1980 Zelfhulp: van concurrent naar collega
De cliënt als co-producent van zorg
 
  homepage   volgende   laatste

De kritiek die Hans Achterhuis in navolging van Ivan Illich formuleerde op de sociale sector komt in hetzelfde tijdsgewricht waarin ook het bestaan en het belang van zelfhulp ontdekt wordt. Aandacht voor zelfhulp is natuurlijk meteen een deel van antwoord op de kritiek dat de sociale sector te veel op zichzelf en te weinig op de behoeften en wensen van haar cliënten gericht is.
Eerder kende men al wel de Anonieme Alcoholisten, maar dat er ook voor vele andere problemen vergelijkbare groepen bestonden was nauwelijks bekend. Vanuit de wetenschap was de zogenaamde ‘nulde lijn’ al omschreven en in Nederland had Joop Hattinga Verschure de term ‘mantelzorg’ bedacht voor zorg tussen familieleden. Toch bleef het denken over welzijnszorg sterk gereduceerd tot denken over professionele welzijnszorg. Er was nog weinig erkenning en bewustzijn voor het feit dat zorg om welzijn door vele actoren geleverd kan worden.

Het bestaan van allerlei zelfhulpgroepen in Vlaanderen kwam in 1980 op twee manieren onder de aandacht. Enerzijds werd er, door onder meer de toenmalige beroepsvereniging voor maatschappelijk assistenten (BEMA), een beurs georganiseerd waarop talrijke zelfhulpgroepen zich aan een breder publiek konden voorstellen. Dat opzet slaagde en de algemene media bleven ook nadien nieuws verspreiden over zelfhulp. Anderzijds gaf de overheid een opdracht aan de vakgroep medische sociologie van de K.U. Leuven om zelfhulp in beeld te brengen. Dat leidde tot een eerste publicatie in de welzijnsgids, en werd snel opgevolgd door een inventaris (1981) en een studiedag (1982). In 1982 leidt de eerdere onderzoeksopdracht ook tot de oprichting van het Trefpunt Zelfhulp en een eerste overzicht van allerlei zelfhulpgroepen: 'het zachte verzet'. Sleutelfiguren waren Jan Branckaerts en Yvo Nuyens.

Het Trefpunt Zelfhulp is nog steeds de plaats voor informatie over zelfhulp in Vlaanderen. Continu onderhouden ze het overzicht van hoeveel groepen er waar actief zijn, en tweejaarlijks bundelen ze die informatie in de zelfhulpgids. Dit overzicht is nu ook digitaal te doorzoeken. Gelukkig, want het oorspronkelijk aantal zelfhulpgroepen is ondertussen al uitgegroeid tot ruim 1400. Samen bestrijken ze een breed terrein, met bijvoorbeeld groepen rond allerlei vormen van verslaving, rond schizofrenie, ongewilde kinderloosheid, dyslexie, en veel andere thema’s. Tot deze groep behoren ook de organisaties waar armen het woord nemen.
Zelfhulpgroepen zijn meer dan groepsbijeenkomsten van mensen die met eenzelfde probleem te maken hebben en elkaar proberen te helpen. Er wordt aan informatie-uitwisseling gedaan, aan belangenbehartiging en beeldvorming.

Oorspronkelijk zagen zelfhulpgroepen en helpende professionals elkaar als concurrent en was er van doorverwijzing of samenwerking nauwelijks sprake. Die relatie is ondertussen wel gewijzigd tot (h)erkenning van elkaars meerwaarde en tot samenwerking. Ook sociaal beleid en het denken over de verzorgingsstaat ziet zelfhulp nu als een belangrijke hoeksteen van een solidaire samenleving.
Zelfhulp heeft ondertussen ook in commercieel opzicht een doorbraak gemaakt. De gemiddelde boekhandel heeft een stevig assortiment publicaties over diverse problemen, allemaal gericht op het zelf verhelpen van die problemen. Ook de komst van het internet heeft zelfhulp beïnvloed. Informatie zoeken of op ruime schaal beschikbaar stellen is nu veel eenvoudiger.

Publicatiedatum: 21-06-2009
Datum laatste wijziging :20-07-2017
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verwante vensters
Verder studeren
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
 
  homepage   volgende   laatste