1989 De fondsenkaravaan
Fondsen voor armoedebestrijding en integratie
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

In 1989 werd de lokale strijd tegen achterstelling ingezet. Alles samen werd zo’n 3,9 miljard (oude) Belgische franken gereserveerd via het Fonds Van den Bossche en via het Fonds Lenssens ofwel het Vlaams Fonds voor Integratie Achtergestelden.
Achtergrond daarvoor was de verandering van het maatschappelijke en politieke landschap, zichtbaar in het succes van het Vlaams Blok (VB, nu Vlaams Belang). Dat succes bleek sterk geconcentreerd in achtergestelde wijken en bij lagere bevolkingsgroepen in de grote steden, met Antwerpen op kop. In 1990 werd dit eerste wankele beleid gestroomlijnd in het ‘Vlaams Fonds voor de Integratie van Kansarmen’ voor gemeenten met grote concentraties kansarmen of migranten. Er werd nadrukkelijk gekeken naar het sociaal werk om zijn deskundigheid in te zetten: voor integratie en tegen sociale uitsluiting. De inclusieve benadering en de territoriale aanpak stonden centraal. Om effectief en efficiënt te zijn dienden projecten precies te worden toegesneden, met duidelijke doelstellingen en een duidelijke aanpak. Dat was meteen ook de start voor een vernieuwde, tijdsgekleurde, benadering van de welzijnswerkpraktijk: geen algemene subsidiëring meer, maar doelgerichte financiering waarop werd afgerekend op grond van gerichte evaluatie.

In 1994 vielen een viertal ontwikkelingen samen. Het VB bleef succes op succes stapelen. Politici voelden de druk om adequater te antwoorden op territoriale achterstelling en op de situatie van wat later als de 'kansengroepen’ zou worden omschreven. Men kreeg ook oog voor de stadsvlucht. Tenslotte was er het Algemeen Verslag over de Armoede. Er volgde een radicale herstructurering en stroomlijning van de versnipperde projecten uit het verleden via de uitbouw van het zgn. Sociaal ImpulsFonds in 1996. Het SIF werd ingezet om het sociaal weefsel te versterken, het vertrouwen van de burger op te krikken en te antwoorden op sociale achterstand bij kansarmen en allochtonen.
De aanzetten om dit aan te pakken via strategische planning en gerichte meetbare acties werden onderbouwd door een uitgebreide technische ondersteuning via de Koning Boudewijnstichting en het departement Welzijn van de Vlaamse Gemeenschap.
Men beoogde ook de start van een coherent lokaal sociaal beleid dat de hechtere samenwerking en afstemming tussen de lokale overheid (stad, gemeente, OCMW,...) en de talloze initiatieven uit de privésector zou realiseren.
Vanaf juli 2003 werd SIF opgenomen in het Gemeente- en Stedenfonds, weliswaar onder stevig protest van de welzijnssector. In oktober 2002 betoogde men in Antwerpen omdat sociale doelstellingen ondergeschikt dreigden te worden gemaakt aan het opwaarderen van fysieke infrastructuur en het oog voor stedelijke imagebuilding.

Niet enkel Vlaamse middelen konden ingezet worden, ook Europese. Die weg vond de BuurtOntwikkelingsMaatschappij Noord-Oost Antwerpen. Ze werd van bij haar start opgenomen in het Derde Europese Armoedeprogramma (1989-1994). De BOM was het directe gevolg van de Antwerpse Kansarmoedeatlassen (Erik Van Hove (UA), ‘87,’88). Daaruit werd afgeleid dat er een brede samenwerking tussen verschillende stedelijke partners nodig was om een effectief instrument voor de uitbouw van een fundamentele integrale wijkaanpak te ontwikkelen. Met dat profiel werd het project in 1990 binnen het Europese programma geaccepteerd als ‘modelactie’ en kon het een reeks high profile projecten uitzetten in Antwerpen-Noord. De Woon- en Werkwijzer (nu Werkwinkel), ATEC (centrum voor computertechnologie, nu ATEL) het bedrijvencentrum NOA enz. kwamen hiermee van de grond.

Ondertussen hebben heel wat Vlaamse projecten de weg gevonden naar het Europees Sociaal Fonds.

Publicatiedatum: 00-00-0000
Datum laatste wijziging :11-12-2015
Auteur(s): Jan Steyaert, Wim Verzelen,
Verder studeren
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste