtgever, en de relatie tot de samenleving, waarbij in het laatste hoofdstuk heel in het kort iets wordt geschetst over de geschiedenis van het beroep en hoe het ooit begon met de hulp aan arme gezinnen met problemen in de opvoeding, financiële problemen of problemen rond huisvesting. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het beroep groot aanzien en maatschappelijk werkers fungeerden vaak als de toegangspoort tot bv. betere huisvesting, of welke vormen van hulp dan ook. Dan volgt een korte en zeer lezenswaardige beschrijving van de veranderingen die het beroep sinds die tijd heeft ondergaan, veranderingen in de zin van de ideeën die er leefden en dan ineens weer helemaal omsloegen. Het laat wel zien hoe het beroep het gevaar in zich had bloot te staan aan en mee te deinen met de ideeën in een bepaald tijdvak: geen huisbezoek, ja, juist wel huisbezoeken, sterker nog: graag bemoeizorg voor bepaalde cliënten enz. enz.
Ook wordt ingegaan in dit hoofdstuk op de voor- en nadelen van het gebruik van sociale media.

Dit boek is voor iedere sociaal werker een echte aanrader door de verfrissende en andere manier waarop naar mensen met hun problemen gekeken kan worden. Wel is heel veel, zeker van dat wat in deel B wordt besproken, bekend. In het hele boek is er waarschijnlijk geen aspect van het beroep onbesproken gelaten, althans, ik zou er geen kunnen noemen. Maar dit is ook tevens het zwakke punt van het boek: het is wel heel veel. Het is de vraag of en wanneer sociaal werkers zich de tijd en de gelegenheid gunnen om dit door te werken. De verschillende soorten filosofie voegen hier zeker iets aan toe en geven een veel bredere basis dan waarop sociaal werkers meestal geneigd zijn te werken. In ieder geval is het te hopen dat op opleidingen dit boek heel veel aandacht krijgt en dat dat de sociaal werker als hij aan het werk is, aanzet tot verder lezen en bespreken en tot het sparren daarover met zijn collega’s. Dit boek met deze uitgangspunten en deze manier van kijken verdient dat zeker.

Eefje van Batenburg-Resoort

Beoordeling
Historische relevantie
● ● ● ● ●
Relevantie sociaal werk
● ● ● ● ●
Leesbaarheid
● ● ● ● ●
Illustraties
N.V.T.


    overzicht   volgende   laatste