1988 Comorbiditeit
Bijkomende stoornissen
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In 1988 benadrukte Christopher Gillberg dat comorbide aandoeningen, vaker dan toevallig naast autisme voorkomen. Comorbiditeit betekent dat meerdere stoornissen bij een persoon voorkomen. Volgens de toenmalige classificatieregels van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental disorders (DSM-III) konden andere aandoeningen echter niet geclassificeerd worden naast autisme. Alleen een verstandelijke beperking mocht naast autisme gediagnosticeerd worden. Wanneer die combinatie voorkomt, dan zijn de tekortkomingen in het functioneren vaak ernstiger dan wanneer alleen sprake is van een verstandelijke beperking. Autisme met een verstandelijke beperking is bovendien een belangrijke risicofactor voor meer aandoeningen, zoals epilepsie, slaapstoornissen en gedragsproblemen.

Leo Kanner beschreef dat bij kinderen met autisme weinig gezondheidsklachten voorkwamen. Later werd duidelijk dat bij autisme juist vaak sprake is van andere aandoeningen: somatische, psychiatrische of genetische met veel negatieve gevolgen voor het dagelijks en gezins-functioneren. Wanneer deze aandoeningen niet gesignaleerd worden doordat het beeld overschaduwd wordt door autisme, blijft passende behandeling helaas uit.

Somatische aandoeningen zoals epilepsie en stuipen (convulsies) werden al vroeg als veel voorkomende comorbiditeit herkend (bij ±25% van de mensen met autisme). Somatische aandoeningen komen voor op verschillende leeftijden en bij verschillende ernstgradaties van autisme. Er is de laatste jaren groeiende aandacht voor problemen met het spijsverteringskanaal (gastro-intestinale problemen) in combinatie met autisme, variërend van darmkolieken en diarree tot slokdarmontsteking (reflux oesophagitis) en verstopping van de darmen (obstipatie). Deze somatische klachten kunnen beschouwd worden als risicofactoren voor het ontstaan van ernstige gedragsproblemen en zelfbeschadiging.

Onderzoeken, overwegend bij kinderen en jongeren met autisme, geven aan dat 70% van deze groep één of meerdere bijkomende psychiatrische stoornissen heeft. Bij kinderen en jongeren met autismespectrumstoornissen komen de sociale angststoornis, ADHD en OCD het vaakst voor, bij volwassenen zijn dat angst- en stemmingsstoornissen, ADHD, psychotische condities en persoonlijkheidsstoornissen. Bij vrouwen kan autisme daarnaast vaak samengaan met eetstoornissen. De frequent optredende slaapstoornissen bij kinderen met autisme kunnen angst en gedragsproblemen verergeren, vooral wanneer ook sprake is van een verstandelijke beperking, epilepsie en/of een genetisch syndroom.

Er is veel overlap tussen autisme en een verstandelijke beperking en bij beide is vaak sprake van een begin in de kinderjaren, ernstige spraak/taalachterstand en problemen in sociale interactie/communicatie. Bij genetische syndromen geassocieerd met cognitieve achterstand wordt de combinatie met autisme daarom vermoedelijk minder snel herkend. Voorbeelden van genetische syndromen die vaak samen voorkomen met autisme zijn Rett syndroom (de ontwikkeling bij meisjes op jonge leeftijd blijft stil staan), Pitt-Hopkins (een aandoening aan het zenuwstelstel met bepalende gezichtskenmerken, soms epilepsie en langzame motoriek) en het syndroom van Cornelia de Lange (enkele voorkomende kenmerken zijn onderontwikkelde hersenen, onderontwikkelde of afwezige ledematen en bewegingsstoornissen.

Comorbide stoornissen, of deze nu een somatisch, psychiatrisch of genetisch label krijgen, kunnen het autisme verergeren. Toch zijn bijbehorende problemen vaak wel effectief te behandelen, vooral wanneer bij de geboden behandeling rekening wordt gehouden met het onderliggende autisme.

Publicatiedatum: 29-09-2018
Datum laatste wijziging :17-05-2020
Verwante vensters
Verder studeren
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste