2010 Autisme en genderdysforie
Minder sensitief voor sociale normen?
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Er is de afgelopen jaren steeds meer aandacht voor genderdysforie. Dit is het diepe gevoel van onbehagen dat iemand heeft als het ervaren geslacht niet overeenkomt met het geboortegeslacht. Dit gaat vaak samen met de wens om van het andere geslacht te zijn. In de toenemende aandacht voor genderdysforie staat ook het samen voorkomen van genderdysforie met autisme (ASS) centraal. In 2010 verscheen in Nederland een eerste systematische studie gericht op het vóórkomen van een autisme-diagnose bij kinderen en adolescenten met genderdysforie. Bij de onderzochte mensen werd autisme in 7,8% van de cliënten met genderdysforie gevonden. Dit is meer dan de geschatte prevalentie van autisme van 1% in de algemene populatie. Ook vervolgonderzoek liet zien dat het voorkomen van kenmerken van autisme bij mensen met genderdysforie hoger lijkt te liggen. Het Nederlandse onderzoek was niet het eerste onderzoek naar de relatie tussen autisme en genderdysforie. In 1981 werd voor het eerst een studie gepubliceerd waarbij gekeken werd naar de ontwikkeling van genderidentiteit, iemands persoonlijke beleving van gender, bij autistische kinderen. En eind jaren 90 werden er voor het eerst casusbeschrijvingen gepubliceerd die melding maakten van het samen voorkomen van autisme en genderdysforie.

Hoewel er steeds meer studies onderzoeken hoe vaak autisme en genderdysforie samen voorkomen, is er nog geen uitsluitsel waarom dit zo is. Het samengaan van autisme en genderdysforie roept vele vragen op, waaronder de vraag hoe dit samengaan verklaard kan worden. In de casusbeschrijvingen wordt soms voorzichtig geopperd dat bepaalde autistische kenmerken de kans op het ontwikkelen van genderdysforie zouden vergroten. Bijvoorbeeld bepaalde specifieke interesses zoals een grote voorliefde bij jongens voor de kleur roze of glitters. Ook genoemd wordt dat het gevoel bij het andere geslacht te horen misschien versterkt zou kunnen worden door bepaalde fascinaties. Steeds vaker wordt echter geopperd dat mensen met autisme zich mogelijk minder bezighouden met, of minder sensitief zijn voor sociale normen en dus ook minder sensitief zijn voor gendernormen. Meer onderzoek is nodig om hier inzicht in te krijgen.

Onderzoekers en artsen zijn het er wel over eens dat autisme geen exclusiecriterium is voor genderbevestigende behandeling. Er is sinds 2018 een richtlijn voor diagnostiek en behandeling voor adolescenten met autisme en genderdysforie, gebaseerd op ervaringen van hulpverleners. Bij diagnostiek en behandeling is het van belang dat grondige kennis over zowel autisme als genderdysforie aanwezig is. In Nederland is in het Amsterdam UMC (voorheen VUmc) het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie gevestigd. Dit centrum heeft jarenlange ervaring met genderbevestigende behandelingen in het algemeen en bij mensen met autisme meer specifiek. Bij genderbevestigende behandelingen gaat het niet om alles wat medisch mogelijk is maar om de wensen van de mensen met autisme. Er is behoefte aan meer onderzoek naar hoe genderidentiteit zich ontwikkelt bij mensen met autisme. Hierdoor kunnen we beter bepalen hoe we mensen met autisme en vragen over genderidentiteit het beste kunnen helpen.

Publicatiedatum: 27-03-2019
Verwante vensters
Literatuur
Links
Bewegende beelden





eerste   vorige   homepage   volgende   laatste